In Memoriam: ‘Hans Verstraaten was een tijdschrifticoon’

Oud-hoofdredacteur Hans Verstraaten is dinsdag op 62-jarige leeftijd overleden. Hans volgde in 1989 Derk Sauer op en gaf tot 2000 leiding aan ons tijdschrift. Leon Verdonschot, die jarenlang onder Verstraaten heeft gewerkt: 'We hebben een tijdschrifticoon verloren.'
Hans Verstraaten

Toen Hans in 1989 aantrad, was zijn doel simpel: de beste hoofdredacteur van Nederland worden, en van Nieuwe Revu het beste tijdschrift van het land maken. Twee jaar geleden schreef Hans dit verhaal voor ons, waarin hij terugblikte op zijn gloriejaren bij Nieuwe Revu. ‘Voor de buitenwacht werd het blad gemaakt door één grote, gezellige familie, maar als je die familie wat beter leerde kennen dan was het één grote, afgunstige, naargeestige familie van kolossale ego’s. Ik leidde een verzameling talentvolle kutkinderen.’

Hoofdredacteur van het Jaar

Ik schrok me dood. Op een zaterdag in de zomer van 2012 belde iemand me en zei dat er een stuk over mij in Het Parool stond. Ik ging meteen die krant kopen. Het bleek om een interview te gaan met Leon Verdonschot, vandaag de dag columnist, in de jaren 90 redacteur van Nieuwe Revu. De serie heette De Leermeester Van... en ik bleek de leermeester van Leon te zijn geweest. So far so good. Maar ik werd verder vooral beschreven als een Totaal Contactgestoord Mens, een geboren en getogen excentriek die ongelooflijk obsessief met zijn blad bezig was, zeven dagen per week. Aldus Leon Verdonschot.

Eigenlijk had hij wel gelijk.

Ik was hoofdredacteur van Nieuwe Revu van mei 1989 tot januari 2001. Al die jaren was ik inderdaad obsessief met het blad bezig, inderdaad zeven dagen per week. Was dat het allemaal waard? Als je dit verhaal uitleest – wat ik zeer op prijs zou stellen – weet je het antwoord.

De hoer spelen

Het waren gouden jaren. Na vele jaren verlies werd Nieuwe Revu eerst winstgevend en vervolgens zeer winstgevend. En we scoorden als een gek in de media met spraakmakende interviews en onderzoeksprojecten. High life en low life, zoiets was de formule, officieel ook wel omschreven als nieuws, sport en rock-’n-roll. Frits Barend en Henk van Dorp werkten voor Nieuwe Revu, evenals Theo van Gogh, Ischa Meijer, Mart Smeets en Boudewijn Büch.

En er waren uiteraard ook onbekende medewerkers. Zoals een jonge freelancejournaliste uit Eindhoven die een voorstel had: ze wou een paar avonden gaan tippelen in haar stad en haar ervaringen beschrijven. ‘Euh, doe maar,’ zei ik, en verder niks, want communiceren was niet mijn sterkste punt, maar dat was geloof ik al duidelijk. Ze maakte een wat bedeesde, maar ook uiterst beleefde indruk. Niet het tippeltype; meer het type ideale schoondochter.

Een paar weken later ontving ik haar verhaal. Wow! Niet alleen had ze getippeld, maar ze had het, jezus zeg, ook nog met een klant gedaan. ‘Ja,’ zei ze, ‘ik dacht: alleen dan kom ik te weten hoe het is om hoer te zijn.’ Het verhaal kwam in Nieuwe Revu, onder haar eigen naam, en onder haar eigen naam kwam ze op tv en op de radio en in diverse andere media en telkens werd die vraag gesteld: hoe kón je dit doen? Als in: jij bent echt niet goed snik, meid. Ik zou echt niet meer weten hoe ze heet, laat staan wat ze vandaag de dag doet. Ik hoop dat ze een leuke, wat saaie baan heeft en vooral een keurig en monogaam huwelijk.

Ischa Meijer komt de was doen

Ik wilde dit: de beste hoofdredacteur van het land worden, zijn en blijven. Daartoe, had ik bedacht, had ik wel die zeven dagen per week nodig. Ik las elke letter en herschreef van begin tot eind talloze verhalen en las week in week uit talloze magazines, de meeste afkomstig uit de VS, en jatte er vrolijk uit. Dat harde werken bleek niet echt te combineren met een gezin, dat ik nochtans wel had. Helemaal ingewikkeld werd dat toen mijn toenmalige echtgenote voor langere tijd in het ziekenhuis verdween en ik die zevendaagse werkweek moest combineren met het verzorgen van twee kinderen. De was! Hoe doe je dat, een wasmachine bedienen? Mijn God!

Maar daar ging op een avond de deurbel. Ischa Meijer kwam onverwachts op bezoek en met een goede reden: ‘Ik dacht: jij komt er vast niet in je eentje uit.’ En zoals bekend kon Ischa gedachten lezen, vandaar dat hij ’s lands beste interviewer ooit was en is: ‘Zullen we maar beginnen met de was?’ Hij deed de was. En ging vervolgens strijken. Toen vertrok hij weer, om een paar dagen later weer terug te keren om wederom de was te doen en te strijken. Ischa stierf op 14 februari 1995. Tot op de dag van vandaag heb ik met mezelf de afspraak: wie iets onaangenaams over deze man zegt die krijgt van mij – klein en iel als ik ben – een paar flinke stompen in zijn of haar smoel (ik voer wat dat betreft een emancipatoir beleid).

Mijn vrouw kwam – godzijdank zeg – uit het ziekenhuis. Ik kon me weer storten op de zevendaagse werkweek. ’s Avonds ging ik meestal uit eten met redacteuren of medewerkers. Of ik las een van die talloze Amerikaanse magazines. Op een avond had ik afgesproken in restaurant Van Baerle met de medewerkers Theo van Gogh en Theodor Holman. Samen maakten zij een mini-rubriek voor Nieuwe Revu. Theodor kwam wat later, want die had een afspraak in België. Ik vond het altijd leuk om met Theo af te spreken. Iemand die zoop als wel drie, vier Maleiers bij elkaar en toch niet dronken werd, ja, daar had ik een ongeloof lijke bewondering voor. Bovendien, wel handig als je bent zoals ik, nam hij het woord om het niet meer af te geven. Ik mocht graag naar hem luisteren, ook al was ik het zelden met hem eens.

Ah, daar was Theodor! Die kon wat minder goed tegen drank. Hij bestelde een bord soep en een glas cognac. Hij had zo te zien en te horen al meerdere glazen tot zich genomen. En toen, echt waar, viel hij met zijn hoofd in zijn bord soep – in slaap. Ik keek Theo aan. Die ging gewoon door met verhalen vertellen. ‘Theo,’ zei ik voorzichtig, en een beetje ongerust, en wees naar Theodor. Waarop Theo als een ware wetenschapper sprak: ‘Het is technisch gezien niet mogelijk om in een bord soep te verdrinken. Maar,’ voegde hij eraan toe, nu als regisseur, ‘dit zou nog weleens een aardige filmscène kunnen opleveren.’

Theo overleed, het is bekend, op 2 november 2004. Wat Theo betreft heb ik dezelfde afspraak als die over Ischa.

Vroeger was alles beter

Van personeelszaken had ik toen ook al geen verstand. Er was een journaliste, Hélène Schilders, en die schreef op freelance basis een paar briljante verhalen. Ik besloot haar daarom maar in dienst te nemen. Alleen gaf ik dit aan niemand door, want, weet u, ik was niet zo goed in communiceren, maar misschien heb ik dat al gezegd. Ik gaf het niet door aan de redactie en niet aan de uitgever en niet aan personeelszaken (nog net wel aan Hélène zelf). Ik was simpelweg niet op het idee gekomen. Wat wel lastig werd op het eind van de maand toen Hélène meldde dat er geen salaris was overgemaakt. Vooral bij de uitgever en bij personeelszaken scoorde ik vervolgens niet echt hoog, maar goed, ze wisten inmiddels: die Verstraaten, die gek communiceert als een oester. Maar met het blad ging het intussen bijzonder goed.

Nou even een praatje dat bekendstaat als een oudelullenpraatje of, erger nog, als een vroeger was alles beter-praatje. Ja, mensen, toen was alles beter. Alles kon ook. Verslaggever Paul van Gageldonk wilde vijf, zes maanden doorbrengen met de hooligans van Feyenoord. Doe maar Paul. Verslaggever Peter Rensen wilde zes, zeven maanden undercover doorbrengen met de Centrumdemocraten, een toenmalige variant van de PVV. Doe maar Peter. We kochten peperdure fotoreportages van fotolegendes als Richard Avedon, Annie Leibovitz en Sebastião Salgado. En we stuurden, om nog eens wat te noemen, Anthony Kiedis – ja, die van The Red Hot Chili Peppers – met verslaggever en fotograaf naar Borneo, de jungle in (waar hij al na twee dagen doodziek werd; nou ja, niet goed, geld weg).

En we kochten voor een allemachtig hoog bedrag een voorpublicatie uit het boek Sex van Madonna. Die voorpublicatie was al opgemaakt toen, een paar uur voor de laatste deadline, een El Al-toe-stel de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg invloog en zo de Bijlmerramp veroorzaakte. Godver. Wat nu? De Bijlmerramp op de cover of toch vrolijk doorzetten met Madonna’s Sex? Het katern met Madonna’s Sex was al gedrukt. Halfslachtig maakten we er een soort mix van. Het nummer was binnen enkele dagen uitverkocht.

Frénk van der Linden en Pieter Webeling maakten grote interviews, vooral met politici, en bijna al die grote interviews haalden het nieuws. Ze werden er vorstelijk voor betaald; het bedrag hield ik angstvallig geheim voor de redactie, evenals de vorstelijke salarissen van Frits Barend en Henk van Dorp, want journalisten en geld, het zijn net mensen: al heel snel stinkend jaloers.

De nieuwe lesbiennes

Ik lag ’s nachts wakker van Nieuwe Revu. Niet altijd hoor – en ook niet van de zorgen. Maar bijvoorbeeld over een verhaal waarvan ik ineens dacht: als het nu met de zesde alinea zou beginnen, zou dat niet beter zijn? Of een kop voor een verhaal, daar konden ’s nachts wel tientallen varianten door mijn hoofd tekeer gaan. Helemaal erg: om 03.00 uur wakker schrikken, denkend aan de komende coverteksten. Wakker liggend dacht ik aan mijn grootste nachtmerrie: dat ik ’t ineens niet meer kon, coverteksten maken of, erger nog, covers bedenken.

Ik denk wel dat ik verantwoordelijk ben voor het feit dat op een gegeven moment ‘de nieuwe lesbiennes’ een trend werd. Dat zat zo. Ik zag een foto van de toentertijd beroemde fotograaf Herb Ritts: twee jonge vrouwen die elkaar erg sensueel een kus gaven. Fantastisch belicht. Zwartwit. Ik dacht: dit is een cover, dit móet een cover zijn. Nou nog een onderwerp erbij verzinnen. En ik keek nog eens goed naar die prachtfoto en wist: ja, de nieuwe lesbiennes, laten we dat maar doen. Niet meer in tuinbroek, maar mooie, elegante, beetje brutale lesbiennes en we noemen het maar meteen: een nieuwe generatie lesbiennes. Kleinigheidje: er moest nog wel een verhaal bij. Een redactrice ging op pad en kon er na eindeloos zoeken met moeite twee, drie vinden die enigszins aan de beschrijving voldeden. Zo kwam de cover en het coververhaal tot stand, over een absoluut niet bestaande trend. Nog diezelfde week werden de nieuwe lesbiennes opgepikt door diverse media als allernieuwste trend.

Vanaf die tijd geloof ik in geen enkele trend.

Klein, kalend, brildragend

Er waren ook volop rechtszaken en ruzies. Zo had ik een enorme ruzie met Youp van ’t Hek. En ik zweer het: ik wist toen al niet waarom en nu nog niet. Hij schold me eerst telefonisch de huid vol en deed vervolgens hetzelfde nog eens voor een wat breder publiek, middels zijn zaterdagse column in NRC Handelsblad. Waarin ik onder meer werd omschreven als een klein, kalend, brildragend mannetje. Wat allemaal wel klopte, maar als je Youp in maximaal drie woorden moet omschrijven dan wordt het toch ook: klein, kalend, brildragend. Een tijdje later kwam ik hem tegen en begon over dat klein, kalend en brildragend – dat we, sorry dat ik het zeg Youp, toch wel íetsje op elkaar lijken. Youp keek alsof het compleet nieuw voor hem was dat hij klein, kalend en brildragend was. Waarna hij triomfantelijk zei: ‘Maar jij bent een lul en ik niet.’

Frits Barend en Henk van Dorp hadden ruzie met Louis van Gaal. Ik geloof dat de aanleiding een interview was van onze beide sportredacteuren met Bryan Roy. Voor de jongere lezers: Van Gaal ging op dat moment richting positie Beste Trainer van de Wereld, bouwend aan Het Beste Elftal van de Wereld – en in dat elftal was geen plaats voor Bryan Roy, nochtans een publiekslieveling. Dat interview viel compleet verkeerd bij Van Gaal en hij wilde geen énkel contact meer met Frits en Henk. (Waarbij misschien, héél misschien hoor, meespeelde dat Frits wel héél amicaal omging met Johan Cruijff.)

Nieuwe Revu dat geen toegang meer zou hebben tot Ajax, tot het Ajax van Louis van Gaal – dat nooit, never, jamais. Dus ging ik op een maandagmiddag na de training uiterst nederig naar Van Gaal. Ik probeerde hem – ontzettend voorzichtig en ontzettend omzichtig – uit te leggen dat Frits en Henk ook maar hun werk deden. Die boodschap kwam niet helemaal over. Ook toen al ging Van Gaal er namelijk vanuit dat sportjournalisten die hun werk doen dienen te weten dat dit werk eerst en vooral inhoudt dat Louis van Gaal groter en beter is dan Johan Cruijffen hoogstwaarschijnlijk de beste van de wereld. (En dat, doch dit terzijde, echt iedere oetlul kan zien dat Bryan Roy geen teamspeler is.) Het werd niks, dat gesprek. Totdat het ineens over nierbroodjes ging. We kwamen erachter dat ik ergens gewoond had en dat dit ergens vlakbij de plek was waar Van Gaal was opgegroeid. ‘Is die snackbar er nog?’ vroeg Van Gaal enthousiast, die kennelijk dacht dat ik daar nog immer woonde. Jawel, leek me een goed antwoord gezien de sfeer: ‘Jawel, Louis. Ik ben er gisteren nog geweest.’ Heel enthousiast vroeg hij nu: ‘En verkopen ze nog steeds die geweldige nierbroodjes?’ ‘Jawel. Ja, lekker zijn die, hè?’

Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee wat een nierbroodje is. Toen het gesprek afgelopen was had ik Frits aan de lijn. Die wilde natuurlijk weten hoe het was gegaan. Ik wilde zeggen dat Louis en ik elkaar gevonden hadden middels het onderwerp nierbroodjes. In plaats daarvan zei ik: ‘Tja.’ Want je bent een Totaal Contactgestoord Mens of niet.

Het kwam trouwens alsnog goed tussen Nieuwe Revu en Louis van Gaal, dankzij Robert Heukels, een jonge, veelbelovende voetbalverslaggever die we in dienst hadden genomen. Hij kon goed overweg met Van Gaal en bijzonder goed met de spelers van diens gouden team. (Ik weet ’t niet zeker, maar het zou zomaar kunnen dat Frits en Henk daar niet echt gelukkig mee waren.)

Kappersblaadje

Luxeproblemen – zie ook Madonna en de Bijlmerramp – het waren, zijn en blijven gemene dingen. Op een zondag leverden Frits en Henk een interview met Johan Cruijffin. Leuk interview, heel leuk zelfs. Op diezelfde zondag leverde Robert Heukels een interview in met, jawel, Louis van Gaal. Dat was nog ietsje leuker – en relevanter wat de actualiteit betrof, want Louis steeg naar almaar grotere hoogtes. Wie komt er op de cover: Johan of Louis? Ook wel: een interview door twee verschrikkelijk ervaren verslaggevers, beroemd van Winschoten tot en met Breskens, of een interview van een verslaggever met amper een jaar ervaring. Ik zette een proces in werking dat ook wel bekendstaat als eindeloos uitstellen. Maar om 22.00 uur kwam de laatste deadline toch wel angstvallig dichtbij. Ik móest een beslissing nemen. Ik riep Frits en Henk mijn kamer binnen. Communicatief als altijd zei ik, fluisterend, mompelend: ‘Louis... komt... op... de... cover...’

Het duo nam het sportief op. Nou ja, laat ik het zo zeggen: als blikken konden doden dan was ik toen, ergens midden jaren 90, op een zondagavond om een uur of tien, terstond morsdood neergevallen.

We werden lange tijd uitgemaakt voor kappersblaadje. Nu werden we serieus genomen. Een blad dat high life en low life perfect combineerde. Met grote, fraaie sociale reportages. Met scherpe onderzoeksjournalistiek. Met humor en seks. Gemaakt door één grote, gezellige familie. Behalve als je die familie wat beter leerde kennen. Dan was het één grote, afgunstige, naargeestige familie van kolossale ego’s. Er was wekelijks altijd minstens één binnenbrand te blussen en minstens één op zijn of haar uiterst lange tenen getrapt ego dat tijdens een etentje opgehemeld diende te worden. Ik leidde een verzameling talentvolle kutkinderen.

Krankzinnig relaas van een junk

Paul Blanca! Onvergetelijk! Hij was behalve fotograaf en kunstenaar tevens junk zonder vaste verblijfplaats. Maar die vond hij wel: Nieuwe Revu. Hij ging op de redactie zijn avonturen op de Amsterdamse straten en vooral in de Amsterdamse goten opschrijven. Dagenlang zat hij te tikken, zijn hoofd bijkans tegen het beeldscherm aan. Hij gaf me het verhaal. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Paulwasnamelijkvergetendespatiebalktegebruikeninzijnverhaalendatleestnogalmoeilijk (vertaling: Paul was namelijk vergeten de spatiebalk te gebruiken in zijn verhaal en dat leest nogal moeilijk). Een eindredacteur was er een dag of twee mee doende om het alsnog van spaties te voorzien. Een mooi, spannend, krankzinnig relaas van een junk (zie ook pagina 30).

Een tijdje later hadden we bedacht dat Paul de uitgelezen persoon was om aan te tonen hoe makkelijk het was om in dit land aan granaten te komen. Vanwege het milieu waarin hij verkeerde, bleek dit inderdaad nogal makkelijk, maar met wat granaten op zak werd hij opgepakt door de politie. Paul meldde de politie dat het hier een dienstbevel betrof van de hoofdredacteur van Nieuwe Revu. Niet veel later zaten er twee Amsterdamse rechercheurs in mijn kamer. Of dat klopte? Totaal Contactgestoord Mens: ‘Euh... euh... denk het wel.’ Rechercheur: ‘Is dat een ja?’

Totaal Contactgestoord Mens: ‘Euh... ja....’

In die tijd werd er een aanslag gepleegd op Rob Scholte. Deze zat met zijn zwangere vrouw in zijn BMW. Het kind kwam om het leven, Scholte moest zijn benen missen. Er waren, jawel, granaten gelegd onder de BMW. Het was groot landelijk nieuws. Wat later kwam Scholte aan het woord in de zaterdageditie van Het Parool. Scholte vermoedde wie de aanslagpleger was – een fotograaf annex junk, enfin, zijn naam werd niet genoemd, maar de hele Amsterdamse kunstwereld wist dat hij doelde op Paul Blanca. Blanca kwam uit die kunstwereld, net als Scholte, ja, ooit waren ze goede vrienden. Maar Blanca had inmiddels menige vriend weten te veranderen in een vijand, onder wie Rob Scholte. De volgende dag liep ik van de metrohalte naar de redactie, Het Parool onder m’n arm. En, hé zeg, wie liep daar: Paul! Ik haalde hem in. ‘Hoe gaat ie?’ vroeg ik bezorgd. Hij begon op te sommen wat er de laatste 24 uur allemaal weer was fout gegaan in zijn junkieleven – niet geslapen, vechtpartij – maar het interview met Scholte in Het Parool kwam niet aan bod. Hij was, kortom, van de zeer ernstige beschuldiging niet op de hoogte. We stonden inmiddels in de lift. Toen we de lift uitstapten, gaf ik hem Het Parool. ‘Lees,’ zei ik, en ging naar mijn kantoor.

Even later hoorde ik wild gebrul. Ik rende naar het geluid. Daar stond Paul, helemaal door het lint, tegen de muur bonkend en trappend en haast gillend: ‘Ik heb het niet gedaan!’ Ik ging weer naar mijn kamer. Er moest die zondag per slot van rekening weer een Nieuwe Revu de deur uit. Ik heb Paul al jaren niet meer gezien of gesproken. Ik weet niet wat er van hem terecht gekomen is. Sommige dingen wil je ook niet weten.

In 2000 werd ik gekozen tot Hoofdredacteur van het Jaar. Bescheidenheid siert de mens, ik weet het, maar in dit geval: helemaal verdiend. En een mooi moment om Nieuwe Revu te verlaten. Het werd een groots afscheidsfeest. Al mijn kutkinderen waren aanwezig en bleven tot diep in de nacht.

Daarna, jaren later, begon ik pas na te denken.

Ik was inmiddels gescheiden. Uiterst pijnlijk vond ik dat. Ik was namelijk jarenlang gehuwd geweest met de liefste vrouw van de wereld. En jarenlang was ik obsessief bezig geweest met Dat Blad. Geen tijd voor haar, nauwelijks voor de kinderen. Vaak geïrriteerd thuis: hé, ik heb nu belangrijkere zaken aan mijn hoofd, namelijk Dat Blad. Was het dat allemaal waard? Enig juiste antwoord: welnee.

Bedankt trouwens dat je dit verhaal hebt willen uitlezen.

window._taboola = window._taboola || []; _taboola.push({ mode: 'alternating-thumbnails-a', container: 'taboola-below-article-600fa66161336', placement: 'Below Article Thumbnails', target_type: 'mix' });

Laatste nieuws