Leon Verdonschot

Leidse cancelcultuur

‘Dolf Cohen zette zich in voor de emancipatie van alle onderdrukte mensen. Nu die bevrijd zijn, gooien ze hem weg – je zou het de terugkeer van de ironie kunnen noemen’

Leon Verdonschot

Beste Rein Dool,

U bent nu 89, en had waarschijnlijk niet meer verwacht nog een rel mee te maken rond een schilderij van u uit 1974. Op het schilderij zien we het college van bestuur van de Universiteit Leiden uit die tijd. De zes mannen op het schilderij roken sigaren en wekken met hun gevouwen handen en verzonken blikken niet de indruk zelfrelativering de belangrijkste waarde in hun leven te vinden. Je zou kunnen zeggen dat het de mannen niet belachelijk maakt, maar ze wel op een ironische manier beschouwt.

Maar ja. Het is 2022. De ironische levenshouding is morsdood. Het zijn zes mannen, wit ook nog, en vast ook nog cisgender en heteroseksueel, dus vorige week verdween het schilderij opeens van de muur van de vergaderruimte in de universiteit.

Waren de mannen op het schilderij fascisten, slavenhouders of vrouwenonderdrukkers? Integendeel. Een van hen was voormalig rector magnificus Dolf Cohen, de vader van Job, net als zijn zoon een verklaarde sociaaldemocraat. Hij moest onderduiken tijdens de Tweede Wereldoorlog omdat hij Joods was, en zo’n zestig jaar later wordt zijn beeltenis verwijderd omdat hij een man was. Dolf Cohen zette zich in voor de emancipatie van alle onderdrukte mensen. Nu die bevrijd zijn, gooien ze hem weg – je zou het de terugkeer van de ironie kunnen noemen.

Een van de betrokkenen van de universiteit die het schilderij weg wilde hebben, rechtendecaan Joanne van der Leun, zei dat ze niet alleen moeite had met de mannen op de schilderijen, maar: ‘Ik haat de rook ook.’ Het nieuwe criterium voor schilderkunst: op een schilderij mag je alleen zien waar je van houdt. Ik voorzie de zoveelste revival van Bob Ross – die gelukkig niet aan zelfportretten deed, anders zou zijn werk alsnog verdwijnen.

Ongetwijfeld hebben enkele studenten en docenten aangevoerd dat ze zich ‘niet veilig’ voelden in een ruimte met het schilderij, dan heeft een mens verder geen argument meer nodig. Ik las deze week nog met verbijstering een artikel in studentenblad Folia van een hoogleraar aan de UvA die van veel studenten de klacht krijgt dat ze ‘zich tijdens de les onveilig voelen omdat ik hen een vraag stel over iets wat ze vooraf hebben moeten lezen, over hun gedachten over een fenomeen dat in de les wordt besproken, of dat hen wordt gevraagd wat ze van het antwoord of mening van een andere student vinden. Dat willen deze studenten niet. Ze geven aan dat ze daardoor gestrest in de klas zitten, zich niet meer goed kunnen concentreren en het onderwijs als onplezierig en onveilig ervaren. Ze vinden dat ze het recht hebben om niet actief in de klas te participeren.’

In dat geval vind ik dat ik het recht heb om deze teergevoeligen keihard lachend veel participatie in de boze wereld buiten het leslokaal toe te wensen.

Tegelijk belemmert de al even weekhartige reactie van een universiteit (zo’n schilderij meteen weghalen na klachten, en weer terughangen na Kamervragen) een fatsoenlijke discussie over de symbolen en demografie in openbare, ook academische omgevingen. In een samenleving die snel verandert van samenstellingen en normen vind ik het niet meer dan logisch dat je samen beziet wie in publieke ruimtes worden geëerd en afgebeeld en op welke manier, en wie niet. En of dat mee moet veranderen met de samenleving, en hoe dan, en hoe snel. Daar zou je volgens mij een goed debat over kunnen voeren. Maar alleen als iedereen dan ook erkent dat een open debat soms ‘onplezierig en onveilig’ mag voelen. Dus dat kunnen we wel vergeten.

Column
  • iStock