Door: Danny Koks
Artikel
15

Longread | In Memoriam: Peter Pan Speedrock (1997-2017)

Drie jongens uit Eindhoven begonnen een bandje. Het mondde uit in een ­smerig sprookje vol loud ­guitars & loose women,...

Drie jongens uit Eindhoven begonnen een bandje. Het mondde uit in een ­smerig sprookje vol loud ­guitars & loose women, hectoliters drank, kilo's drugs en massa's mooie verhalen. Nu gaat het boek van Peter Pan Speedrock dicht. Samen met de band en hun inner circle blikt Revu terug op twintig jaar vol wilde avonturen.

Alle begin is moeilijk

Bert van Aefst (manager): ‘Ik was lekker mijn kantoor aan het verven toen Piet, de zanger, en Bartje, de drummer, ineens bij mij op de stoep stonden. “Wat komen jullie doen?” vroeg ik. “We zouden toch onze demo laten horen?” “Die meeting is volgende week, heren.” Zo ben ik hun manager geworden, vanaf de eerste dag tot nu, twintig jaar verder. Wat zij toen in 1996 lieten horen, waren de allereerste liedjes die zij op tape hadden gezet. De jongens maakten muziek die er op dat moment in Nederland nog niet was: harde, snelle, smerige rock à la Motörhead en AC/DC. Ze werden getekend bij Virgin, destijds een major platenmaatschappij. Daar zaten Korn, Lenny Kravitz, Smashing Pumpkins, noem maar op. Dus wij dachten: daar gaan we! De verkoopcijfers had ik eigenlijk moeten inlijsten. Ik geloof dat ze in totaal 78 cd’tjes hadden verkocht.’

Peter ‘Piet’ van Elderen (zanger/gitarist): ‘De rest van de cd’s is in de destructor beland. Het huwelijk liep al op de klippen voordat we de bruidssuite goed en wel hadden kunnen inwijden. Toen we daar de eerste keer op kantoor kwamen, besloten ze ons te ‘verrassen’ met een luistersessie van de nieuwe plaat van... Hoe heten die twee gasten die altijd zo’n helm dragen? Daft Punk, ja. Toen dachten we al: volgens mij hebben ze niet helemaal in de gaten wat voor band wij zijn.’

Gewoon boeken, Bert

Bert: ‘Live begon het balletje wel vanaf dag één te rollen. Ik had een paar optredens voor de band geboekt en ik weet nog dat Piet toen tegen mij zei: “Er stond echt maar een handjevol mensen.” Toen heb ik al die zalen teruggebeld, om te vragen wat ze ervan vonden. En ze zeiden allemaal: “Als ze weer in de buurt zijn, teken ze maar. We willen ze blind hebben.” Had zo’n zaaltje bij de eerste gig tien betalende bezoekers, de keer erop waren dat er honderd. De jongens maakten bij hun eerste clubtour al zo’n indruk dat mensen naar huis gingen en tegen hun vrienden zeiden: “Ik heb gisteravond een band gezien man, jézus!” ’

Bart ‘Bartman’ Geevers (bassist): ‘Aan repeteren heb ik eigenlijk een bloedhekel. Ik zit in een band om te spelen. Altijd en overal met gestrekt been erin.’

Bart ‘De Kleine’ Nederhand (drummer): ‘Vanaf de eerste dag hebben we tegen elkaar gezegd: we gaan er helemaal voor. We hebben alles aan de kant gezet en alles aangepakt. Heel veel mensen in bandjes zitten toch vast aan hun baan, of mogen niet weg van hun vriendin. Wij hebben dat altijd wel gedaan. Iedere kans om een show te spelen, grepen we aan.’ Bert: ‘Ik kreeg het aanbod om de band in Berlijn te laten spelen als voorprogramma van Zeke [een snoeiharde rockband uit Seattle, red.]. Bartman zei: “Ja, is cool.” Verder vroeg hij nergens naar. Voorzichtig zei ik: “Meer dan honderd gulden zullen jullie er niet mee verdienen.” Zijn gevleugelde woorden, en die gebruik ik nog altijd bij rock-’nroll-bandjes die net beginnen: “Gewoon boeken, Bert.” Hij zei dat ze van dat geld het tourbusje konden voltanken, ze hadden gratis eten en ze konden die avond ook nog eens een van hun favoriete bands ter wereld zien, voor niks. “Wat wil ik nog meer?” Die attitude zie je tegenwoordig bijna niet meer. Als een bandje nu ook maar eventjes in de spotlights staat, gaan ze echt niet meer voor honderd euro naar Berlijn. Peter Pan Speedrock stond overal voor open, ze pakten alles aan. Clubs en zaaltjes die de band vanaf het begin hadden gesteund, zijn ze altijd trouw gebleven. Jeugdsoos Sparrow in Klazienaveen, een piepklein punkhol, daar was de band kind aan huis. Hoeveel bandjes laten die kleine podia wel niet links liggen als ze eenmaal zijn doorgebroken?’

Leo Hoeksema (voormalig tourmanager): ‘Ik werkte met Kleine Bart in Eindhoven op de vuilniswagen. ’s Ochtends gingen we eerst langs snackbars en koffiehuizen, die stopten ons een paar tientjes toe als wij hen van hun troep afhielpen. En de rest van de dag reden we door de stad met Motörhead en AC/DC knalhard uit de speakers. Bart zei: “Ik speel in een leuk bandje, ga een keertje mee.” Dat was in het Muziekgebouw in Eindhoven, als voorprogramma van De Dijk. Niemand in de zaal zat te wachten op die teringherrie, iedereen hoopte dat ze zo snel mogelijk zouden ophouden. Toen Peter Pan Speedrock hun laatste nummer hadden gespeeld en iedereen “Boeeee!” aan het joelen was, zei Piet: “Weet je wat, we doen er nóg eentje!” Ik dacht: hé, dit is een gave band. Uiteindelijk ben ik twaalf jaar lang hun tourmanager geweest.’

Joefkes

Leo: ‘In elke stad en in elk dorp waar ook ter wereld heb je wel iemand rondlopen van wie je denkt: aardige gast, maar ik loop toch even door. In Brabant noemen we die joefkes: mensen waar een hoekje af is, die anders zijn dan anderen. Sommigen zijn zo apart, daar is niet alleen een hoekje af, die zijn gewoon helemaal rond. Voor dergelijke mensen is de band altijd een magneet geweest. Peter Pan Speedrock is een van de sociaalste club mensen die ik ooit heb gekend. Bij hen was iedereen altijd welkom.

Backstage was een soort hemel voor die aparte lui. Want je krijgt aandacht, je krijgt een gesprek met iemand die op het podium staat en je krijgt gratis bier. En als je gelukt hebt, nog wat drugs ook van iemand. Het was altijd gekkenhuis backstage. Maar gevolg was dat ik nooit onze spullen veilig kon opbergen of opruimen. En dat ik altijd naast het drinken en eten greep, want dat was dan al op. Op een gegeven moment gingen we zelfs eten en biertjes verstoppen. Voor onszelf, zodat we onderweg naar het hotel of naar huis toch nog wat te eten en drinken hadden.

De afspraak was: op mijn hotelkamer werd niet gefeest. Dat deden ze maar in hun eigen kamers. Totdat ineens Nino uit Zuid-Tirol opdook. Een goeie vriend van de band, die dagenlang achter ons aan was gereisd. Die avond deelden we met z’n allen een kamer en Bartman zei: “Ach Leo, die jongen kan toch wel bij ons pitten?” Ik lag al te slapen, toen ik ineens dacht: wat hoor ik toch voor geluiden? Lag die Nino naast mij in bed. Te kotsen. Helemaal over mij heen. In mijn haren, alles. En je moet weten: ik heb smetvrees. We hadden een kamer zonder douche, er zat niemand meer achter de receptie. Dus uiteindelijk heb ik bij een andere kamer moeten inbreken om me te kunnen schoonmaken. Ik kon die Italiaan wel vermoorden.’

Dingen die in Dennis verdwijnen

Leo: ‘Zo heb ik ook Dikke Dennis, de mascotte van de band, leren kennen. Nu is hij helemaal clean, maar zijn wilde jaren bij de band waren ook écht wild. Grammen coke per dag, altijd zuipen. Hij nam ook vaak zes, zeven vrienden mee. Stuk voor stuk unieke personen en fantastische mensen, maar ik heb ook regelmatig tegen Dennis gezegd: “Jezus, hoe komt die gast vrij? Hoort die echt niet vast te zitten?” Maar Dennis had het veel te druk met zijn eigen showtje opvoeren. Die liep constant met zijn lul in zijn handen. We speelden een keer in Vlaardingen. Dennis had toen iets met een meisje. Die zat ineens naakt in de kleedkamer. Hij had haar aan de ketting gelegd en begon haar te beschilderen. ‘Slet’, ‘teef’, ‘hoer’, op al haar lichaamsdelen. Daarna ging hij met haar aan de ketting het podium op. Dat vond ze allemaal prima. Hij had een trucje waarbij hij haar optilde en een vinger in haar vagina deed. Dat werden er op een gegeven moment vier. En dan liep hij zelf nog in een vrouwenslipje. Met een bevroren embryo van een koe of varken om zijn nek. Aan een vleeshaak. Dat hoorde bij de show. Ik dacht alleen maar: hoe krijg ik dit uitgelegd? En dan nog de dingen die ik in die man z'n kont heb zien verdwijnen, ongelooflijk.’

Uit de Dikke Dennis-biografie Ik Heb Nergens Spijt Van van Mark Verver: ‘Eén keer stonden we ergens op de Afsluitdijk, dat was tijdens de 12 Bottles Of Tequila Tour [twee dagen, drie shows per dag, per show twee flessen tequila soldaat maken, red.]. Toen kreeg de band pech met de bus. Dus stapten we uit. Achterop de bus zat zo’n enorme trekhaak, helemaal vol met smeer, zo’n vies ding. Die dikke trekt zijn broek naar beneden. En hij gaat zo op die trekhaak zitten: plop!’

Ron van Hal (voormalig perspromotor van platenlabel Suburban): ‘De band had een releaseparty in de Effenaar, in hun thuisstad Eindhoven. Dennis was die avond de dj. Op een gegeven moment kijk ik richting de dj-booth en zie ik hoe hij zijn vriendin doggystyle aan het nemen is. Gewoon en plein public in een uitverkochte Effenaar. Tijdens de afterparty trok ik de deur van de kleedkamer open. Het was net alsof ik een dierentuin on speed binnenstapte. Vol met wilde apen en ruig volk. Dikke Dennis draaide een stoel om, trok z’n broek omlaag en ging op een van de stoelpoten zitten, verder en verder naar beneden zakkend. Die man heeft een enorm hoge pijngrens.’

Legendarische show (1)

Leo: ‘In 1999 speelde de band op Dynamo Open Air, in de middag op het skatepodium. 2B, een club krakers uit Eindhoven, had op het terrein een bar annex restaurant staan. En ze hadden de jongens gevraagd of ze die nacht nog een keertje wilden spelen. Illegaal, want de festivalorganisatie wist van niks. Er stond iets van vijfhonderd man in die tent gepropt. Hoewel de geluidsapparatuur om de haverklap uitviel, zijn de jongens maar gewoon gaan spelen. Het klonk verschrikkelijk, maar iedereen ging zo uit zijn plaat dat heel die tent in elkaar dreigde te storten. Ik stond met man en macht de bar en de speakers vast te houden. Als je het echt over rock-’n-roll hebt: die nacht had alle ingrediënten.’

Denvis (vriend van de band, destijds zanger van de Eindhovense band The Spades): ‘Ik was toen bezig met mijn afstudeerproject voor de filmacademie. Dus had ik twee perskaarten geregeld, zodat ik alles mocht filmen. Het was één grote chaos. Binnen no time lagen alle wanden van die tent eruit. Dikke Dennis ging crowdsurfen. Hij heeft een kwartier lang rondjes boven de hoofden van het publiek gemaakt. Dat was niet omdat ze hem zo lang omhoog konden houden, er was simpelweg geen ruimte om hem te laten zakken.’

Bartman: ‘Dat was zo’n gigantisch feest. Ze moesten echt met zes man de dranghekken voor het podium tegenhouden. En het publiek was net zo bezopen als wij.’

Kleine Bart: ‘Mensen klommen in de palen, iedereen was zo lam. Piet speelde op zijn knieën een solo en kwam niet meer overeind omdat hij veel te veel bier had gehad. Vlak voor de show hadden Bartman en ik het bandlogo onder onze nek laten tatoeëren. Voor mij was het de ultieme jongensdroom om te spelen op het festival waar ik al heen ging toen ik nog een 15-jarig menneke was.’

Legendarische show (2)

Bert: ‘De band boomde toen ze voor de eerste keer op Noorderslag speelden, in 2001. Dat is elke januari een belangrijk showcasefestival waar Nederlandse bandjes en artiesten zich in de kijker kunnen spelen bij concertboekers en festivalorganisatoren. Het was me gelukt om ze als laatste act in de foyer van de Oosterpoort te laten spelen. Omdat ik wist dat de grote zaal rond diezelfde tijd zou leegstromen en dat de hele meute daar tezamen zou komen. Bartman stond op een gegeven moment zijn basgitaar te soundchecken. Dat ging al zo godvergeten hard. Toen merkte je al bij iedereen: wat gaat hier gebeuren? En toen ze eenmaal begonnen te spelen, was het magisch. Ze bulldozerden over alles en iedereen heen. Ik zag ineens Rudeboy van Urban Dance Squad op het podium klimmen, die stond helemaal uit zijn dak te gaan. Dat was kippenvel, ook voor mij. Toen wist ik zeker: nu is de beer los. De dagen erna waren de boekingen niet aan te slepen. Dan boekte ik twintig shows in, en moest ik een dag later alweer zeggen: “Forget it jongens, gooi dat tourschema van gisteren maar in de prullenbak, hier is een nieuwe.” ’

Piet: ‘Noorderslag was het keerpunt in onze carrière. De pers, de mensen uit de muziekindustrie; iedereen had het alleen nog maar over ons optreden. Volgens mij is toen diezelfde avond nog Lowlands, Roskilde en Pinkpop geboekt. Het was het kookpunt van iets wat al langer aan het sudderen was. Vlak daarvoor hadden wij een show op een rockfestivalletje in de Melkweg. Wij zetten ons busje braaf bij de kleine zaal neer. Komen de mensen van de Melkweg naar ons toe: “Jullie moeten aan de andere kant zijn, bij de grote zaal.” Wij denken nog: kut, moeten we openen voor een andere band. Bleken we ineens tot afsluiter te zijn gebombardeerd van een avond met bandjes waar wij allemaal tegenop keken. “Iedereen kwam een kaartje halen voor jullie,” zeiden ze van de Melkweg, “dus we hebben de boel maar omgegooid.” ’

Een zekere motorbende

Leo: ‘De band speelde in een kroeg die zijn zoveeljarig bestaan vierde. Toevalligerwijs ook het bolwerk van een zekere motorbende. Een vriend van ons uit Eindhoven was mee en die was iets te fanatiek aan het pogoën. Daarbij duwde hij een van die motorbendegasten, of zijn vriendin of zo, hard opzij. Dat werd niet getolereerd. Een paar man kwam toen van achterin de kroeg naar voren. En ik zag dat ze onze vriend aanwezen. Ik dacht: die krijgt alle hoeken van de zaal te zien. We stopten de muziek, het licht ging aan, ik liep de kroeg in en voor ik het wist, stond die kerel van die motorbende met zijn voorhoofd tegen het mijne. Ten overstaan van drie-, vierhonderd man publiek wees ik hem terecht. Iedereen was doodstil. Ik zei: “Luister, je mag mij in elkaar slaan, dat vind ik allemaal prima, maar er gaat hier niet gevochten worden. Anders pakken wij onze spullen en gaan we naar huis.” Kleine Bart, die is best breed, haalde ons uiteindelijk uit elkaar. Die kerel liep kwaad weg en daarmee was het opgelost. Daar was iedereen verbaasd over, want dit zijn mensen die het normaal gesproken niet tolereren om te worden terechtgewezen. Ik durfde eigenlijk pas weer adem te halen toen we na de show onze spullen hadden ingepakt en op de snelweg terug naar huis zaten.’

Feesten en beesten

Piet: ‘Hoe je dit leven twintig jaar kunt volhouden? Eenvoudig: ik kan overal slapen. In de tourbus, op drie barkrukken, maakt mij niet uit. Dat is wel een handige eigenschap. Bartman, bijvoorbeeld, kan zelfs staand slapen. We waren een keer aan het opnemen in de studio toen onze producer hem vroeg iets te spelen. Geen reactie van Bartman. Stond ie dus gewoon te slapen. Met z'n bas om. En misschien hebben we ook allemaal wel een sterk gestel. Goeie Brabantse genen. Tegenover de tweeduizend shows die we hebben gespeeld, hebben we er hooguit twee, drie moeten afzeggen.’

Leo: ‘Ik deelde meestal de hotelkamer met Piet.

Vroeger wachtte ik nog weleens op hem. Daar was ik op een gegeven moment wel klaar mee, om tot zes uur ’s ochtends in de kroeg rond te hangen. Dan pakte ik om twaalf uur de taxi naar het hotel en schreef ik met een stift het adres op Piets arm. Dan zagen we wel of hij bij het hotel aankwam of niet. Menigmaal lag hij de volgende ochtend te slapen op de vloer, of in een kast. Of we waren hem een dag kwijt. Maar de volgende dag altijd een strakke show spelen, ook al stond er maar twintig man. Schreeuwen, spugen, gas erop. Verbijsterend vind ik dat. Nu zeiken bandjes al dat er backstage geen Coca-Cola, maar Pepsi staat.

Als we vijf weken toerden, gingen ze vijf weken lang tot het gaatje. Dat ik dacht: dit kan een mensenlichaam gewoon niet verdragen. Maar goed, het had ook fout af kunnen lopen. Er was altijd bravoure, de jongens waren altijd aanwezig. Strooien met geld, ook in landen waar je dat niet moet doen: Polen, Tsjechië, Mexico. Wij gaven niet één rondje, wij gaven er tien. Of er werd een dealer gezocht, ook in het buitenland. Want er moest feest zijn voor iedereen. Honderden dollars en euro’s werden zo stukgeslagen. Rijk zijn ze er nooit van geworden. Maar dit hebben ze zo gewild. Dit is hun feest geweest. Herman Brood had ook geen spijt van wat hij heeft gedaan.’

De koek was op

Bartman: ‘Tot een paar jaar terug was ik ervan overtuigd dat wij met Peter Pan Speedrock door zouden gaan tot we erbij neervielen. Dat is ’m helaas niet geworden. Het idee dat ik vanaf eind november voorlopig geen shows op de agenda heb staan, vind ik een heel raar gevoel. De laatste twee, drie jaar merkten we dat we uit elkaar aan het groeien waren. Het ging steeds moeizamer. Nieuwe nummers maken liep eigenlijk alleen maar uit op discussies. Vandaar. De koek was op, zogezegd. Maar goed, aan die koek hebben we ons wel twintig jaar volgevreten.

Het meest trots ben ik op het feit dat we al ruim vijftien jaar van onze muziek kunnen leven. Ik speel al sinds mijn 15de in bandjes. Vroeger kon ik daar alleen maar van dromen. Toen dacht ik: dat moet helemaal geweldig zijn. Toen het eenmaal zover was, bleek het nog tien keer gaver te zijn dan ik had verwacht.’

Piet: ‘Of ik veel voor de band heb moeten opgeven? Het heeft me mijn huwelijk gekost, dus ik denk dat mijn ex het een tikkeltje anders zal zien, maar ik heb er eigenlijk alleen maar dingen door gewonnen. Het meest koester ik mijn vrijheid. Ik heb nooit voor een baas gewerkt. Met z’n drieën hebben we al die jaren onze eigen boontjes gedopt. Op eigen kracht, met de dingen die we zelf gaaf vinden, en zonder onszelf of onze muziek aan te hebben gepast.’

Word nu abonnee van Revu!

JA, IK WORD NU ABONNEE!