Artikel
3

Revu Ontdekt: Creatief met brandnetels

In RTL4’s nieuwe programma Wie Overleeft Nederland? moeten BN’ers het zien te rooien in een van onze natuurgebieden. Hoe...

In RTL4’s nieuwe programma Wie Overleeft Nederland? moeten BN’ers het zien te rooien in een van onze natuurgebieden. Hoe moeilijk kan dat survivallen nou helemaal zijn? Nieuwe Revu-redacteur Danny Koks neemt de proef op de som.

In het eerste boek dat ik als klein jochie uit de openbare bibliotheek jatte, stonden geen plaatjes van blote tieten. Wel van planten die je kon eten, hutten die je kon bouwen, knopen die je kon leggen en strikken die je kon zetten om konijnen of andere dieren te vangen. Ik heb het nog altijd in mijn boekenkast staan. Het heet Red Jezelf en gaat over hoe kinderen kunnen overleven in de natuur, mochten ze verdwaald raken. Sinds ik dat boek onhandig onder mijn jas stopte en bloednerveus de bieb uitliep, zijn er tal van momenten geweest die mijn fascinatie voor overleven verder hebben aangewakkerd. De eerste keer dat ik First Blood zag. Het overlevingsmes dat ik van mijn grote broer kreeg voor mijn verjaardag. En, nog later, Bear Grylls. Dus toen ik het persbericht van RTL binnenkreeg over een nieuw programma waarin BN’ers een paar dagen moeten zien te overleven in een natuurgebied van Staatsbosbeheer, dacht ik meteen: dat wil ik ook. Net als de BN’ers hebben wij voor het survival-pluspakket gekozen. Dat bevat een slaapzak en een dekzeil plus een paar meter touw om een tent mee in elkaar te flansen.

Van Hans-Erik de boswachter krijgen we een paar flessen water, een firestick, een bijl, een zakmes en een gietijzeren pannetje dat we in het vuur kunnen zetten om een soepje of thee in te brouwen. Hij wijst ons geestdriftig op de kenmerkende fluit van de wielewaal, geeft ons een laatste goed advies (‘loop ook eens langs de weg, met een beetje mazzel vind je een platgereden bever’) en laat ons dan vrij. Eerst maar een droog onderkomen, just like they do on the Discovery Channel. Dennennaalden voor een zacht matras, dekzeil erover, boomstammen als dwars- en steunbalken, boel aan elkaar knopen, een compleet bosperceel onttwijgen om de boel zo waterdicht mogelijk te krijgen et voilà: na drie slopende uren staat er iets wat op een tent moet lijken.

Zaterdagochtend. Het lichaam is nog wat krakkemikkig, maar de geest is monter. Het heeft afgelopen nacht weliswaar geregend, maar mijn slaapzak is redelijk droog gebleven en ik heb goed geslapen. En vooralsnog hoef ik niet te schijten. Ook een bonus. Mijn reet afvegen met een handvol frisgroen loof is geen survival- maar een doemscenario. Slaapdronken loop ik naar ons trouwe gietijzeren pannetje. Wat wij de avond ervoor nog hebben zitten wegklokken als nectar van de goden, is nu een bodempje bruine, modderige drab geworden. Goed, tijd voor een vuurtje. Een helse klus, blijkt al snel. Ons brandhout is natgeregend, alle dennennaalden ook. En het waait als een madderfakker.

Ik stink. Dat vertelt Bear Grylls er nooit bij. Dat je na twee dagen survivallen ontzettend gaat stinken naar rook en paardenstront en plantensappen en een ongecensureerde versie van jezelf. Gelukkig is de wind aflandig. Een godsgeschenk. Net als dit weekend. Blij dat het erop zit, maar ook mild in mineur. Geen telefoontjes, geen whats-appjes, geen pushberichten als er ergens op de wereld breaking news is, geen supermarkt waar je naartoe moet. Alleen, in een vergeten hoekje van de bewoonde wereld, met ergens in de boomtoppen de vogels die je ’s avonds in slaap zingen en de volgende ochtend wakker fluiten. Eenmaal thuis ga ik met mijn vrouw eten bij de Japanner, want Moederdag. De rest van de nacht hang ik boven de pot. Mijn maag kon zoveel Japanse overdaad na twee dagen brandnetels en distels niet aan. Onomstotelijk bewijs, wat mij betreft. Ik stink, maar de bewoonde wereld stinkt nog veel meer.

Foto: Alexander Schippers

 

 

 

 

Lees deze week in de Nieuwe Revu het hele verhaal.

Geen tijd om het hele tijdschrift te lezen? Je kan het artikel ook los lezen: