Door: Albert Speer
Artikel
4

Speer in Spandau: voorpublicatie van het dagboek van een nazi

Albert Speer was als minister van Bewapening een van de machtigste mannen van het Derde Rijk. In de gevangenis in Berlijn hield hij een dagboek bij, dat deze week in boekvorm verschijnt. Een voorpublicatie van Speer in Spandau.

2 oktober 1946
Vannacht heb ik de rekening opgemaakt. Ik was 26, toen ik Adolf Hitler, die mij voordien absoluut niet geïnteresseerd had, voor het eerst hoorde spreken; ik was 30 toen hij mij een hele wereld aan de voeten legde. Ik heb hem niet in het zadel geholpen, heb zijn herbewapening niet voor hem gefinancierd. Mijn dromen betroffen altijd alleen de bouwwerken, ik wilde geen macht, maar een tweede Schinkel worden. Waarom heb ik eigenlijk zo hardnekkig volgehouden dat ik schuldig was? Vaak denk ik dat het ijdelheid en opschepperij geweest kunnen zijn. Natuurlijk weet ik zelf dat ik schuldig ben. Maar had ik daarvan voor de rechtbank zo’n ophef moeten maken? Met plooibaarheid en sluwheid breng je het er beter af in deze wereld. Anderzijds: kan ik mij de geslepenheid van Papen tot voorbeeld stellen? Hoezeer ik hem ook benijd, ik veracht hem echter ook. Maar ik was 40 jaar toen ik gearresteerd werd. Ik zal 61 zijn als ik de gevangenis achter mij laat.

3 oktober 1946
Een sombere dag. Ik reken uit: Van 7300 dagen en vijf schrikkeldagen zijn er negen voorbij. Als het voorarrest en de duur van het proces meegerekend worden, zouden het 494 dagen minder zijn. Het is alsof ik nu een onafzienbaar lange donkere tunnel binnenga.

4 oktober 1946
Onze cellen zijn sinds de uitspraak weer afgesloten, we hebben geen mogelijkheid meer om met elkaar te spreken, of ons op de binnenplaats van de gevangenis te ontspannen. De eenzaamheid wordt ondraaglijk. Geen van ons is tot nu toe ingegaan op het aanbod om dagelijks een uur lang in de hal van de gevangenis op en neer te lopen. Wat voor uitwerking moet dat hebben op de terdoodveroordeelden als wij voor hun cellen heen en weer wandelen. Zij worden niet meer gelucht. Nu en dan wordt een van hun celdeuren geopend. Misschien voor het bezoek van de geestelijk verzorger of van de arts.

5 oktober 1946
Al dagenlang nergens belangstelling voor. Zelfs de boeken liggen onaangeroerd op de tafel. Als ik in deze toestand blijf doordommelen, zal mijn weerstandsvermogen binnen afzienbare tijd bezwijken.

6 oktober 1946
Ik laat me een potlood en nieuw papier geven. Aantekeningen gemaakt. Maar het contact met de buitenwereld blijft beperkt tot enkele regels blokletters op voorgedrukte formulieren. Vanmiddag merkte ik plotseling heel duidelijk dat het gevoelsvermogen door de gewenning aan het gevangenisleven afstompt. Alleen daardoor is het echter mogelijk het in deze deprimerende omstandigheden vol te houden. Men zou het paradoxaal zo kunnen formuleren: de vermindering van het gevoelsvermogen versterkt het vermogen om te lijden.

8 oktober 1946
Ik moet mezelf dwingen tot intellectuele activiteit. Omdat er na de beëindiging van het proces ook een einde is gekomen aan de uitdaging daartoe, is mij niets overgebleven dan het meest beperkte en banaalste gebied. Ik concentreer me op de tafel in mijn cel, op het krukje, op de jaarringen in het eikenhout van de deur. Pogingen om deze dingen zo nauwkeurig mogelijk te registreren en voor mijzelf te beschrijven. Een eerste oefening – in wat eigenlijk? Bepaald niet in het schrijven van een boek; een toetsing van het vermogen om te registreren.

9 oktober 1946
Ik zit al meer dan een jaar in de gevangenis, waarvan ik tot nu toe alleen de ijzeren toegangspoort en het cellenblok heb gezien. De buitenmuren met de kleine vensters zijn door het stof en het roet van tientallen jaren vuil geworden. Op de binnenplaats vegeteren een paar perenbomen en tonen dat het leven zich zelfs hier een lange tijd kan handhaven. In de eerste dagen klom ik vaak op mijn stoel en klapte de bovenste helft van het raam naar beneden om een blik op de binnenplaats te kunnen werpen. Maar het kleine hoge venster ligt te diep in de gevangenismuur. De ruiten zijn vervangen door grijs celluloid, omdat men ons de mogelijkheid wil ontnemen om ons met glasscherven de polsen door te snijden. Zelfs als de zon schijnt is de cel somber. Het celluloid zit vol krassen, de contouren van de dingen buiten zijn vaag. Het begint koud te worden; desondanks klap ik vaak het raam naar beneden. De soldaat die op wacht staat, heeft last van de koude tocht. Hij eist dat ik onmiddellijk het venster sluit.

Lees het hele artikel op Blendle.