James Worthy
Column

James Worthy: 'De kans is groot dat er tijdens mijn vakantie iemand overlijdt'

'Misschien is dat wel het mooiste en tegelijk het moeilijkste van het werken in de thuiszorg. Dat mensen ongemerkt een plek in je hart krijgen'

James Worthy
2 minuten
Column James Worthy

Morgen ga ik drie weken op vakantie. Dat is een heerlijke gedachte. Mijn gezin, de overvolle koffers, een andere omgeving, even geen wekker die om half zeven gaat omdat de eerste cliënt om acht uur hulp nodig heeft. Even uit de routine. En toch knaagt er iets.

Ik werk pas zes maanden in de thuiszorg. Lang genoeg om alle gezichten te kennen. Om te weten wie haar koffie zwart drinkt, wie altijd eerst het gordijn open wil hebben en wie nog één keer vertelt dat hij vroeger vrachtwagenchauffeur was. Lang genoeg ook om te weten dat sommige mensen aan het einde van hun leven zijn. Ze leven in blessuretijd, maar zelfs hun blessuretijd heeft blessures. De kans is groot dat er tijdens mijn vakantie iemand overlijdt. Misschien zelfs twee. Of drie.

Dat is een vreemde gedachte. Niet omdat ik denk dat ik erbij zou moeten zijn. De zorg gaat door. Collega’s nemen mijn route over. Zoals het hoort. Zo is de thuiszorg georganiseerd. Nee, wat ik lastig vind, is dat ik het achteraf zal horen. Alsof een hoofdstuk al afgesloten is terwijl ik het laatste blad nooit heb gelezen. Dat gevoel laat me niet los.

‘Misschien is dat wel het mooiste en tegelijk het moeilijkste aan dit werk. Dat mensen ongemerkt een plek in je hart krijgen’

Misschien omdat we in de zorg leren om professioneel betrokken te zijn. Een prachtige term, waar niemand je precies bij vertelt hoe dat voelt. Want betrokkenheid laat zich niet plannen. Die sluipt erin. In een grapje tijdens het haren wassen. In een hand die je net iets langer vasthoudt. In het herkennen van iemands blik voordat die iets zegt. En voor je het weet, mis je iemand die officieel nooit echt onderdeel van je privéleven was. Misschien is dat wel het mooiste en tegelijk het moeilijkste aan dit werk. Dat mensen ongemerkt een plek in je hart krijgen. 

Ik ga op vakantie. En dat is goed. Mijn gezin verdient mijn aandacht net zo goed als mijn werk dat doet. Maar ik weet ook dat er, terwijl ik ergens aan een eettafel in een Spaans dorp zit of uitkijk over een kabbelende zee, levens ten einde komen. En als ik terugkom, zal de thuiszorg gewoon weer beginnen. Met nieuwe routes. Met lege huizen. Met nieuwe gezichten. En met herinneringen aan mensen die ik maar een klein stukje van hun leven heb mogen begeleiden.

Ik kom over drie weken terug. Zongebruind en uitgerust. Met een telefoon vol foto’s van zwembaden, bergwandelingen en gerechten die tegenvielen, maar me toch gelukkig maakten, simpelweg omdat ik ze op vakantie at. 

En ergens tussen het uitpakken van de koffers en het bekijken van mijn rooster zegt een collega: ‘O ja... mevrouw X is overleden.’


Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct