Door: Freek van Kraaikamp Fotografie: ANP
Artikel
5

Amper gewonnen, veel gelachen, een beetje geknokt en altijd dronken

'Op het nieuws worden ze hooligans genoemd, maar voor hem zijn de jongens van de tribune heilig. De roes van de gevechten maakt het leven echt.' Vandaag verschijnt Elitepauper, de debuutroman van Revu-journalist Freek van Kraaikamp. Een voorpublicatie.

Ik ken jongens die maanden, of zelfs jaren, met de borst vooruit hebben gelopen over hun aandeel in een vechtpartij. Reputaties kunnen worden gemaakt en gebroken, binnen een paar seconden. Wat na de vechtpartij overblijft, dat blijft voor altijd staan. Je weet wie je bent, waar je in de groep staat en wie je vrienden zijn. Maar door het neuken van een wijf ben je slechts een streepje op de muur rijker. Vanavond spelen we een van de laatste uitwedstrijden van het seizoen. En het was een prachtig seizoen, net zoals alle andere. Amper gewonnen, veel gelachen, een beetje geknokt en altijd dronken.

De voetbalbond heeft dit potje zo ver mogelijk naar het einde van de competitie geschoven. Zo hebben we het hele seizoen iets gehad om naar uit te kijken. Het is vrijdag, vroeg op de avond. Ergens in een onbeduidend provincieplaatsje. Een ‘Schillendorp’ zoals Dikke Hans het zou noemen. Zo noemen we ieder onbeduidend provinciedorpje met een kerk, drie kroegen en een voetbalclub. We parkeren onze auto’s dicht bij elkaar. Op een strookje gras, net naast een sloot.

In de eerste auto zit een man of vier. Het is de ivoorkleurige Volvo V40 van Nelis. Auto twee is de zilveren Volkswagen Golf Mk3 uit 1993 van Lange. Alle vijf de stoelen zijn bezet. Verder bestaat het rijtje auto’s uit een donkerblauwe Volvo 440 uit 1994, een witte Opel Corsa 1.4Si Sport uit 1989 en een lichtbruine Opel Kadett 1.3 uit 1987. Wij rijden in een donkergroene vierdeurs Nissan Sunny Sedan uit 1993. Ik zit achterin met Dikke Hans, Schele zit achter het stuur. Stuk voor stuk zijn het typische voetbalauto’s, op de auto van Nelis na.

Aan de overkant van de weg staat een rijtje jaren 50-huizen. Het oogt volks. Perfect aangeharkte voortuintjes worden afgewisseld door volledig bestrate tegeltuinen. De oranje dakpannen liggen er netjes bij. Tussen de groezelige gordijnen tuurt een bejaarde vrouw in een rood-wit gestreepte nachtjapon naar de groep onbekenden die zich in haar straat vormt. Op het dashboard trilt mijn telefoon.

Groep: De mannen zonder smoesjes
Afzender: Nelis
Bericht: Wacht tot ik het teken geef.

Nog voordat we allemaal goed en wel zijn uitgestapt, verschijnen onze gastheren al aan het einde van de straat. Ze dansen onrustig op het asfalt. Even voor mij zie ik de jongens van auto twee nog snel een sleutel onder hun neus duwen. Het is inmiddels begonnen te schemeren, maar het is duidelijk dat onze tegenstander vanavond met een goede vertegenwoordiging aanwezig is. Hard en gehaast vallen een kleine twintig autodeuren in het slot. Ik zit in auto drie, hiërarchisch gezien in de middenmoot. Een stabiele kracht, nog net het linkerrijtje van de ranglijst.

Ik kan moeilijk inschatten wat er aan het einde van de straat op ons staat te wachten. Maar in het verrassingselement schuilt de charme van ons spel. Niets is zeker. Hoeveel er van ons komen opdagen, hoeveel er aan het einde van de straat staan te wachten. Soms hoef je geen plan te hebben, dan moet je gewoon doen. Ik haal diep adem door mijn neus. De spanning vult mijn romp en armen.

We zijn hier met een man of twintig. Als ik vlug over de koppen aan het eind van de straat kijk, dan zie ik dat zij flink in de meerderheid zijn. Ik schat hun groep zo rond de vijfendertig, misschien wel veertig man in. Wij zijn vanavond op halve kracht, dat zul je altijd zien. Oma ziek, overwerken, een loopneus en alle andere kutsmoezen kwamen deze week voorbij. Iedereen weet dat we met dit uitstapje stevig boven onze macht tillen.

Als klappen ontvangen haast een zekerheidje is, dan haakt de helft van de groep af. Dat is standaard. Toen we vanmiddag vlak bij onze stamkroeg verzamelden, sprak Nelis ons toe. ‘De mannen zonder smoesjes’ noemde hij ons met een knipoog. Gelukkig zijn we met veel van onze vaste groep aanwezig en zijn auto’s één tot en met zes bemand met vrijwel alleen maar stamgasten. Ik noem onze vaste groep meestal gewoon: De Jongens.

Het weer is zacht voor de tijd van het jaar. Zacht op een manier dat je voor de zekerheid een jas meeneemt, maar hem niet aan hoeft. Toch heb ik hem aangetrokken. Mijn capuchon doe ik alleen op om niet herkend te worden. Hoewel er geen politie te bekennen is, rits ik uit automatisme mijn zwarte jack zo ver mogelijk dicht. Ik bijt op de metalen ritssluiting en speel gespannen met mijn capuchon. De mouwen van het zwarte vest zijn iets te lang. Met mijn vingertoppen pak ik ze vast en ik strek mijn armen uit. Op mijn tenen beweeg ik langzaam van links naar rechts.

Ik houd van die tinteling in mijn handen. Ik kan genieten van de pompende adrenaline door mijn lijf. Het ongeduldige geklop in mijn romp, dat vanuit mijn kuiten omhoog is getrokken. Die ongeduldige spanning die je op scherp zet. Je zintuigen verscherpen, je pupillen verwijden en je kaken verstrakken. Mijn hartslag en bloeddruk stijgen langzaam, ik veeg over de mouw van mijn vest het kippenvel van mijn armen af. Langzaam beweeg ik van de ene voet op de andere. Met mijn ogen schiet ik van onze groep naar de jongens in de straat. Ik zie dat ze langzaam dichterbij komen. Iedereen kijkt elkaar aan. Iedereen lijkt op iedereen te wachten. Tot er een moment komt dat de stilte wordt doorbroken.

Een halfvolle beugelfles vliegt door de lucht. Ik volg hem met mijn ogen. Het flesje draait in de lucht drie keer om zijn as. Iedereen kijkt naar het flesje. Het is doodstil op straat. Dan klapt het uit elkaar op de motorkap van de gezinsbak van Nelis. Dit is het moment.

Lees het hele artikel op Blendle.