In de voetsporen van het verzet

De Stoottroepen zijn het jongste regiment van de Koninklijke Landmacht. Het is ontstaan vanuit het verzet en is tegenwoordig onderdeel van de 11 Luchtmobiele Brigade.
Prins Bernhard inspecteert in 1967 in Ermelo de Stoottroepen en haar mascotte.

De Stoters van het eerste uur waren betrokken bij de bevrijding van Nederland, later nam de eenheid deel aan missies elders in de wereld, zoals Nederlands-Indië, Bosnië en Mali. Een voorpublicatie van 75 Jaar Stoottroepen, dat op 20 september verschijnt.

Wreedheden en onderdrukking roepen weerstand op. Bij de ene mens sneller dan bij de ander. Zo is het in de wereld waarin we nu leven, zo was het toen. Sommige burgers kwamen reeds in het begin van de oorlog in verzet, anderen pas veel later of soms in de laatste maanden van de oorlog. In het begin van de Tweede Wereldoorlog was het verzet nog relatief slecht georganiseerd en werd er vooral in kleine groepjes geopereerd. Een groot voordeel van dit weinig gecoördineerde optreden was wel dat bij infiltratie van een groep door een verrader andere groepen niet in gevaar kwamen. Vanaf 1943 nam het aantal verzetsstrijders toe en kregen de organisaties aanzienlijk meer structuur.

Zo werd op 5 september 1944 buiten bezet gebied de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht. De reden van de oprichting was de wens van het verzet te mogen deelnemen aan de bevrijding van Nederland. Maar ook, gezien de ervaringen van de geallieerden in Frankrijk en België, het voorkomen van wraakzuchtige reacties tegen collaborateurs. Een derde argument was dat veel verzetsmensen tijdens de bezetting activiteiten hadden ontplooid die onder normale omstandigheden wettelijk absoluut ontoelaatbaar waren. Militariseren en eenieder onder de krijgstucht stellen werd als een probaat middel gezien om dit soort problemen te voorkomen.

Pronken met sterren

Prins Bernhard had als Commandant der Nederlandse Strijdkrachten de Prinses Irene Brigade, nr. 2 Dutch Troop (Nederlandse commando’s) en de Binnenlandse Strijdkrachten onder zijn bevel. Door het oprichten van de Binnenlandse Strijdkrachten kon niet langer over de ondergrondse worden gesproken, maar was er vanaf nu sprake van een officieel openlijk en gewapend optreden van Nederlandse strijdkrachten op eigen grondgebied. De Binnenlandse Strijdkrachten werden gesplitst in Stoottroepen, voornamelijk gevormd door leden van de Landelijke Knokploegen, de Raad van Verzet en Bewakingstroepen, waarvan de mannen van de Ordedienst deel uitmaakten. Hiermee zouden zij in feite militaire dienst gaan verrichten.

Zowel koningin Wilhelmina als prins Bernhard had geen hoge pet op van het oude legerberoepskader, omdat het hen ontbrak aan kennis en ervaring op het gebied van moderne oorlogsvoering. Ook bij de Britten en de Amerikanen had men gedurende de oorlog een nieuw leger weten op te bouwen en waren degenen die minder geschikt waren vervangen door militairen die wel capabel waren ten aanzien van moderne oorlogsvoering. Vele officieren die in de verwachting waren weer actief deel te kunnen nemen aan de strijd verschenen in hun, vergeleken bij de Britten en Amerikanen, oude ongemakkelijke uniformen op straat. Prins Bernhard gaf op 4 september via Radio Oranje het bevel de oude uniformen niet meer te dragen. Met name het gedrag van officieren die pronkten met hun sterren stoorde de prins, terwijl de officieren not amused waren dat men – zoals in de illegaliteit – bij de stoottroepen zonder rangen werkte en elkaar bovendien met de voornaam aansprak.

Prins Bernhard

Begin januari 1945 werden bij de bataljons van de Limburgse Stoottroepen, en later ook bij de Brabantse Stoottroepen, de oude rangen en rangonderscheidingstekens opnieuw ingevoerd. De Stootttroepen waren in die dagen licht bewapend met geweren, stenguns, lichte machinegeweren, klein kalibermortieren en handgranaten. Deze kreeg men van de geallieerden, die daar in voldoende mate over beschikten. Ten aanzien van kleding hadden de Stoters het beduidend moeilijker. De Britten waren niet bepaald scheutig met het verstrekken daarvan. Het zat prins Bernhard niet lekker dat de tekorten bleven aanhouden, waardoor ‘zijn mannen’ zich in alle bochten moesten wringen om hun taak op een fatsoenlijke manier te kunnen uitvoeren. Het was hem al eerder duidelijk dat veldmaarschalk Montgomery niet bepaald genegen was in deze noden te voorzien. Half oktober drong hij er echter toch op aan uitrustingsstukken te krijgen voor zowel de Stoottroepen als de Bewakingsgroepen. Aan deze oproep werd geen gehoor gegeven. Voor de prins het moment om zonder medeweten van Montgomery bij de staf van de supplychain-afdeling vierduizend stellen militaire kleding los te peuteren. Toen Montgomery hiervan hoorde, was hij des duivels. Bij de Stoters kon de prins echter niet meer kapot. Vanwege de grote betrokkenheid van de prins heet het regiment sinds juni 2002 Regiment Stoottroepen Prins Bernhard.

Srebrenica

In het boek 75 Jaar Stoottroepen zijn belangrijke momenten opgetekend van de geschiedenis van het regiment in de vorm van soms hele persoonlijke en aangrijpende verhalen, zoals dat van Paul Boomsma. Na het behalen van de felbegeerde rode baret in 1994 ging hij een jaar later op uitzending naar Bosnië. Boomsma was 23 jaar en boordschutter toen hij met Dutchbat III op 10 juli 1995 eropuit werd gestuurd om de blocking position bij Srebrenica in te nemen. ‘We kregen te horen dat het verstandig was om ons testament te maken, omdat we van blauw naar groen gingen. Dat gaf wel aan dat ons het nodige te wachten stond, dat we aan de nodige gevaren zouden blootstaan.’

De eerste klap die hij kreeg, was het sneuvelen van zijn maatje Raviv van Renssen. ‘Hij was een goede maat van me. We hadden samen de opleiding in Schaarsbergen gedaan. Op de observatiepost Foxtrot zat hij als boordschutter met een.50. Hij stak boven het voertuig uit toen er een handgranaat op het pantserrupsvoertuig werd gegooid en hij daarbij door scherven dodelijk werd getroffen. Over de radio hoorden we alleen dat er een boordschutter zwaargewond was geraakt, maar pas toen we naar de hulppost gingen, kregen we te horen dat hij was overleden en dat het om Raviv van Renssen ging. De situatie was nog altijd zo gevaarlijk dat we geen tijd hadden om te rouwen. We bleven professioneel ons werk doen en sloegen dus na dit grote verlies niet door. Toch was het onbegrijpelijk dat Van Renssen uitgerekend door een moslimstrijder, die we juist probeerden te beschermen, om het leven werd gebracht.’

De dood van Van Renssen had op Boomsma flink veel impact, maar uiteindelijk de val van de enclave ook. Hij heeft er in totaal zevenenhalve maand gezeten. ‘Onze gevechtshandelingen waren er slechts om de opmars van de Bosnische Serviërs te vertragen. Meer konden we door een gebrek aan middelen niet doen. Het laatste deel van deze uitzending had op mij de meeste impact, maar ook nog eens de hele nasleep daarna.’

PTSS

De echte omvang van het drama drong pas bij terugkomst in Nederland door. Boomsma zelf is er niet zonder kleerscheuren vanaf gekomen. Bij hem is PTSS geconstateerd en hij heeft tot zijn spijt in 2001 de krijgsmacht moeten verlaten. Het steekt hem dat de mannen en vrouwen van Dutchbat III uitgemaakt werden voor lafaards. ‘Je kunt met een paar man niets uitrichten tegen zo’n overmacht. En dat terwijl we nog geprobeerd hebben om de opmars te vertragen en vuur te trekken om de NAVO een reden te geven voor een luchtaanval,’ aldus Boomsma.

Leden van de Stoottroepen werden ook in Afghanistan ingezet.

In de periode 1997-1998 ontstonden de eerste klachten. ‘Ik kreeg angst om auto te rijden en begreep al snel dat het niet goed met me ging. Samen met humanistisch raadsman Bart Hetebrij hebben we allerlei instanties ingeschakeld om hulp te zoeken. Dat ik in 2001 toch werd afgekeurd, omdat ik niet meer geschikt zou zijn voor uitzendingen, zag ik aankomen. Het betekende het einde van een carrière bij de Landmacht, die ik nog zo graag had voortgezet. Maar het ging gewoon niet meer.’

Nadat PTSS was gediagnosticeerd werd Boomsma daarvoor behandeld. Langzaam ging het daardoor weer de goede kant op. In de periode 20052016 was hij zelfs in staat om te werken bij een en dezelfde werkgever. Maar toen sloeg een burnout toe, kwam zijn PTSS opnieuw naar boven en belandde hij in de ziektewet. Van de Groningse burgemeester Wallage kreeg hij het Draaginsigne Gewonde. ‘Het was iets waar ik gewoon recht op had, maar je moest het wel zelf aanvragen. Nu is in ieder geval aantoonbaar dat ik schade heb opgelopen. Wanneer dat niet fysiek is, zie je dat anders immers niet.’

Intussen is Boomsma blij dat hij nog wat voor het regiment kan betekenen. Door foto’s te maken, zoals bij belangrijke gebeurtenissen en oefeningen. ‘Zolang ik daarmee kan blijven doorgaan en ik voldoende tijd kan besteden aan sporten en aan mijn zoon van vijf is het goed. Ik vind het belangrijk om die contacten met mijn oud-collega’s te houden en nog altijd dezelfde kameraadschap en verbondenheid te ervaren die zo tekenend is voor onze eenheid.’

Gewondentransport

Luitenant-kolonel Jos Groen was in 1995 ook in Srebrenica met de Bravo Compagnie van het Regiment Stoottroepen. ‘Helaas heb ik geen rol kunnen spelen bij het tragisch verloop aan het einde van deze missie,’ blikt hij terug. ‘De spanning werd door de strijdende partijen gedurende de uitzending stap voor stap opgebouwd. In de enclave werd onze bewegingsvrijheid door de moslims gefrustreerd, die niet wilden dat we in bepaalde gebieden patrouilleerden, hetgeen eind januari uitmondde in de kortstondige gijzeling tijdens een bataljonsactie van een aantal Dutchbat III-eenheden in de zogeheten Bandera-driehoek. Op observatiepost Charlie zaten 55 militairen vast, terwijl deze post normaliter door een man of tien werd bewoond. De bevoorrading van buiten de enclave verliep in de loop van onze missie ook steeds moeizamer, waardoor met name het gebrek aan brandstof ons optreden negatief beïnvloedde.’

Over de radio hoorden we dat er een boordschutter zwaar gewond was geraakt, maar pas toen we naar de hulppost gingen, kregen we te horen dat hij was overleden

De dag dat Jasper Verplanke van het Korps Commandotroepen gewond raakte, 18 februari 1995, staat Groen als de dag van gisteren voor ogen. ‘We hadden elkaar die ochtend conform afspraak gesproken, aangezien de patrouille waar hij deel van uitmaakte in onze sector opereerde. In het begin van de missie gebeurde dit niet en dat had tot onnodige verwarring geleid. Een aantal uren na hun vertrek volgde een bericht van een zwaargewonde militair onder de patrouilleleden. Het gewondentransport van de Bravo Compagnie werd hun kant uitgestuurd. De chauffeur had al zijn stuurmanskunsten aangewend om zijn pantservoertuig over het geitenpad te krijgen waar Jasper op zijn komst wachtte. Op de compound stonden we bij de poort met een paar mensen in stilte bijeen. In de verte hoorden we het galmende geluid van de gierende motor vanuit de heuvels onze richting uitkomen. Op het laatste moment zagen we het voertuig vanuit de bocht net buiten de compound naar beneden stormen. Het ratelen van de tracks over de betonnen weg was oorverdovend. Binnen een paar seconden was het voertuig alweer uit ons zicht verdwenen. Met razende snelheid werd Jasper door onze mensen een paar kilometer verderop in Potocari bij de hulppost afgeleverd. Wij dropen een voor een af, eenieder met zijn eigen persoonlijke en afzonderlijke gedachten achterlatend. Jasper kon door de goede en adequate medische zorg worden gered, maar verloor zijn linkeronderbeen en is daardoor helaas voor het leven getekend.’

Ereveld in Loenen

Eind april 1995 vertrok luitenant-kolonel Groen met een van de laatste verlofkonvooien uit de enclave, waarna hij na zijn terugkeer in Kroatië samen met meer dan honderdvijftig mannen en vrouwen nagelbijtend in Zagreb op kamp Pleso heeft doorgebracht. ‘Tot ons aller frustratie kregen we geen toestemming om naar onze maten in Srebrenica terug te keren, terwijl we wel wisten hoe moeilijk ze het hadden. In Zagreb waren we via de televisie van de eerste schermutselingen ooggetuige toen Gert van der Sluis (PC-2 Bravo Compagnie) en ik onze oude commandant Jos Gelissen tijdens een nieuwsuitzending als gijzelaar aan een lantaarnpaal vastgeketend zagen. Het was de voorbode van de tragische wending die het conflict op de Balkan in de zomer van 1995 kreeg. Het detachement dat in Zagreb vastzat, werd een aantal weken voor de geplande rotatie naar Nederland teruggehaald, in afwachting van de terugkeer van de rest van de eenheid.’ Groen vervolgt: ‘Ik weet nog goed dat mijn vrouw en ik op zaterdag 8 juli rond 18.00 uur thuiskwamen en ik het nieuws aanzette. Er was een bericht over een militair die in Srebrenica was gesneuveld. Ik schrok van de locatie die op de kaart werd aangegeven: het was de sector van onze compagnie. Toen even later de telefoon ging, werd ik geïnformeerd om wie het ging: Raviv van Renssen, een jonge soldaat van de mortiergroep van onze compagnie. De volgende dag hebben we Raviv in Soesterberg opgehaald en een paar dagen later werd hij op het ereveld in Loenen begraven. In de loop der jaren heb ik samen met anderen van onze compagnie, maar soms ook individueel, zijn graf bezocht om hem te gedenken. De scherpe randjes van het verlies zijn ondertussen verdwenen, maar zowel zijn dood als die van Jeffrey Broere en alle anderen die als gevolg van dit conflict zijn gesneuveld dan wel gewond zijn geraakt, is daarmee niet minder tragisch geworden.’

Rampceremonie

Heel persoonlijk is ook het verhaal van korporaal-1 Kevin van den Bosch. Na een bezoek aan de Banenwinkel van Defensie sprak de Luchtmobiele Brigade hem meteen aan. ‘Alleen al door het kunnen werken met helikopters. Hoewel ik verder eigenlijk geen verwachtingen had, wilde ik zo snel mogelijk beginnen.’

Op 26 april 2004 ging Van den Bosch als soldaat 2 en boordschutter voor het eerst op uitzending. Naar Irak met SFIR 4 (Stabilization Force Iraq). Vierenhalve maand. ‘Ik vond het behoorlijk spannend. Mijn ouders ook, zo bleek wel tijdens het afscheid in Schaarsbergen. Toch was ik volop gemotiveerd om erheen te gaan, om te kunnen doen waarvoor je getraind hebt en om mee te gaan met ervaren jongens. SFIR 4 was een leuke club. Samen met hen doe je alles om een land te helpen weer op te bouwen, waarbij je door de grote saamhorigheid ervaart dat je aan alle kanten geholpen wordt. Je maakt samen veel mee. Mooie dingen, maar soms ook heftig. Zo werden we als Alfa Compagnie beschoten, maar was ook de Bravo Compagnie in een hinderlaag gelopen toen ze het lichaam van Jeroen Severs weg wilde halen.’ Van den Bosch maakte in Irak de eerste rampceremonie mee, maar ook de viering van het 60-jarig bestaan van het regiment. Daarvoor vond er op een dag om 15.00 uur een ceremonie plaats, waarvoor iedereen in een verzengende hitte van rond de 45 graden stond aangetreden. Wat er na het aantreden gebeurde, weet Van den Bosch niet meer, want hij werd op een gegeven moment wakker in het hospitaal. ‘Het bleek dat ik onwel was geworden en steil voorover in het grind was gevallen. Mijn kiezen waren daarbij afgebroken en in en onder mijn neus zat een gat. Ze hebben me daar vijf uur lang voor behandeld in het hospitaal. Alleen de voorste tanden waren nog van mezelf. Ik heb daarna nog menigmaal een bezoek aan de tandarts moeten brengen.’

Je zag kinderen die blij waren met de kleinste dingen. Wat er ook van uitzendingen naar Irak wordt gezegd, ik vind dat we er niet voor niets zijn geweest

Van den Bosch ervoer Irak als een compleet andere cultuur. Een wereld van verschil, waarin hij zag dat mensen van niets iets maken onder de meest primitieve leefomstandigheden. ‘Je zag kinderen die blij waren met de kleinste dingen. Wat er soms ook van uitzendingen naar Irak wordt gezegd, ik vind dat we er niet voor niets zijn geweest.’

Een beetje als thuiskomen

Twee keer ging Van den Bosch naar Afghanistan. Allereerst in 2007 met Battlegroup 4. ‘Een uitzending met een qua dreiging heel ander karakter. Je moest er voortdurend op je hoede zijn voor bermbommen en het optreden van de Taliban. Daarnaast is het land ook nog eens moeilijk begaanbaar.’

Als gewondenverzorger van zijn peloton waren er al snel twee Nederlanders die behandeld moesten worden. Al in de eerste week zelfs. ‘Dat deed me meteen beseffen dat er in de vierenhalve maand dat we daar zouden zitten nog wel meer op ons pad zou kunnen komen. Helaas was dat ook het geval. Zo zijn er nog collega’s omgekomen, waaronder Tim Hoogland.’

Ook tijdens zijn uitzending met Battlegroup 10 in 2009 komen er in slechts twee dagen tijd twee Nederlandse militairen om het leven: Kevin van de Rijdt (Korps Commandotroepen) en sergeantmajoor Mark Leijsen. ‘Toch hadden we tijdens deze uitzending het gevoel dat het er iets veiliger op was geworden. Terugkeren naar Afghanistan voelde een beetje als thuiskomen.’

In 2017 ging Van den Bosch met de Mortiergroep naar Mali met de Long Range Reconnaissance Patrol Taskgroup Desert Falcon, een vredesmissie met blauwe baret. Weer voor vierenhalve maand. ‘Het was een andere wereld voor mij, een andere manier van optreden ook. Het was er gruwelijk heet. Door het savanneklimaat kwamen de temperaturen zelfs boven de vijftig graden uit. Onze taak was gebieden in kaart brengen en laten zien dat je er bent.’

Na 16,5 jaar gediend te hebben is Van den Bosch als korporaal 1 de dienst uit en werkt hij binnen de kazernepoorten bij een facilitair bedrijf. ‘Ik had al die jaren niet willen missen, want het heeft me gemaakt wie ik nu ben. Ik kijk er positief op terug. Zeker ook als het gaat om het gezamenlijke Stotersgevoel. We hebben het mooiste embleem. Dat draag je met trots.’ 

75 Jaar Stoottroepen, Laurens van Aggelen, White Elephant Publishing, €31,00 via we-publishing.nl

AARDIGE JONGENS

Dat de mannen van het verzet uit een ander hout gesneden waren dan menig officier, moge blijken uit het relaas van verzetsstrijder Gerrit Jan van Heuven Goedhart. ‘Ik ben in tal van wachtlokalen van de Binnenlandse Strijdkrachten geweest, waar die allemaal om een enorme tafel zaten met de benen erbovenop. Toen ik dan als minister van Justitie binnenkwam, zeiden ze: “Wat mot je?” En dan zei ik: “Ik ben de minister van Justitie en ik wou weleens even met jullie praten.” En dan bleven ze allemaal met hun benen op tafel zitten en zeiden: “Zeg het maar.” Het waren aardige jongens, daar niet van.’