James Worthy
Column

James Worthy: 'Wielrennen zou mijn sport moeten zijn, fietsen door schilderachtige landschappen'

'De fietsbanden zitten niet vol lucht, maar vol verhalen'

James Worthy
2 minuten
Column James Worthy

Sinds ik 46 ben, probeer ik dingen die mij altijd onverschillig hebben gelaten een eerste of tweede kans te geven. Noem het een midlifecrisis of een tweede peutertijd, maar ik zoek naar verwondering door mijn vastgeroeste smaak te verbreden.

Ik vind het verdacht dat ik afkeer voel van dingen die ik nooit werkelijk heb onderzocht. Dus geef ik ze een kans: schaaldieren, koriander, musicals en wielrennen. Vooral wielrennen. Niet uit liefde, maar uit wantrouwen tegenover mijn eigen onverschilligheid. ‘Jij hebt gewoon nooit van de sport leren houden,’ zegt een goede vriend. We drinken koffie in zijn favoriete wielercafé. Op een televisie boven de bar fietsen mannen uit het verleden op dunne banden de toekomst tegemoet.

‘Dat klopt. Ik heb het nooit een kans gegeven. Net als kaviaar.’

Wielrennen zou mijn sport moeten zijn. Fietsen door schilderachtige landschappen. Een mens die natuur en elementen uitdaagt. Het is heroïsch

‘Het vreemde is dat jij een enorm romantisch persoon bent, James. Je bent een soort volgroeide Cupido. En de wielersport drijft op romantiek en melancholie. Het zou de geknipte sport voor jou moeten zijn.’

Mijn vriend heeft gelijk. Wielrennen zou mijn sport moeten zijn. Fietsen door schilderachtige landschappen. Een mens die natuur en elementen uitdaagt. Het is heroïsch. Het is kunst. Het is literatuur. En het is een sport die haar verleden met zorg cultiveert. De fietsbanden zitten niet vol lucht, maar vol verhalen.

De liefde van mijn leven fietste dus geregeld door mijn straat, maar ik weigerde uit het raam te kijken. Zij fietste in het geel, en ik liep een blauwtje.

Wat mijn jarenlange desinteresse nog pijnlijker maakt, is dat wielrennen ook op taal drijft. Geen andere sport kent zo’n rijk jargon. Het is technisch, maar tegelijk poëtisch. In het wiel zitten klinkt als wat een kind doet als het verstoppertje speelt op een autokerkhof. In de waaier rijden klinkt als iets wat trekvogels zouden doen als ze konden fietsen. Maar gelost worden is mijn favoriet. Een schot wordt ook gelost. Dit schot knalt vooruit, maar wie in het wielrennen gelost wordt, gaat juist te traag.

Mijn wielerontmaagding is een rit van Amsterdam naar Vinkeveen en terug. Zo’n 50 kilometer. Pas als we de stad uit zijn en de trams en het rumoer achter ons hebben gelaten, voel ik wat ik aan het doen ben. Ik kijk naar beneden en ben onder de indruk van mijn benen. Op het tempo.

In onze buurt zit een speeltuin waar ’s avonds tieners op de draaimolen staan terwijl anderen duwen. Soms gaat dat ongelooflijk hard. Nou, zo hard gaan mijn oude mannenbenen rond.

‘Je zit goed in het wiel,’ lacht mijn vriend. ‘Maar straks zet ik het kraantje echt open.’

Ik weet niet wat hij bedoelt. Praten kan ik toch niet meer. Ik kan alleen nog hijgen. We hadden ook de bus naar Vinkeveen kunnen pakken, maar misschien is dat precies wat wielrennen is: onnodig lijden. De pijn in de etalage zetten.

Twee vrienden fietsen langs de Vecht, ieder verwikkeld in zijn eigen gevecht.


Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct