Beste Cees Geel,
Ik vroeg je ooit of je karakterologisch veel leek op Simon, je meest beroemde personage, uit de gelijknamige film van Eddy Terstall. Je antwoordde: ‘Nee, en ook in andere opzichten ben ik geen Simon. Ik heb geen kinderen, geen kanker en ben nooit doodgegaan.’ Dat laatste is nu helaas achterhaald, veel te vroeg.
Een tijdlang hadden we geregeld contact. Je maakte mensen dan graag wijs dat ik je broertje was. Ze trapten er vaak in, want je was goed in mensen iets wijsmaken – je bent een acteur of je bent het niet.
Als je wél nog haar had gehad, had je het gedragen in een mat, vermoed ik. Ik was tien toen ik naar mijn eerste concert ging, jij elf. Maar dat van mij was in de Hanenhof in Geleen, en dat van jou in de RAI. Het was Kiss, tijdens de Destroyer-tour. Je kocht er een poster van Gene Simmons, en liet die decennia later als volwassen man door hem signeren. Omdat je je nooit ergens te groot voor moet voelen, zei je.
‘Zelfs lang nadat Simon was verschenen, spraken mensen je op straat weleens aan met de verzuchting dat ze blij waren dat je nog leefde’
Over dat eerste concert vertelde je: ‘Op je elfde Kiss voor je kiezen krijgen, dat betekent dat daarna de norm bij andere concerten is: ja leuk, maar er ontplofte niks. Dat vind ik nog steeds wel een goed criterium.’ Dus gingen we samen naar Iron Maiden en Slayer in Biddinghuizen. Die shows voldeden aan je norm: er ontplofte heel veel.
Ik ben bepaald niet de enige inwoner van Nederland die door jou Brieven aan een jonge dichter van Rainer Maria Rilke heeft leren kennen. Je noemde het je bijbeltje, en kon mooi vertellen over de schoonheid van zijn taal en hoe je van Rilke het belang van bedachtzaamheid had geleerd. Je had er vaak enkele exemplaren van bij je, en gaf die graag aan mensen. Heel eerlijk gezegd denk ik dat het vaak ook gewoon een heel slimme versiertruc was; een soort alternatief visitekaartje met onder je naam ‘ook een gevoelige jongen’.
Zelfs lang nadat Simon was verschenen, spraken mensen je op straat weleens aan met de verzuchting dat ze blij waren dat je nog leefde. Je neiging om dan een grap te maken, liefst een harde, liet je dan achterwege, omdat je zag dat ze werkelijk geëmotioneerd waren. Je was de film zelf destijds met een vriend samen in de bioscoop gaan zien, en stond daarna met hem aan de bar. Je zag de mensen uit de zaal komen, en ze zagen jou. Alsof ze een geest zagen. Zelf raakte je bij de film het meest ontroerd door de emotie van Simons kinderen. Want: ‘Dat ik zelf doodga, ja, dat geloof ik wel.’
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct