Admiraal William H. McRaven en kapitein

De admiraal en de kapitein

Oktober 1990, Perzische Golf. Admiraal William H. McRaven (rechts op de foto) maakt aan boord van de USS Ogden het begin van de Golfoorlog mee, als hij met zijn mannen een Iraakse olietanker entert.

Een voorpublicatie van zijn biografie Mijn Leven Als Navy Seal, het vervolg op de bestseller Maak Je Bed Op. ‘Jullie zijn piraten, ik laat jullie niet aan boord van mijn schip komen!’

‘Vuur!’ Bhaaam! Met een oorverdovend kabaal schoot de 5 inch-granaat uit de loop van het kanon aan boord van de torpedobootjager, een explosie die als een schokgolf over het stuk tussenliggende oceaan rolde en ons, die aan dek van de nabijgelegen USS Ogden stonden, deed wankelen. Zo’n twintig meter voor de boeg van de Iraakse tanker Amuriyah spoot een fontein van water omhoog, maar het schip voer gewoon door. ‘Vuur!’ Opnieuw slingerde het kanon een projectiel de ruimte in en werd de bakboordzijde van de oorlogsbodem in rook gehuld. En weer landde de granaat twintig meter voor de tanker in het water.

De Navy Seals in actie.

Meeluisterend met de brug-tot-brugcommunicatie hoorde ik de kapitein van de Amuriyah tekeergaan tegen de bevelvoerende officier van de Australische torpedobootjager Brewton. Je hoefde geen Arabisch te kunnen verstaan om te weten dat hij aan het vuilbekken was. ‘Vuur!’ De derde granaat vloog rakelings over de boeg van de Amuriyah. De kapitein, die we vaag op de brug konden onderscheiden, trok het roer met een ruk naar bakboordzijde, waardoor de 275 meter lange supertanker dichter de kant van de Amerikaanse strijdmacht op denderde.

‘Gereedhouden voor de punt vijftig. Vuur, vuur, vuur!’ De machinegeweerschutter aan boord van de torpedobootjager opende het vuur met een kort salvo en raakte daarbij net niet de kleine Iraakse vlag die aan de voorste stut wapperde. ‘Stop! Jullie zijn gek. Dit kunnen jullie niet doen,’ riep de kapitein in gebroken Engels uit.

Militaire macht

‘Amuriyah, dit is de Amerikaanse oorlogsbodem de Ogden. Ik herhaal: op grond van VN-resolutie 665 beveel ik u te stoppen en ons aan boord te laten.’ Dit bevel werd gegeven op een vastberaden en afgemeten toon. ‘Nooit, nooit, nooit! Jullie zijn piraten. Ik laat jullie niet aan boord van mijn schip komen.’

Aan de horizon kon ik een klein object met grote snelheid dichterbij zien komen. Het was een F-14-straaljager die laagvliegend, op amper vijftig voet boven dekhoogte, over het water aan kwam gieren. ‘Staakt het vuren,’ klonk het bevel vanaf de torpedobootjager. In het spoor van de F-14, die bij het naderen van de tanker nog versnelde, golfde het water hoog op. De bemanning van de Amuriyah kon het vliegtuig nu ook zien en verplaatste zich naar de reling, om als dat nodig mocht zijn overboord te springen. De straaljager scheerde precies tussen de Amuriyah en de USS Ogden door, met zo’n snelheid dat ik me maar met moeite staande wist te houden. De bemanning van de Ogden stond langs de reling te juichen. Het was een indrukwekkend vertoon van militaire macht, maar de tanker ploegde uitdagend en zonder snelheid te minderen voort.

Opnieuw schalde er een bevel door de luidspreker: ‘Overste McRaven, houd u gereed om aan boord te gaan.’ Dit was het afgesproken sein. De afgelopen anderhalf jaar hadden we ons op een moment als dit voorbereid. Nu was het dan zover.

De entering van de Iraakse olietanker Amuriyah is in volle gang.

Elke dag wachtten we in spanning het nieuws over de dreigende oorlog af. Saddam Hoessein was gewaarschuwd: als hij zijn troepen niet uit Koeweit terugtrok, zouden ze met geweld worden verdreven. De VN-Veiligheidsraad nam resoluties 661 en 665 aan en gaf daarmee toestemming tot het opwerpen van een blokkade op zee om het handelsembargo tegen Irak af te dwingen. Op grond van deze resoluties had de Amerikaanse marine in oktober een Iraaks vrachtschip bij het verlaten van de Perzische Golf gesommeerd te stoppen. Helaas liet het schip zich door de twee torpedobootjagers ter plekke niet tegenhouden. Het Iraakse vaartuig werd aangeroepen en de kapitein werd gemaand omeen Amerikaanse delegatie aan boord van zijn schip te laten. Na enig geschreeuw en de nodige onbetamelijke handgebaren, vervolgde de kapitein echter gewoon zijn koers, zelfs toen er vanaf de torpedobootjagers met .50-machinegeweren rakelings over de boeg van zijn schip werd geschoten. Uiteindelijk probeerden de oorlogsbodems het vrachtschip de pas af te snijden door er meerdere keren met hoge snelheid op af te varen en slechts op het nippertje uit te wijken om niet tot een aanvaring te komen. Ook die acties hadden niet het gewenste resultaat. De kapitein van het Iraakse schip was vastbesloten door te varen en de enige manier om een varend schip tot stilstand te brengen, behalve dan het tot zinken te brengen, is het te enteren. En de enigen die daartoe in staat waren en zich ook maar enigszins in de buurt bevonden, waren het Amphibious Squadron Five en het Dertiende MEU/SOC. Maar ook voor ons was het nog altijd zeven dagen varen. Het Iraakse vrachtschip won deze slag dan ook en voer verder ongehinderd door de Amerikaanse marine de Perzische Golf uit.

Overweldigende vuurkracht

Die avond vaardigde generaal Colin Powell als voorzitter van de hoogste militaire leiders van de VS, de gezamenlijke stafchefs, een bevel uit, gericht aan de commandant van de Vijfde Vloot, met de opdracht om PHIBRONFIVE onmiddellijk koers te laten zetten naar het noordelijke deel van de Perzische Golf en zich gereed te houden voor het onderscheppen van Iraakse vaartuigen die de blokkade wilden omzeilen. Vanaf onze modloc-positie (een in de marine gebruikte afkorting voor modified location, oftewel ‘rondjes varen in afwachting van het volgende bevel’)

in de Indische Oceaan stoomden we met standaardsnelheid naar de Perzische Golf op. Toen we twee dagen onderweg waren, kregen we via de teleprinter een nieuw bericht binnen. Uit inlichtingen was gebleken dat Saddam Hoessein persoonlijk contact had opgenomen met de kapitein van een Iraakse supertanker, de Amuriyah, en hem had opgedragen om zich onder geen enkel beding door de Amerikaanse blokkade te laten tegenhouden. De betreffende tanker lag aan de kade in Aden, Jemen, op slechts een paar dagen varen van de Perzische Golf. Om haar te onderscheppen voordat ze de Straat van Hormuz had bereikt, zouden we met volle kracht vooruit moeten stomen. Dus dat deden we.

AMURIYAH, DIT IS DE AMERIKAANSE OORLOGSBODEM DE OGDEN. OP GROND VAN VN-RESOLUTIE 665 BEVEEL IK U TE STOPPEN EN ONS AAN BOORD TE LATEN

Ik hing mijn Heckler and Koch MP5-machinepistool op mijn rug, verliet de brug, daalde de ladder af en liep langs de reling aan stuurboordzijde en een paar bezorgd kijkende matrozen naar het vliegdek. Het Force Reckon-peloton was al aan boord van de heli. Rond de hangar had zich een deel van de bemanning van het schip verzameld, en ze stonden daar nu met zijn allen te lachen en aanmoedigingen te schreeuwen. Het was de eerste echte ‘actie’ van operatie Desert Shield en deze matrozen waren zich bewust van het historische karakter van dit moment. Hoe dichter ik de heli naderde hoe meer het juichen van de menigte werd overstemd door het dreunen van de rotorbladen. Ik deed mijn best om niet al te opgewonden over te komen. Het was opwindend, maar vanbinnen voelde ik me kalm. We hadden een goed plan. We hadden intensief geoefend. De mariniers en de seals waren goed getraind. We beschikten over een overweldigende vuurkracht. En ik had voldoende vertrouwen in mijn eigen kunnen om te weten dat ik in staat was om onder druk de beste beslissing te nemen. Maar ik wist ook dat zich bij elke missie onverwachte elementen in de schaduwen schuilhielden.

Een schouderklopje van president Obama in 2011.

Tekenen van gevaar

Gezeten in de CH-46 van de mariniers zag ik door een zijraam de Amuriyah, die met zijn imposante boeg door het water ploegde en aan bakboord- en stuurboordzijde hoge golven maakte. De kapitein van de Iraakse tanker had alle waterkanonnen van zijn schip naar binnen laten richten, waardoor een vlechtwerk van hogedrukstralen was ontstaan en het dek was volgestroomd met water dat op sommige plekken tot wel een meter of meer diep was, en ons behoorlijk in onze bewegingen zou belemmeren. Via mijn headset hoorde ik de piloot vragen of we er klaar voor waren. ‘Aanvalsgroep klaar voor vertrek,’ meldde ik.

Toen de heli eenmaal in de lucht was, verplaatste ik me wat verder naar voren om uit de zijdeur te kunnen kijken. De twee Hueys die van de USS Okinawa waren opgestegen, namen juist positie in, een aan stuurboordzijde van de Amuriyah, de ander aan bakboordzijde. Via de radio stonden de seal-sluipschutters aan boord van de Hueys met elkaar en met mij in contact. Ze speurden de tanker af op zoek naar tekenen van gevaar. ‘Er is een hoop beweging aan dek,’ meldde de schutter aan bakboordzijde. ‘Wapens?’ vroeg de schutter aan stuurboordzijde. ‘Nee. Maar er zijn er wel een paar met een bijl.’ ‘Roger.’ De radio liet een piep horen. ‘Raven, Raven, dit is Hotel Zero One. Houd rekening met zo’n twintig man op het hoofddek. Geen wapens. Twee man met een bijl. Kunt u bevestigen?’ Ik drukte de spreekknop in en antwoordde: ‘Roger, Hotel Zero One. Zo’n twintig man aan dek. Geen wapens. Twee man met een bijl.’ ‘Raven, dit is Hotel Zero One. Kust is vrij voor fast-rope-afdaling.’ ‘Roger. Raven uit.’ Ik schakelde over naar de interne communicatielijn om met de piloot te kunnen spreken: ‘Oké. De kust is vrij voor fastrope-afdaling. Breng ons er maar heen.’

‘Roger,’ kwam het antwoord.

Ik greep het touw met beide handen beet, draaide me 180 graden om en dook door de opening om vijftien meter naar beneden te glijden. Het eerste wat mij trof, was de door de rotorbladen veroorzaakte heteluchtstroom die om mijn hoofd raasde. De eveneens drukkend warme zeewind greep me van opzij, waardoor ik niet meer recht onder de heli hing. Ik hield me uit alle macht aan het touw vast en haakte mijn benen eromheen. Onder me waren nog twee mariniers aan hun afdaling bezig. Toen de eerste van deze twee op het dek landde, gleden zijn voeten onder hem weg, en de tweede marinier viel boven op hem. Ze rolden onmiddellijk van het touw weg en sprongen overeind, zodat het dek alweer vrij was toen het mijn beurt was. Mijn gehandschoende handen, die brandden van de snelle afdaling, lieten het touw te vroeg los, waardoor ik met een daverende klap op de Amuriyah landde. Staal geeft geen millimeter mee en ik voelde de klap waarmee ik was neergekomen dan ook van mijn hielen helemaal tot aan mijn kaak doorschieten. De adrenaline die door mijn lichaam gierde en mijn trots weerhielden me ervan voor de ogen van de mariniers van de pijn ineen te krimpen. Nog geen dertig seconden later stond het complete Force Reckon-peloton in gevechtspositie op het dek.

‘Van mijn brug af!’

De indeling van de Amuriyah was kenmerkend voor een supertanker. Langs de buitenrand was het dek vrij, maar het hele gebied daarbinnen was een doolhof van pijpleidingen, kleppen, pompen en verdeelkasten. Ideaal voor dekking als iemand begon te schieten, maar weinig overzichtelijk. We stonden min of meer ingesloten, maar de bemanning van het schip had zich teruggetrokken tot aan de opbouw waar zich ook het stuurhuis bevond. Nadat kolonel Tony Stallings had gecheckt of iedereen veilig geland was, splitste de groep zich volgens plan in twee teams op en zette zich in beweging. Rechts en links van ons hingen de Hueys net naast de reling zes meter boven het dek. Ik kon de sluipschutters via de radio horen praten. ‘Bakboordzijde veilig. Stuurboordzijde veilig.’

Een ervaren sergeant leidde het tweede team naar een open luik aan bakboordzijde dat naar de machinekamer voerde. Met mijn wapen in de hand – niet geheven, maar wel schietklaar – nam ik mijn positie in, in het midden van het eerste team. De mariniers voor me rukten met vastberaden tred langzaam en methodisch op. De voorste man ging licht gebukt en richtte zijn wapen van links naar rechts en weer terug. Zo leidde hij ons team van de ingesloten open plek naar de reling aan stuurboordzijde. De man achter hem scande de hoger gelegen delen, bedacht op mogelijk gevaar vanaf de buitentrappen waar het merendeel van de bemanning zich begon te verzamelen. Met een precisie die door jaren van training was verkregen, bewoog het team van mariniers zich als een geoliede machine voorwaarts, waarbij elke man zijn eigen schootsveld had. Het stuurhuis was een uit vijf lagen bestaande opbouw op het achterste deel van het dek. Aan de buitenkant leidden trappen van verdieping naar verdieping. Toen onze voorste man de eerste trap bereikte, blokkeerden een paar ongewapende bemanningsleden hem de weg. ‘Allahoe akbar,’ riep een van hen. Met een beweging van zijn wapen gebaarde de voorste man dat ze aan de kant moesten gaan. ‘Allahoe akbar!’

‘Hou je bek,’ luidde de reactie van de marinier.

‘Wegwezen, had ik gezegd.’

Drie andere bemanningsleden begonnen de mariniers uit te dagen, maar de twee op de trap gingen opzij, en we rukten op naar boven. Binnen een minuut hadden we de vijfde verdieping bereikt. Stallings stelde zijn mannen achter elkaar voor de open deur op en stuurde hen volgens de standaardprocedure bij dit soort operaties naar binnen. De voorste man stormde naar rechts, naar de voorkant van het stuurhuis, de tweede man naar links en naar de achterkant, terwijl de derde en vierde man in de twee dichtstbijzijnde hoeken positie innamen. ‘Veilig!’ meldde de voorste man. Nog voordat ik een stap binnen de deur had gezet, hoorde ik de kapitein van het schip al tekeergaan: ‘Van mijn brug af! Jullie hebben het recht niet. Jullie zijn Amerikaanse piraten.’

William H. McRaven (links) als jong lid van de Navy Seals.

Code vergeten

In het stuurhuis bevonden zich zes Irakezen. Ze waren ongewapend, maar zagen er niet uit alsof ze zich wilden overgeven. Een van hen stond aan het roer, een bemande de scheepstelegraaf die in contact stond met de machinekamer, en een ander stond met een verrekijker op de uitkijk. De navigatieofficier stond bij de kaartentafel, en de eerste stuurman stond naast de kapitein, die met zijn 1,65 meter en 150 kilo pontificaal in het midden van de ruimte stond te schreeuwen en wild te gebaren. ‘Jullie kunnen dit niet doen. Jullie zijn piraten!’ Ik stapte op hem af en sprak hem aan. ‘Ik ben een officier van de Amerikaanse marine. Op grond van VN-resolutie 661 beveel ik u dit vaartuig tot stilstand te brengen zodat het doorzocht kan worden.’ Ik gebaarde naar de marinier die tevens als tolk dienstdeed, en die mijn woorden in het Arabisch herhaalde. ‘Ik spreek Engels,’ zei de kapitein met venijn. ‘Ik geef u een minuut om dit vaartuig te stoppen, anders doe ik het,’ deelde ik hem kalm mee. ‘U kunt mijn schip niet zo snel tot stilstand brengen. De motoren zouden het begeven.’ ‘Dat kan ik wel, en dat zal ik ook doen.’

‘In de machinekamer staan mijn mannen klaar om de boel stil te leggen. U kunt nu nog zelf het bevel tot stoppen geven, anders doe ik het. Aan u de keus.’ De kapitein gromde, zocht de blik van zijn dekofficieren en gaf toen de man die aan het roer stond het bevel het schip tot stilstand te brengen. ‘Het zal even duren voor het schip helemaal stilligt.’ ‘Dertien minuten, niet langer,’ gaf ik hem te kennen. ‘Als het dan niet stilligt, zal ik hem in zijn achteruit laten zetten om de voorwaartse beweging te stoppen.’

Eindelijk had ik zijn aandacht. ‘Kapitein, ik heb uw scheepsmanifest nodig en een lijst van alle mensen aan boord. Ik neem aan dat u deze papieren achter slot en grendel in uw kajuit bewaart. Deze marinier hier zal u begeleiden om de papieren te halen en ze bij mij te brengen.’

De gezagvoerder keek naar Stallings die er met zijn lengte en gespierde postuur al indrukwekkend genoeg uitzag, maar zoals hij daar stond, in camouflage-uniform en met een wapen in zijn handen, niet anders dan angst kon inboezemen. Stallings pakte de kapitein bij de elleboog en dirigeerde hem naar de gang die naar zijn kajuit leidde. Ik gebaarde naar een van de mariniers om hen te volgen.

Na enkele minuten begon het schip merkbaar te vertragen. Ik durfde niet te zeggen of er echt niet meer dan dertien minuten waren verstreken, maar het duurde niet lang voordat de Amuriyah volledig stil in het water lag. Vanaf de brug zag ik dat we door oorlogsschepen werden omringd: de Brewton, de Ogden en, verderop, de Okinawa.

De radio piepte en ik hoorde Stallings praten. ‘We hebben een probleempje hier beneden. De gezagvoerder is een spelletje aan het spelen. Beweert dat hij de kluis niet kan openen. Dat hij de code is vergeten.’

Even later ging de deur van het stuurhuis open en liep Stallings naar binnen. De kapitein van het schip kwam achter hem aan, gehavend en geboeid. Er liep een grote striem over zijn linkeroog en zijn lippen waren gezwollen en bloedden licht. Ik keek Stallings aan, die met een schouderophalen en een verbaasde blik zachtjes zei: ‘Die klootzak sprong ineens boven op me. Ik heb geprobeerd hem van me af te duwen, maar hij bleef maar doorgaan, met dat bonkige postuur van hem. Net Jabba de Hutt. Uiteindelijk heb ik hem maar een paar stompen verkocht en toen hield hij eindelijk op.’

‘Bied weerstand!’

Ik wierp een blik op de kapitein en zag een glimlach om zijn gezwollen lippen. De andere Irakezen stonden te glunderen. Hun kapitein had zich tegen de Amerikanen verzet, en zijn verwondingen getuigden daarvan. Via de radio begonnen er berichten binnen te komen van vergelijkbare confrontaties op meerdere plekken op het schip. Het laatste wat ik wilde, was dat er een bemanningslid van een koopvaardijschip werd gedood of verwond, maar zonder versterking zou het ons niet lukken de controle over het schip te krijgen en de talrijke bemanningsleden in bedwang te houden. Ik stapte naar de gezagvoerder. ‘Ik verzoek u uw bemanning te vragen om mee te werken. Als ze dat niet doen, vallen er mogelijk doden of gewonden.’ De eerste stuurman, die bij het omroepsysteem stond, greep plotseling de microfoon en schreeuwde in het Arabisch: ‘Bied weerstand! Laat ze het schip niet in handen krijgen.’ De marinier die het dichtst bij hem stond, rukte de microfoon uit zijn handen. De stuurman begon hem uit te schelden: ‘Klootzak.’ Ik zag de bemanning aan dek zich wapenen met koevoeten, bezems en wat er maar voor handen was. Ik begon de overhand te verliezen, en ik moest handelen om die weer terug te krijgen.

MIJN MANNEN STAAN KLAAR OM DE BOEL STIL TE LEGGEN. U KUNT NU NOG ZELF HET BEVEL TOT STOPPEN GEVEN, ANDERS DOE IK HET. AAN U DE KEUS

Ongeveer een uur en een paar vuistgevechten later, hadden we eindelijk alle Iraakse zeelui in de lounge bijeengedreven. Anderhalf uur nadat we tot actie waren overgegaan was de Amuriyah veiliggesteld zonder dat een Amerikaan of Irakees ernstig gewond was geraakt. Een delegatie bestaande uit een officier van de Amerikaanse kustwacht en een aantal marineofficieren van de aanwezige strijdmacht, een zogeheten Law Enforcement Detachment, stapte aan boord om de lading aan een grondige controle te onderwerpen. Zes uur later trok ik de mariniers en de seals terug, keerden we terug naar de Ogden. Nog een paar uur daarna werd de Amuriyah vrijgegeven en kon de tanker zijn reis vervolgen. Er werd niets vreemds gevonden, maar dat was nog geen garantie dat niet ergens in het ruim van dat enorme schip ‘iets’ zorgvuldig verstopt was geweest. De Amuriyah voer verder naar Irak.

Op 15 januari 1991 zetten de Verenigde Staten en haar bondgenoten onder de noemer Operatie Desert Storm het offensief in tegen Irak. Tijdens de eerste dagen van wat de Golfoorlog van 1990-1991 is gaan heten, wezen inlichtingen uit dat Saddam van plan was om een milieuramp te ontketenen door Iraakse tankers vol met olie te laden en in de Perzische Golf tot zinken te brengen. Een van die schepen was de Amuriyah. Op 23 januari steeg vanaf het vliegdekschip de USS Midway een Grumman A-6 op, die voor de kust van het eiland Bubiyan twee 500 pondsbommen afwierp boven een nog ongeladen Amuriyah.

Laatste nieuws