Door: Jerry Hormone Fotografie: Jasper Suyk
Columns
3

'Dat de schrijver van Borre niet Borre zélf is maar een langharige vent, valt vies tegen'

Columnist Jerry Hormone doet z'n best om woorden als ‘godverdomme’, ‘kut’, ‘tyfus’ en ‘seksmongool’ tot een minimum te beperken als er kinderen op bezoek komen. 'Maar ik kan niet beloven dat het niet op een verschrikkelijke teleurstelling gaat uitlopen.'

Ik dacht dat er bij ons in het appartementencomplex geen kinderen woonden, omdat ik er nog nooit een had horen janken. Maar ja, het is nieuwbouw, dus alles is tot in de puntjes geïsoleerd. Je kan hier met een gerust hart je als een speenvarken gillende vriendin met een moker de hersens inslaan, met een kettingzaag in handzame stukken zagen en door een industriële gehaktmolen douwen om vervolgens met Angel of Death van Slayer op 11 op de stereotoren gehaktballen te gaan staan braden. Merken de buren niks van. Die komen de volgende dag als je ze uitnodigt gewoon bij je eten. ‘Waar m’n vriendin is? Oh, eh, nou, eh, gewoon, eh… Kom, neem nog een gehaktbal! Ja, die jus is lekker, hè? Hier, hoppeta, nog een kledder!’ Dus dat ik nog geen kinderen had gehoord, wilde helemaal niet zeggen dat ze er ook niet waren. 

En zo had ik van de week een buurvrouw aan de deur. Een moeder van een meisje van negen en een jochie van zes. Ik weet niet hoe, maar ze was erachter gekomen dat ik de schrijver van de kinderboekenserie Borre ben en die verhaaltjes lezen ze thuis zo graag. Of haar nageslacht de geestesvader van Borre niet eens mocht ontmoeten?

‘Ik ben de lulligste niet,’ zei ik, ‘dus kom maar langs met die kinderen, ik heb nog wel ergens een lange vinger liggen en ik kan een glaasje limo voor ze inschenken – ik heb vlierbloesemsiroop van de IKEA, lusten ze dat, vlierbloesemsiroop van de IKEA? – en ik zal zelfs m’n uiterste best doen het gebruik van woorden als ‘godverdomme’, ‘kut’, ‘tyfus’ en ‘seksmongool’ tot een minimum te beperken, maar ik kan niet beloven dat dit niet op een verschrikkelijke teleurstelling gaat uitlopen, want het feit dat de schrijver van Borre niet Borre zélf, maar de een of andere rare, langharige vent is, is reeds meerdere peuters en kleuters vies tegengevallen. Tranen. Tuiten. The whole shebang.’

Nee, dat ik Borre niet ben, dat snapten die kinderen ook nog wel, verzekerde ze me. Dus de volgende middag zaten ze bij me op de bank, B. en N., elk met een lange vinger en een glaasje vlierbloesemsiroop van de IKEA. Na enkele van tevoren ingestudeerde vragen als ‘Hoeveel Borre-boekjes heb je geschreven?’ en ‘Wat is je lievelingskleur?’ was het nieuwtje er wel weer vanaf en gingen ze wat verveeld om zich heen zitten koekeloeren. Maar dit had ik zien aankomen. Ik had een geheim wapen. ‘We hebben konijnen,’ zei ik.

B. en N. keken op. Hun koteroogjes begonnen te glimmen. ‘Twee stuks. Dus voor jou een om te aaien en voor jou een om te aaien.’Toen ik de diertjes uit hun ren haalde en bij ze op schoot zette, waren die kinderen door het dolle heen. Ze kroelden de oortjes er zowat vanaf. Twee uur later moest ik ze bijna het huis uit slaan en het door mij gesigneerde Borre-boekje vond ik de dag erna onder de bank. Echt, al was je Gerard Reve zelf, can’t beat them bunnies.

Gerelateerd nieuws