Premium

‘Het enige criterium is: kan ik er om lachen?’

Met 25 jaar op de teller is Dirkjan een van Nederlands langstlopende en succesvolste strips. Reden voor tekenaar Mark Retera om de sukkel met de overbeet nog niet met pensioen te sturen. Maar tijden veranderen en ook Retera kan niet alles meer plaatsen. ‘Zodra mensen een hakenkruis zien, schieten ze al in de stress.’
Illustratie Dirkjan en Bert

Wie thuis de Dirkjan-scheurkalender heeft hangen, kent het effect. Zelfs de meest kloterig verlopende dag neemt even een positieve wending dankzij het dagelijks gestuntel van Dirkjan en zijn lompe vriend Bert. Drie plaatjes, twee minkukels, één clou: tekenaar Mark Retera verleent de service al 25 jaar. Hij ontving er in 2004 de hoogste stripeer in Nederland voor, de Stripschapprijs.

Thuis is voor Mark Retera (1964) een kleine gemeente aan de zuidgrens van Nijmegen. Daar wonen hij en zijn gezin in een vrijstaand huis omringd door groen. Zijn werkweek begint op maandag, als de grappen voor de komende week bedacht moeten worden. Hij doet dit bij voorkeur in dialoog met een collega-striptekenaar, momenteel Wilfred Ottenheijm. Retera: ‘We zijn dan altijd onvoorbereid, meestal gaan we gewoon een beetje kletsen. Na een uurtje praten, zijn er al wat onderwerpen langsgekomen waarvan je denkt: misschien leuk voor een grap. Zo niet, dan moeten we echt een beginnetje maken. Altijd een moeilijk moment: we moeten weer leuk zijn.’

‘De nacht is heel misleidend’

Leuk zijn heeft Retera geen windeieren gelegd. Dirkjan is bijna vanaf het begin in 1996 een van de best lopende strips in Nederland. Het ParoolAD en Dagblad van het Noorden drukken hem dagelijks af. Jaarlijks verschijnt er een bundeling met de leukste grappen. Onenigheid met zijn toenmalige uitgever deed Retera vanaf 2004 besluiten zijn boeken zelf uit te geven. ‘Veel uitgevers zijn cowboys, avonturiers zonder verstand van wat ze nou eigenlijk publiceren. Dat je je afvraagt: waarom geef je dat allemaal uit? Op een gegeven moment krijg je het gelijk aan je kant als zo’n uitgever je niet meer kan betalen omdat hij zijn overige boeken niet aan de man krijgt. Ik heb een goedlopende strip. Als zo’n uitgever dan vraagt of hij me volgend jaar kan betalen omdat hij nu krap zit, ben je de klos.’

Ik probeer nooit kwaadaardig te zijn, te drammen of mijn gelijk te willen halen

Nu heeft Retera het allemaal zelf in de hand, al geeft hij toe dat uitgeven echt wel een vak is. Andere stripmakers in zijn fonds onderbrengen is dan ook niet aan de orde. Elke week minimaal vier sterke ‘stroken’ produceren is al moeilijk genoeg. ‘Van nature ben ik geen regelmatige werker, maar sinds ik kinderen heb is mijn leven meer gestructureerd. Het liefst zou ik gewoon ’s avonds en ’s nachts werken, tot 02.00 uur. Dat deed ik vroeger vaak, dan was het klaar en dat bracht veel meer rust dan nu. Nou is het altijd tussen de bedrijven door. Kinderen wegbrengen en een uurtje vinden om even te kunnen tekenen.’

Vooruitwerken om een leuke voorraad grappen op te bouwen is hem nooit gelukt. Dat heeft z’n voordelen, want Retera kan nu dicht op de actualiteit zitten. ‘Dat is niet echt mijn ding, maar zeker in deze tijd is het wel handig. Met de actualiteit heb je altijd een onderwerp, en de kranten waarderen het zeer. Alleen kun je later vaak niets meer met die grappen, de mensen vergeten zo snel. Denken ze over een jaar: wat was dat nou met die corona? Dat zou je misschien niet denken, maar zo werkt het vaak wel. Dan ga je dat niet meer in een album stoppen.’

Vaak krijgt hij ’s nachts een ingeving. ‘Denk ik: wow, die moet ik opschrijven! Tik ik hem in en blijkt het de volgende ochtend he-le-maal niks. De nacht is heel misleidend.’

Leeg personage

Mark Retera begon tijdens zijn studie psychologie in Nijmegen strips te tekenen voor diverse studentenbladen. In het een paar jaar geleden uitgegeven Dossier Dirkjan staan die eerste probeersels afgedrukt. De stijl is wat drukker dan tegenwoordig, maar duidelijk is dat Retera al direct met veel zelfvertrouwen tekende. Tevreden neemt hij zijn jeugdwerk door. ‘Het was toen eigenlijk al bijna klaar. Soms denk ik weleens: waarom ben ik niet bij deze stijl gebleven? Daar is niet veel mis mee. Ik vind ook niet dat het erg op andere tekenaars lijkt. Ik ben in die tijd wel beïnvloed door Eric Schreurs (Joop Klepzeiker) en Gerrit de Jager (Familie Doorzon), overigens allemaal Revu-tekenaars. Hun stijl spreekt me nog steeds aan.’

De vroegste Dirkjan was wat dunner dan de huidige. Is er in de loop der jaren nog meer gewijzigd? ‘Amper, Dirkjan is feitelijk een leeg personage. Zijn karakter vul ik in naar gelang de grap. Dan is hij betweterig, dan weer dom. Zo is hij ook begonnen, als wereld vreemde student. Hij leek niet echt op mij, maar die onzekerheden kwamen wel direct uit mijn eigen leven. Maar er zit ook wel iets van een Bert in mij. Bert is iets meer gedefinieerd. Ze leven alle twee in hun eigen wereld, maar dat lompe is wel typisch Bert. Ik ben zelf ook niet zo invoelend.’

Regelmatig terugkerende thema’s in Dirkjan zijn smurfen, onbewoonde eilanden, kabouters, superhelden in onbenullige situaties (Batman die vergeet uit te checken, Superman als Jehova’s getuige) en woordgrappen. Hangjongeren, struikrovers, vrije uitloop: Retera heeft een zesde zintuig ontwikkeld voor woorden met een dubbele betekenis. ‘Het komt snel voorbij in het dagelijks leven, en als je er alert op bent dat je het op twee manieren kunt uitleggen, pik je dat wel op. Waarschijnlijk ook een kwestie van beroepsdeformatie. En als ik denk dat het leuk genoeg is, schrijf ik dat op. Woordgrappen moet je wel leuk kunnen tekenen, ze zijn vaak een beetje mager alleen als woordgrap. Als je het leuk brengt, kun je het optillen naar een bepaald niveau.’

Maar mag dat eigenlijk wel, grappen maken met andermans stripheld? Retera zoekt soms behoorlijk de grenzen op, door bijvoorbeeld smurfen voor van alles in te zetten. En wat vinden ze bij DC Comics van Superman die een relatie krijgt met De Hulk? ‘Ik heb daar nooit iets over gehoord. Er bestaat zoiets als het recht op parodiëren. Ik heb weleens een smurf zijn broekje verkeerd laten aantrekken waardoor zijn zakie door het gaatje van zijn staartje stak. Daar kwam ik ook mee weg. Ik gebruik het niet om er extra geld mee te verdienen, want Superman-fans zal ik er niet mee trekken. In het begin van de Superman-grappen kopieerde ik de bestaande tekeningen rechtstreeks uit de boeken, daar ben ik wel mee opgehouden. Je moet er gewoon niet te lang mee doorgaan. Ik weet dat Windig en De Jong ooit een parodie op Olivier B. Bommel maakten, en dat ging maar door. Toen heeft Toonder Studio’s wel aan de rem getrokken.’

Dikke neger

Ik hobbel een beetje achter die nieuwe gevoeligheid aan. Wat ik niet wil is stigmatiseren op een kwetsende manier

We pakken het Dossier Dirkjan er nog even bij, waar een vroege strip instaat over Dirkjan die het land ontvlucht in een oude nazi-bolide. Ideetje van Opa Bokma uit de oorlog. De vlucht eindigt in een linkse demonstratie, waarbij Bokma de auto parkeert tegen de buik van een omvangrijke kleurling. Retera schiet in de lach. ‘Die heb ik destijds voor de Sjors en Sjimmie gemaakt, maar ze wilden ’m niet plaatsen. Zodra mensen een hakenkruis zien, schieten ze al in de stress. Nu zou men vooral vallen over de tekst “dikke neger”.’ Hij grinnikt. ‘De clou is nog steeds leuk. Je kunt het ook wel verdedigen, want strikt genomen is er weinig racistisch aan, behalve dat ene woord dan. Maar ik zou het niet meer zo doen.’ Het valt de tekenaar op dat het tekenen van rassenkenmerken problematisch is geworden. ‘Als sommige collega’s nu een kleurling tekenen, wordt het een blanke met een voorzichtig kleurtje. Dan schiet je echt uit de bocht, want waarom zou je niet iemand tekenen die er echt zwart uitziet? Je wilt een beetje inclusief zijn, dan kun je hem als figurant opvoeren, of als hoofdpersoon. Zijn af komst is dan onderdeel van de grap, en dat mag dan eigenlijk niet meer. Tja, dan weet ik het ook niet meer. Kijk, als je er consequent een bankrover van zou maken, zit je uiteraard fout. Maar op dat gebied heerst wel een bepaalde overgevoeligheid.’

Soms wordt Retera door een opdrachtgever op de vingers getikt dat iets echt niet meer kan. Meneer Ping bijvoorbeeld, een opgewonden Chineesje met grote tanden die de r niet kan zeggen. Een dagblad vond dat hij daarmee moest stoppen, het was te rolbevestigend. ‘Daar was ik het wel mee eens. Dat heeft ook met de coronacrisis te maken, nu een deel van Nederland denkt dat de Chinezen erachter zitten. Dat was nog helemaal niet bij me opgekomen, voor mij is die Chinees met zijn gele kleur en konijnentandjes zo weggelopen uit de jaren 50. Dat accent hoef ik hem natuurlijk niet te geven, maar ik vind het gewoon komisch hoe sommige woorden steeds terugkomen. “Kopelen ploelt” voor zon: wie zegt dat nou nog?’

Zulke gevoeligheden zet de tekenaar wel aan het denken. ‘Misschien is die tijd wel geweest. We zijn immers ook niet meer met dwergen aan het werpen. Maar in satirische programma’s worden altijd Limburgers nagedaan, dan moet je daar ook mee stoppen. Bert is dik. Dat is ook stereotiep, daarmee zet je obese mensen te kijk. Op een gegeven moment blijft er niks en niemand over om nog grappen over te maken. Ik hobbel een beetje achter die nieuwe gevoeligheid aan. Wat ik niet wil is stigmatiseren op een kwetsende manier. Ik heb mijn eigen moraal en dat is mijn kompas, en die stel ik af en toe bij. Maar niet te snel. Mensen moeten ook wel een beetje kunnen incasseren.’ 

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws