Door: Özcan Akyol
Columns
3

Totale primitievelingen (COLUMN)

Op een of andere manier worden veel mensen totale primitievelingen als ze met de trein reizen. De meeste reizigers tonen...

Op een of andere manier worden veel mensen totale primitievelingen als ze met de trein reizen. De meeste reizigers tonen hun werkelijke karakter, dat doorgaans wordt gekenmerkt door kleingeestige onbeschoftheid. Ik reis veel met de trein, gemiddeld drie of vier keer per week, soms voor lezingen en andere optredens, maar meestal pendel ik tussen Amsterdam en Deventer voor sociale activiteiten. Ik zou een auto moeten kopen, maar onze huisbaas vraagt 240 euro huur per maand voor een parkeerplek. Hij is gek.

Vrijdag moest ik vanuit onze hoofdstad naar het oosten; eerst zou ik een voetbalwedstrijd bezoeken en later in het weekend was er de Deventer Boekenmarkt. Wie er nooit is geweest, mag zichzelf een ontzettende hufter noemen, net zo lang tot volgend jaar: dan is de volgende editie.

Goed, ik stapte dus in de intercity en zag op de stationsklok dat we drie minuten geleden hadden moeten vertrekken. Een zenuwachtige conducteur hield op het perron zijn fluit vast – die ene die in de vorm van geluid signalen afgeeft –, ?drukte nerveus op het scherm van zijn telefoon en glimlachte uiteindelijk van opluchting toen in de verte zijn vrouwelijke collega kwam aanrennen. Samen stapten ze in het tussencompartiment.

Stiltecoupé ‘Ben ik op tijd?’ vroeg de koffiejuffrouw. De schuifdeur van onze wagon stond open. Een flink aantal mensen moest daar zitten, doordat de trein veel te klein was. ‘Niet echt, maar dat halen we onderweg wel in.’

Ik zat in de stiltecoupé, een goede uitvinding van de NS, ware het niet dat zo’n beetje iedere reiziger schijt aan deze regel heeft. In de meeste gevallen gaat het om baldadigheid, maar niet zelden weten mensen gewoon niet wat een stiltecoupé inhoudt. En je wilt ook niet die moraalridder zijn die iedereen gaat corrigeren.

‘Papa, ik moet poepen,’ schreeuwde een peuter.

‘I want my chickens to be shipped from Lagos!’ sprak een andere man streng in zijn telefoon.

Twee Chinese jongens, studentikoze types, vraten bakken met rijst en bami leeg, waarmee ze alle vooroordelen over hun volk bevestigden en de rest van de trein op weeïge oosterse geuren trakteerden.

Terreur ‘Meneer, mag ik hier zitten?’ hoorde ik iemand twee rijen voor me vragen. ‘Is er nergens anders plek!’ brieste de man die al op een deel van de bank zat. De vrouw, ruim boven de zestig, keek hem niet-begrijpend aan. Daarna griste hij zijn spullen van de bank, een rugzak en vest, en legde deze op het bagagerek boven de stoelen.

De trein minderde vaart en stopte in Amersfoort, waar een paar opgeschoten meiden, van een of andere vereniging, instapten en tot overmaat van ramp voor onze coupé kozen. De hele rit naar Apeldoorn zongen ze hun clublied. Een paar reizigers wierpen chagrijnige blikken op hen en met name op de passieve conducteurs, maar de terreur was te groot, hier was geen kruid tegen gewassen.

Ik word soms claustrofobisch in de trein, meestal als een rit te lang duurt of als er te veel mensen zijn. Dan ga ik maar aan de wandel. Dat deed ik nu ook. Een coupé of twee verder rookten twee jongens een joint. Een van hen stompte op de deur van het toilet, in de hoop dat hij het ding doormidden zou breken. Toen ze mij zagen, stapten ze beleefd opzij, daarna gingen ze onverstoorbaar verder met hun bezigheden.

Doodsbang Op het moment dat we over de spoorbrug bij de IJssel tuften, moest ik vechten tegen het ontembare verlangen om uit deze trein te komen. We passeerden in matig tempo het plantsoen, kwamen nog even voor het station tot stilstand en reden toen echt Deventer binnen. De deuren gingen open.

‘Ik ga echt niet staan,’ schreeuwde iemand op het perron. Hij glipte langs mij naar binnen.

‘Wacht op mij,’ zei zijn maat. Nu drong de hele wachtende meute in de trein, nog voor de mensen met bestemming Deventer waren uitgestapt. Eenmaal buiten was ik blij ?en opgelucht, maar tegelijkertijd doodsbang.

Want er was ook nog die duivelse terugreis naar Amsterdam. Misschien toch maar een auto.

Özcan Akyol schreef de schelmenroman Eus. Elke week staat hij met een column in Nieuwe Revu. Volg hem ook op Twitter via @OzcanAkyol.