Backstage bij Baantjer: het geheime recept van de hitserie

Vanaf vandaag draait de film Baantjer, het Begin in de bioscoop. Revu’s Gerrit Mollema schreef in de jaren 90 liefst 39 afleveringen van de serie. Een onthullend kijkje achter de schermen van de succesformule.
Baantjer

De lijn tussen een succes en een flop is flinterdun, werd me al snel duidelijk toen Peter Römer, hoofd drama van John de Mol Produkties, me begin 1995 uitnodigde om mee te denken over de opzet van een gefilmde politieserie op basis van de boeken van Appie Baantjer.

Allereerst bogen we ons in een ongezellig kantoor op het Hilversumse Mediapark met vier man (Römer, rechercheur/scriptschrijver Simon de Waal, dramaturg Dag Neijzen en ik zei de gek) over de vraag welke vaste elementen uit de boekjes we wel en niet zouden gebruiken. De verhalen zelf waren sowieso niet bruikbaar, omdat daar zomaar twintig verdachten in voorkwamen; onmogelijk in een tv-aflevering van circa 45 minuten. Dus waren alleen de rechten op de karakters en die zo populaire vaste onderdelen gekocht.

Dat was puzzelen. De Cock met Cee Oo Cee Ka? Natuurlijk. Het bijna altijd naast de kapstok mikken van het hoedje? Ja, houden we er in. Het over zijn pijnlijke kuit wrijven als hij vastzit met een zaak? Niet dus. Het in elk deel terugkerende conflictje tussen De Cock en commissaris Buitendam (‘D’r uit, De Cock!’)? Ja, dat wel; er waren door RTL 4 dertien afleveringen besteld, dus dertien ruzietjes moest te doen zijn (het werden er uiteindelijk 123).

De nazit dan, met het rechercheteam in het huis van De Cock waar zijn vrouw altijd rond- gaat met ‘schalen vol lekkernijen?’ Altijd handig om wat losse eindjes aan elkaar te knopen en om De Cock nog wat wijze woorden te laten spreken. Waaronder de klassieker: ‘Moord blijft moord.’ Later kreeg de vaste cast de pest aan dit onderdeel, want voor deze ietwat saaie slotscènes werden de acteurs elk jaar hartje zomer twee dagen onder felle lampen opgesloten in een benauwd souterrain van een grachtenpand.

Meer discussie ontstond over het gereedschap van Handige Henkie, (‘een inbreker met een hart van goud’) waarmee de speurder zich keer op keer wederrechtelijk toegang verschafte tot huizen van verdachten en getuigen, om daar bewijs achterover te drukken. Makkelijk om een plot rond te breien, maar toch niet doen. Ten eerste omdat inbrekers met een hart van goud in de jaren 90 al niet meer bestonden. Maar belangrijker: de kijker zou na vier afleveringen afhaken met de gedachte: zo kan ik ook een moord oplossen. Als hij zich al niet afvroeg wanneer De Cock zelf een keer in de kraag werd gevat tijdens deze illegale acties. Precies, het flinterdunne lijntje tussen succes en mislukking.

Verder moest de serie wél de gemoedelijke sfeer van de jaren 50 uitstralen, maar géén oubolligheid. Dus zat er in elke aflevering een subplotje over de ergernissen op de werkvloer aan het eind van de vorige eeuw. Het functioneringsgesprek, waar De Cock natuurlijk niet aan meedeed, de introductie van flexwerkplekken op het bureau, de onmogelijke bureaucratische richtlijnen van het HB (hoofdbureau); het kwam allemaal voorbij.

En ook de moorden waren ‘eigentijds’. Dus niet die op prostituee Bleke Bet in haar peeskamertje, maar die op een drugsverslaafd meisje op de draaischijf van een peepshow. Geen moord in een besloten homoclub in jaren 50-stijl, wel die op een schandknaap uit het voormalige Oostblok in een illegaal jongensbordeel. Maar nóóit die op een kind, de serie was tenslotte bestemd voor een familiezender.

Lees het hele artikel in Nieuwe Revu 16 of op Blendle.