Door: Mark van den Tempel
Artikel
14

Longread | Revu beunt bij in een kas in het Westland, tussen de Polen

De Polen in Nederland worden kieskeurig. Na hier ruim tien jaar het zwaarste werk te hebben opgeknapt, lijken steeds mee...

De Polen in Nederland worden kieskeurig. Na hier ruim tien jaar het zwaarste werk te hebben opgeknapt, lijken steeds meer seizoensarbeiders thuis te blijven. Mark van den Tempel stond aan de lopende band tussen de bikkels van het Westland. ‘Het wordt steeds moeilijker om Polen te interesseren voor werk in Nederland. Er zijn thuis gewoon te veel mogelijkheden om meer geld te verdienen.’

Fotografie Alexander Schippers

Het is even na zes uur ’s ochtends en in de hal van Van den Berg Roses in Poeldijk ligt de productie al vol op stoom. Het familiebedrijf is een van de grootste rozenkwekers van het Westland, met vestigingen in China en Afrika. Een dag eerder ontving Poeldijk een zending kweekbloemen uit de eigen kassen in Kenia, die vandaag nog naar de verschillende afnemers moet. Ik mag een dagje helpen aan verschillende productielijnen.

Om me niet meteen in het diepe te gooien, neemt coördinator Justyna Rogula, een kordate blondine van 27, me eerst mee naar een rij sorteertafels. Omgeven door karren vol dozen ingepakte bloemen staan er Poolse vrouwen boeketjes te controleren. Ze kijken vreemd op van a. een man en b. een Hollander, maar tijd voor een uitgebreide introductie is er niet. Het is aangenomen werk, dus hoe harder er gewerkt wordt, hoe sneller de klus af is.

Vijftien seconden per doos

In Kenia zijn de roosjes op kleur in dozen verpakt, tien stuks per bosje. Maar de afnemer wil er negen. Dus moet ik telkens een roosje verwijderen voordat de bosjes de lopende band op gaan om opnieuw verpakt te worden. De vrouwen moeten lachen om mijn onhandige gepriegel met de elastiekjes, maar ik moet de boel niet te lang ophouden. Tijd is geld. De teamleidster komt snel de correcte handeling voordoen.

De conversaties in het Pools komen met enige moeite boven het lawaai van lopende banden en Radio Veronica uit. De mannelijke collega’s doen er grotendeels het zwijgen toe, ontdek ik als Justyna me na de koffiepauze achter een inpakband zet. Hier wordt hard en geconcentreerd gewerkt. Het mag dan eenvoudig ogen, na twee uur dozen te hebben gevouwen en gevuld – een handeling waar gemiddeld vijftien seconden per doos voor staat – voelen mijn schouderspieren stram.

De Nederlandse opzichter John komt een praatje maken. ‘Jij hoeft deze week niet meer naar de sportschool.’ Hij heeft een punt: de Poolse mannen om mij heen ogen slank en fit. Als ik hem vraag of hij zelf achter de lopende band begonnen is, kijkt hij me verbaasd aan. Het blijkt dat John zijn eigen bloemenkwekerij heeft verkocht om nu rustig tot zijn pensioen als opzichter te kunnen werken. Heeft hij ooit Hollandse arbeidskrachten over de vloer gehad? John moet even denken. ‘Ja, een paar jaar geleden hadden we een Marokkaans-Nederlandse vrouw. Ze hield het na drie dagen voor gezien.’

Laag ziekteverzuim

Het Westland draait op Polen. Het is een cliché en het is waar. Alleen al in het nabijgelegen Den Haag wonen er 11.000. Officieel, want uitzendbureaus bieden daarnaast nog duizenden seizoenarbeiders onderdak in hotels en bungalowparken. Wie op de parkeerterreinen van Westlandse bedrijven rondkijkt, ziet dat de Hollandse nummerplaten ver in de minderheid zijn. Maar hoe lang nog? De economie van Polen is dusdanig aangetrokken dat het loont om thuis te blijven. En de sterke vergrijzing in Polen betekent dat er steeds minder jongeren zijn om naar Nederland te lokken.

Dat laatste ervaart ook Peter van Koppen, medeeigenaar van een arbeidsbureau gespecialiseerd in niet-Nederlandse werknemers. Van Koppen & Van Eijk vertegenwoordigen 5000 uitzendkrachten, waarvan 4000 Pools. ‘Het wordt moeilijker om te werven. We selecteren in Polen en zenden er ook ter plekke uit, maar voor de onderkant van de markt kan ik al niet genoeg mensen vinden. We gaan nu in Oekraïne werven voor werk in Polen.’

Voor Van Koppen is de oververtegenwoordiging van Poolse werknemers in het Westland maar op één ding terug te voeren: betrouwbaarheid. ‘Er is een heel laag ziekteverzuim en een klein verloop onder Poolse uitzendkrachten: onze klanten zijn dus heel tevreden. We hebben geen voorkeur voor Poolse mensen, maar wel voor motivatie en betrouwbaarheid. En met alle respect: het is makkelijker om in onze markt gemotiveerde Polen te vinden dan gemotiveerde Rotterdamse werklozen. Poolse mensen geven mij meer rust.’

Toch zit er wel beweging in het mobiliseren van Hollandse werklozen, schrijft het AD. Een recent project van de sociale dienst heeft ertoe geleid dat 130 Rotterdamse werklozen een baan vonden in de tuinbouw. Van Koppen ziet er wel wat in. ‘Ik wil meer focussen op Nederlandse mensen. Het werk in de tuinbouw heeft misschien nog wel een beroerd imago, vroeg beginnen, warm, enzovoort, maar het is allemaal niet zo slecht. Bij Holstein Flowers werken tachtig mensen van ons, die gerbera’s plukken in de kas. Fysiek niet zwaar, en een prettig bedrijf.’

Werken tot middernacht

Na de lunchpauze van twintig minuten zie ik een beetje op tegen een nieuwe shift aan de inpakmachine. De hal voelt steenkoud na de warme kantine. Wegdromen is geen optie, daarvoor is het te veel teamwork. Wie niet optimaal presteert benadeelt ook zijn collega’s, legt Justyna uit. ‘Dat kweekt een slechte sfeer en wat ik niet wil is ontevreden medewerkers.’

Wie goed functioneert maakt kans op promotie, wie de boel ophoudt vliegt eruit. Hoe dat teamwork in de praktijk werkt, wordt even later duidelijk. De machine die plastic emmers op de lopende band zet en met water vult, valt stil. Direct komt de teamleidster vanachter haar sorteerwerk vandaan en klimt op het apparaat. Een opzichter komt aangerend en springt bij om de emmers handmatig met water te vullen. Wanneer het euvel na enkele minuten verholpen is, blijkt de productie amper vertraging te hebben opgelopen.

Wanneer om half drie de laatste dozen gevuld zijn, wacht de vrijdagmiddagborrel. De paar medewerkers die Engels spreken zitten al snel aan dezelfde tafel. Grzegorz Szmit kwam tien jaar geleden naar het Westland als rozensnijder en is nu assistent-bedrijfsleider bij Van den Berg. Hij viel positief op door zijn goede Engels en managementervaring. ‘Ze hebben me geholpen met huisvesting en met werk voor mijn vrouw. Dus hebben we in Polen alles achter ons gelaten, onze spullen in een auto geladen en zijn naar Nederland gereden. Het was heel spannend, mijn dochter was pas twintig maanden.’

Toen hij begon was net een van de grote rozenkassen geopend. ‘Ik werkte zestig uur per week, zeven dag lang. Mijn eerste vrije dag was na twee maanden. Mijn eigen keus hoor, lange dagen, werken tot middernacht en om zeven uur weer terug op het werk. In mijn eerste maanden verloor ik dertien kilo. Zo zwaar hebben ze het nu echt niet.’

Dat het bedrijf nu exclusief met Polen werkt, komt niet door hem maar is zo gegroeid. ‘Ga maar na: Polen werken op zon- en feestdagen. Moslims komen niet werken op een religieuze feestdag, die vinden dat een baas daar niets over te zeggen heeft. Als je het een Pool vraagt, dan komt ie werken.’

Dat Polen van die aanpakkers zijn klopt dus, maar ik moet het volgens Grzegorz niet idealiseren. ‘De meeste Polen willen thuis ook niet voor het minimumloon werken. Hier weten ze dat als ze niet hard genoeg hun best doen, wij op zoek gaan naar betere krachten. Je moet dus laten zien dat je dit werk echt wilt.’

Met twee kinderen op Nederlandse scholen weet hij dat zijn toekomst hier ligt. Maar hij denkt dat hooguit een kwart van zijn landgenoten zich permanent in Nederland zal vestigen. ‘Het wordt steeds moeilijker om mensen in Polen te interesseren voor werk in Nederland. Er zijn thuis gewoon te veel mogelijkheden om meer geld te verdienen.’

Justyna Rogula is een van de jonge Polen die wel de stap naar Nederland heeft gezet. Eerst als bollenpeller tijdens vakanties om haar studie te bekostigen. Ze werkte in Katowice voor een marketingbedrijf toen Grzegorz haar kwam scouten voor Van den Berg. Nu heeft ze als coördinator een stevige verantwoordelijkheid. Of ze gaat blijven? ‘Vraag me dat over twee jaar nog eens.’ Ze moet glimlachen als ik zeg vandaag keihard te hebben gewerkt.

Omscholen tot Pool

Niet ver van Poeldijk ligt Monster. In de bovenzaal van de PKN Kerk wordt door vrijwilligers het WW Café gerund, een tweewekelijkse koffieochtend waar werkloze Westlanders ervaringen kunnen uitwisselen en tips kunnen krijgen. Voorzitter Henk van der Hout kan bogen op een prima resultaat: 30 procent van zijn leden vindt weer emplooi. Maar dat zijn vooral de jongere werklozen. Voor vijftigplussers zijn de vooruitzichten in het Westland somber.

Van der Hout (62) kan daar zelf over meepraten. Ondanks overduidelijke kwaliteiten bleef voor hem een nieuw arbeidscontract uit. Hij is inmiddels zzp’er. ‘Ik zou weleens willen weten hoeveel mensen op deze manier uit de kaartenbak van het UWV zijn verdwenen,’ zegt hij.

De bijeenkomst (thema vandaag: ‘slechtnieuwsgesprekken’) is drukbezocht. Veel geruite overhemden en comfortabele jeans, weinig hoodies. Als Van der Hout aangeeft dat sinds de vorige koffieochtend niemand een baan gevonden heeft, gaat er een teleurgesteld ‘Oh!’ door de zaal. ‘Misschien moeten we ons laten omscholen tot Pool’ roept iemand.

Na afloop willen enkele leden wel over hun situatie praten. Echte Westlanders allemaal, wat blijkt te staan voor inzet en bereidwilligheid. Veilingmedewerker Leo (58): ‘Hard werken en niet zeuren, dat is het Westland.’ Nu zien ze dat die instelling niet voldoende is. Leeftijdsdiscriminatie betekent dat ze in hun eigen vakgebied zoals administratie en bankwezen niet meer aan de slag komen. Theo (56), voormalig accountmanager bij de Rabobank: ‘Ik heb kennis, klantervaring, een netwerk. En ik kan ook wel wat anders, adviseren en verkopen. Heb dertig sollicitaties gedaan, ook als vertegenwoordiger. Ik wil graag op pad gaan, targets: prima. Maar ik kom niet eens aan tafel.’

Ik vertel over mijn gesprek met Peter van Koppen. Ex-graficus Gerard (62) heeft twijfels over de inzetbaarheid van Nederlandse werklozen. ‘Ik ken een tomatentuinder, daar staat aan het eind van het pad een heel grote teller waar precies op staat hoeveel kilo je geplukt hebt en in welke tijd. Hij zegt: de Nederlander kan gewoon niet zo hard werken als de Pool. Die is gemiddeld nog onder de dertig. Ik wil het daar best proberen, maar binnen een dag kun je me opvegen.’

Allemaal hebben ze ooit in de kassen gewerkt, de herinneringen eraan zijn goed. Leo: ‘Je huis stond bij de kas, je groeide ermee op. Als kind wende je aan geestdodend werk, het was een tijd waarin ‘je doet wat we zeggen’ heel gewoon was. Je kreeg er een centje voor, en je vrienden deden het ook. Het was leuk.’ Receptioniste Helma (56) valt hem bij. ‘Mijn ouders hadden een tuindersbedrijf, ik heb sla gesneden. Kwam mijn moeder met een mandje met koffie langs.’

Die romantische jaren zijn allang voorbij. De glastuinbouw heet nu ‘agribusiness’ en de hele wereld is concurrent. Gerard: ‘Door de overcapaciteit zijn de grote jongens gedwongen er een wedstrijd van te maken, als een fabriek. En door die wedstrijd kunnen ook een hoop mensen met de Westlandse mentaliteit niet meer mee. Wij zaten vroeger gewoon weleens te praten op de pijp aan het eind van het padje, toch? En dan ging je weer een stukkie verder. Nu haal ik het tempo echt niet.’

Over de Polen geen kwaad woord in Monster. Theo: ‘Het samenleven gaat in redelijke harmonie. De Polen hier hebben allemaal een mentaliteit van aanpakken. En ze integreren wel. Let wel, dankzij de Poolse medewerkers kon het Westland groeien.’ Hij heeft ze zien veranderen, de laatste tien jaar. ‘Als ze toen in de kantine kwamen, dan keken ze hun ogen uit. Zaten ze te wijzen wat ze wilden drinken want ze kenden geen woord Nederlands. Tegenwoordig spreekt de helft Nederlands en velen Engels. Het is een heel andere generatie.’

Onder de schrammen

Niets kan je voorbereiden op de eerste aanblik van een rozenkas in vol bedrijf. Het geheel heeft iets surrealistisch: je waant je een drenkeling in een oceaan van groen, wit en roze. Medewerkers zijn nergens te bekennen. Als ik Justyna Rogula vraag waar iedereen is, zegt ze: ‘Als je ze niet ziet, betekent het dat ze werken.’

Ze ratelt wat feiten af. Rozen zijn volgroeid in zes tot acht weken, er wordt 365 dagen per jaar geknipt. Elke medewerker heeft zijn eigen paden, waarvan de struiken over een lengte van 90 meter in de verte verdwijnen. Tussen de rijen worden karretjes voortgeduwd waarin de gesneden rozen in netten verdwijnen.

Een jonge vrouw loopt over een pad en werkt efficiënt links en rechts struiken af. Haar blote schouders zitten onder de schrammen, maar ze zegt er geen last van te hebben. De afweging waar en wanneer een roos te snijden hangt van veel factoren af. Te hoog en nieuwe loten worden te klein, te laag en er groeien geen nieuwe loten uit. Maar het is een besluit dat razendsnel genomen moet worden. Het verwerven van die kennis kost tijd en veel werkers leren het nooit. Het is aan de teamleiders om te spotten wie geschikt en wie niet. Tijd is geld en rozen zijn een kostbaar product.

Wanneer de vrouw verder gaat, vertelt Justyna dat Magda in het begin eigenlijk te langzaam werkte: ‘slechts’ 200 rozen per uur. De teamleider wilde haar al ontslaan, maar Justyna had gezien dat ze wel heel secuur te werk ging. Magda kreeg het voordeel van de twijfel en is nu met 500,600 rozen per uur een van haar beste krachten. ‘Kijk, ze ziet er niet vermoeid uit, ze zweet niet eens. Als jij dit een uur zou doen, was je kapot.’ Ik begin te begrijpen waarom niemand heeft aangeboden me hier te werk te stellen.

Krenterig

We halen Grzegorz Szmit op en vertrekken richting Den Haag, waar in de Jan van der Heijdenstraat net een nieuw Pools restaurant is geopend: La Siësta. Binnen veel natuursteen en leer, de serveersters zijn stevig opgemaakt. Aan de overige tafeltjes jonge Polen aan het begin van een avondje stappen. Iedereen is piekfijn gekleed en gekapt. Typisch Pools, beaamt Grzegorz. ‘Soms hou ik een wedstrijdje met mijn vrouw, wie op straat het snelst Polen kan aanwijzen. Als je het weet, pik je ze er zo uit.’

Hij vertelt dat veel Polen nog steeds een complex hebben uit de tijd dat de Sovjet-Unie de baas was in het land en je niemand kon vertrouwen. Veel artikelen waren op de bon. ‘Het probleem was toen niet gebrek aan geld, maar aan spullen. Ik weet van mijn ouders dat als je een rij zag je er automatisch achter ging staan en pas dan vroeg waar de rij eigenlijk voor was.’

Szmits moeder komt graag op bezoek in Nederland. ‘Ze was zo onder de indruk van het feit dat iedereen haar hier groette, terwijl ze geen woord Nederlands sprak. Het grote verschil tussen Nederlanders en Polen is dat jullie meer open en vrolijk zijn. Ik probeer dat zelf ook te zijn, maar het zit niet in onze natuur. Nederlanders zijn ook geduldiger. Automobilisten laten anderen hier netjes voorgaan, dat is in Polen ondenkbaar. Daar kan je twee uur wachten voor ze je ertussen laten.’

Justyna werpt tegen dat je je geen mening over Polen kunt vormen als je maar één groep kent. ‘Zelfs in Poeldijk zijn mensen met wie je kunt gaan zitten en over alles in de wereld praten, en mensen met wie je helemaal niets gemeen hebt. Die niets van het leven verwachten, gewoon hun werk willen doen, naar huis gaan en voor de tv bier willen drinken. Als je een paar van hen ontmoet, heb je toch een bepaalde indruk van Polen.’

Ze vertelt hoe Nederlandse kennissen tijdens een weekend Lowlands zich over haar verbaasden: je bent zo normaal! En hoe denken Polen over Nederlanders? ‘In Polen vinden we Nederlanders krenterig, sorry! Ik ken verschillende Hollandse mannen, en ze houden er niet van om geld te verspillen. Maar dat hoeft niet iets slechts te zijn. Poolse mannen houden ervan om te laten zien hoeveel geld ze hebben. Dat zie ik hier niet zo. Onze baas Arie van den Berg kan zich een dure auto veroorloven, maar tot voor kort reed hij gewoon rond in een Citroën Berlingo.’

Na een avond cultuurverschillen uitwisselen, luidt de conclusie dat Hollanders en Polen toch ook best op elkaar lijken. Slechts een enkele keer gaat het fout, vertelt Justyna. ‘Als je in Polen een feestje geeft, zorg jij voor het eten en de gasten voor de drank. Mijn vriendin heeft een Nederlandse vriend en gaf een verjaardagsfeestje voor hem, en had allemaal eten in huis. Maar van de Hollandse mannen had niemand alcohol meegenomen, dus er was niets te drinken! Moest haar vriend nog snel naar de supermarkt...’

Word nu abonnee van Revu!

JA, IK WORD NU ABONNEE!

Gerelateerd nieuws