Als ik het podium op loop, denkt het publiek: oh, problemen!

Jeroen van Merwijk (64) is misschien welde beste cabaretier van Nederland, maar hij houdt er bijna geen stuiver aan over.
Jeroen van Merwijk

Een kunstenaar over rechts afbraakbeleid, voetballers in het theater en publiek dat wegloopt: ‘Ik heb geen pensioen, maar ik heb wel een héél mooi oeuvre. Alleen, heel veel mensen weten het niet.’

Sinds 1 januari dit jaar zwoegt de scherpste cabaretier van Nederland elke dag, zeven dagen per week, op de tekst van een gloednieuw, actueel liedje. Dat levert 30 of 31 nieuwe liedjes per maand op. ‘Het schrijven van al die teksten kost me drie, vier uur per dag. Vijf als ik geen zin heb. Zes als het tegenzit.’ Uiteindelijk kiest Jeroen van Merwijk, die opgroeide in Utrecht, uit de omvangrijke verzameling een slordige dertig teksten. Die gaat hij voorzien van een melodie om ze vervolgens in het theater te gaan zingen in zijn komende theaterprogramma Was Volgend Jaar Maar Vast Voorbij. ‘Een oudejaarsconference wordt het, in liedjes.’ Alleen: tijdens het maken van al die liedjes krijgt hij niks betaald. En in de theaters wachten straks de kleine zalen. Niet de grote. ‘Terwijl Jeroen van Merwijk toch een hele grote is!’

In 2014 kondigde je je afscheid aan als cabaretier. De wat cynische titel van wat je laatste voorstelling zou zijn, luidde: Er Zijn Nog Kaarten.

‘En er waren vaak ook nog kaarten! Terwijl, ik speel in de kleine zalen...’

Nu kom je toch weer met een nieuwe voorstelling, terwijl je zou gaan stoppen met het maken van solovoorstellingen, juist omdat er te weinig publiek kwam.

‘Er moet uiteindelijk toch brood op de plank, al komt er nog steeds te weinig publiek. Ik heb geen pensioen, maar ik heb wel een héél mooi oeuvre. Alleen, heel veel mensen weten het niet.’

Waarom niet?

‘Dat is een kip-en-het-eiverhaal. Als je niet op tv komt met je shows, dan zijn en blijven je zalen leger. En heb je geen volle zaal, dan kom je niet op tv. In de zalen zelf werkt het ook zo. Als het publiek merkt: hé, de zaal stroomt vol, dan denkt het publiek: mooi, ik zit goed. Maar zijn er lege plekken in de zaal, dan denken de mensen: hé, er blijven stoelen leeg. Het is ergens anders vast leuker. Maar dat is een groot misverstand.’

Want?

‘Anno 2019 is de gedachte: hoe voller de zaal, hoe beter de cabaretier. Dat is een verkeerde gedachte. Veel artiesten die optreden als cabaretier zijn het eigenlijk niet. Die zijn komiek. De voorstellingen die ze maken, moeten in de eerste plaats leuk zijn. En vervolgens blijft het ook: alléén maar leuk. Ik vind “leuk” op zich een prima uitgangspunt, maar een cabaretier moet ook sarren. Goed cabaret doet pijn. Je moet zeggen wat het publiek niet wil horen, want dan bestaat er een kans dat het na gaat denken.’

Maar een volle zaal, dat wil toch iedereen?

‘Heel graag! Maar dan wel een kleine zaal. Een publiek van honderdvijftig man, dat is voor mij perfect. Grote zalen zijn voor mijn voorstellingen minder geschikt, want ik maak contact met het publiek. Speel je in een grote zaal, dan is dat zo goed als onmogelijk, al is het maar omdat je in een grote zaal je publiek niet ziet zitten. Je speelt voor een groot zwart gat. Daar moest ik erg aan wennen toen Harrie Jekkers en ik in 2015 en 2016 samen op pad waren. Elke avond uitverkocht, elke avond grote zaal. Mooi om te doen, mooi om mee te maken. En financieel zeer aantrekkelijk. Alleen het nadeel is: elke avond verloopt voor 99,9 procent hetzelfde. Een beetje alsof je aan de lopende band staat. Ik heb met Harrie bijvoorbeeld ook geen één avond een zeperd gehad. Niks. Terwijl, als je speelt voor honderd – laat staan 25 mensen – en er is er één die gaat klieren, dan moet je opletten. Of het publiek wil niet. Er is spanning, er is gevaar. Een grote, volle zaal is geen probleem, want die wil altijd.’

Waarom werkt het publiek bij Jekkers altijd mee?

‘Harrie komt vrolijk en vriendelijk op, hij vult heel het podium. Hij heeft de warmte van een groot artiest. Hij doet veel met nostalgie. Hij maakt, net als ik trouwens, hele mooie liedjes. Ik ben heel anders. Op het podium ben ik niet altijd vriendelijk. Op het podium ben ik niet altijd aardig. Als ik het podium op loop, denkt het publiek: oh, problemen. Bij Harrie Jekkers denk je: oh, gezellig! Ik heb er door die show met Harrie ook geen publiek bijgekregen. Al die mensen die toen in de zaal zaten denken niet: goh, ik ga eens naar Van Merwijk kijken als hij solo speelt.’

Harrie Jekkers zingt hele gevoelige liedjes over zijn vader en zijn moeder. Jeroen van Merwijk komt met problemen aan.

‘Ik zing óók hele gevoelige liedjes. En grappige. In de voorstelling met Jekkers zong ik het liedje Krappe Schoenen: “Mijn kleine en mijn grote teen zijn buren / Nog even, zijn ze samen één / Is mijn voet één grote teen / Heb ik een hoef aan ieder been.” Maar ik kom je ook vertellen hoe het zit. Daar betaal je mij namelijk voor. Of nou ja, ik verdien meer natuurlijk.’ Van Merwijk grijnst. ‘Ik heb nu een liedje geschreven: Een Beetje Misbruik Hoort Erbij. Nou, berg je maar, straks. De zaal te klein. Dat vind ik leuk. Een beetje jennen. Het moet schuren.

Dus zing je: ‘O, wat zijn de vrouwen groot / laatst lag ik op het strand / ik denk, daar ligt een rondvaartboot.

Van Merwijk grijnst. ‘Maar dat liedje eindigt heel zoet, hoor.’

Alle mannen moeten dood, katholiek of protestant, mohammedaan of jood, alle mannen moeten dood.

‘Je moet het niet letterlijk nemen, natuurlijk. Maar veel mannen zorgen voor ellende in de wereld. Er zijn mannen die weglopen uit de zaal, als ik dit lied zing. Dan neem je jezelf wel érg serieus.’

Waar komt toch die drang om het publiek een spiegel voor te houden, op te voeden, vandaan?

‘Mijn vader was onderwijzer, later directeur van een basisschool in Zuilen, hier in Utrecht. Dat was toen nog echt een arbeiderswijk. Mijn vader was een bevlogen man. Hele leuke man, ook. Hij kon veel, hij wist veel. Hij kon ook schitterend tekenen en heel goed schrijven. Mijn vader had die wil al om dingen anders te doen. Hij zag bijvoorbeeld in dat als je met kinderen uit een achterstandsbuurt aan de slag ging met tekenen, met kunst, met poëzie, dat ze vaak opbloeiden. Dan werd de achterstand ineens heel wat minder. Mijn vader heeft zich heel erg bemoeid met onderwijsvernieuwing. Hij wilde kinderen écht iets leren. Ik wil er voor zorgen dat mijn publiek na gaat denken.’

Over zichzelf?

‘Absoluut!’

Over politiek?

‘Zeker!’

Grijp je podium.

‘Ik ben een geboren sociaaldemocraat. Er is geen andere keus. Rechts is niks. Het enige wat rechts heel goed kan, is afbreken. Ik ken geen enkele rechtse politicus die oprecht bevlogen is. Het enige wat rechts de laatste decennia voor elkaar heeft gekregen, is dat er op sommige stukjes snelweg 130 kilometer per uur mag worden gereden. En daar zijn ze dan heel trots op. Rechts, dat is een dikke man onderuitgezakt op een stoel met aan zijn voeten een krat bier en in zijn rechterhand een rood potlood, om alles weg te strepen wat links heeft bedacht.’

Ik heb nu een lied je geschreven: Een Beetje Misbruik Hoort Erbij. Nou, berg je maar, straks. De zaal te klein

Er zijn mensen die zeggen dat als je jong bent en je rechts stemt, je geen gevoel hebt. Als je ouder bent en je stemt links, dan heb je geen verstand.

‘Als je ouder wordt en je stemt rechts, dan heb je nog steeds geen gevoel. Links zijn was hip in de jaren 60,70. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Dat moet veranderen, vind ik. Je moet het samen doen, met elkaar. Je leeft niet alleen. Het leven is per definitie kut, dus je moet er iets van maken. Ik snap, al doe ik nog zo mijn best, werkelijk waar niet waarom iemand die ergens directeur is miljoenen per jaar moet verdienen. Maar het allerergste vind ik de verkwanseling van bedrijven die van ons waren. Nutsbedrijven. De PTT. Die zijn nu bedrijfje aan het spelen, van ons geld. Zelfs de VVD ziet langzaamaan in dat we dat misschien beter terug kunnen gaan draaien.’

Waarom is marktwerking zo erg?

‘Onder andere omdat er volstrekt schaamteloos wordt gegraaid aan de top. Ik heb een leuk programma-idee, voor tv. Het heet: De Zwaarste Baan van Nederland. We gaan kijken welke banen er zijn in Nederland zijn en wat dat oplevert. Je krijgt strafpunten als je een chauffeur hebt, een glanzende directiekamer, een hooggehakte secretaresse. En bonuspunten als je met je poten in de modder staat. Je zal anno 2019 maar leraar zijn. Het enige wat groeit, is je tekort aan collega’s. Dat is toch treurig?’

Aan de top is het prima vertoeven, maar onderaan...

‘Onderaan tref je volgens mij vaker bevlogen mensen. Ook niet allemaal natuurlijk... Er zijn veel mensen in loondienst die levend dood zijn. Ik heb het gezien, ik heb ooit even gewerkt bij het GAK. Die weerzin van al die kantoorklerken als ze ’s morgens de roltrap omhoog moesten nemen. Om weer acht uur te doen alsof ze werkten. Ze stapten bij wijze van spreken op die roltrap nog wat treden naar beneden, om nog een paar seconden langer het moment uit te stellen dat ze achter hun bureaus plaats moesten nemen. En dan ’s middags, als de roltrap niet meer omhoog, maar eindelijk naar beneden ging, dan vlogen ze het kantoor uit. Alsof de duivel ze op de hielen zat.’

Wat is het alternatief?

‘Maak Iets Van Je Leven! Stel je voor: je maakt carrière bij een bank. Dat is op zich al verschrikkelijk, maar goed. Op een gegeven moment komt die tweesprong. Of je springt naar de top en je mag gaan graaien. Of je mag niet springen en ze gooien je eruit. Jongens, wat een mazzel heb je dan, in het laatste geval! Je bent ongeveer een jaar of vijftig en je hebt nog een slordige 25 jaar om wél iets van je leven te maken! Wat een kans! Wat een geluk! Je moet er toch niet aan denken... Straks ga je dood, dan kom je voor de Here God te staan. En de Here God zegt: “Nou Jan, wat heb jij van je leven gemaakt?” En je moet antwoorden: “Nou eh, ik heb vijftig jaar voor een bank gewerkt... Goed verhaal!’

Maar die mensen-van-de-bank hebben wel een gezin thuis, vrouw, kinderen, een hypotheek.

‘Daar moet je ook van tevoren over nadenken. Wil ik kinderen, is dat een goed idee, met deze vrouw, met deze man? Wat heb ik te bieden? Veel mensen denken daar niet over na. Ik heb geen kinderen.’

Rechts, dat is een dikke man onderuitgezakt op een stoel met aan zijn voeten een krat bier en in zijn hand een potlood, om alles weg te strepen wat links heeft bedacht

Waarom niet?

‘Omdat ik wel ongeveer wist wat voor leven ik zou gaan leiden. Daar passen geen kinderen in. Mensen vinden dat egoïstisch. Maar dat is het niet. Volgens mij hoef je geen raketgeleerde te zijn om te zien dat er mensen zijn die kinderen krijgen waarvan je weet: dat is misschien een minder goed idee. Kinderen némen, dat is juist egoïstisch. Maar dat mag je niet zeggen, want dat wil niemand horen. Daarom zeg ik het. En daarom speel ik in kleine zalen.’

Je staat niet alleen niet in de grote theaterzalen...

‘Nee?’

...Je hangt ook niet in de grote zalen van musea.

‘Ah, ja, dat klopt. Ik ben cabaretier, maar ik beschouw mezelf als kunstenaar. Ik ben in 1983 afgestudeerd aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Cum laude. Ik schilder enorm veel. Ik heb een atelier in Frankrijk. Mooi, maar stel je er niets van voor. Het is een oude boerderij, heel sober ingericht. Ik ben daar samen met mijn vrouw een paar maanden per jaar. Dan schilder ik, dan teken ik, tien uur per dag. Dat vindt mijn vrouw soms wat minder leuk, wat ik ook heel goed begrijp. Ik moet dat qua aantal uren misschien ook wat gaan beperken. Ik heb nu een ontsteking in mijn rechterschouder, omdat je steeds dezelfde beweging maakt. Het is ook allemaal wat ambitieus, misschien. Ik schilder en teken ook drieluiken. Met een kroontjespen. Daar ben je wel even zoet mee. Mijn werk is mooi. Museumwaardig.’

Jeroen van Merwijk zegt het zelf.

‘Uit volle overtuiging. Maar ik hang niet in musea. Dat komt doordat veel kunsthistorici geen verstand van tekenen hebben. Financieel schiet het ook niet echt op. Een beetje drieluik kost je drie, vier maanden werk. Verkoop ik het voor 15.000 euro bruto. Maar ik vind het fantastisch om te doen. En ik maak er een paar mensen, inclusief mezelf, heel gelukkig mee. Wat wil je nog meer?

Volle zalen, aan de muren hangen van het Stedelijk Museum, meer geld...

‘Die liedteksten die ik nu elke dag maak, dat is ook een soort sociologisch onderzoek. Ik zet die teksten zodra ze klaar zijn online, op Facebook, op mijn website. Er staat een button naast: “Doneer!” Je kunt zelf kiezen of en zo ja, hoeveel geld je ervoor wilt betalen. Bijvoorbeeld 365 euro, één voor elke liedtekst. Of 120 euro, want dat ben je ook kwijt aan een jaar Spotify. Er zijn inderdaad mensen die elke dag 1 euro betalen. Dat vind ik jofel. De meeste mensen geven niks, dat vind ik jammer. Ik heb tot nu toe ongeveer 6000 euro opgehaald. Daar ben ik blij mee, maar 6000 euro... Dat is het minste aantal bezoekers per dag dat mijn teksten leest. Het ligt een beetje aan het onderwerp. Als ik over God schrijf: 200.000 lezers. Martine Bijl ook. Rutger Hauer ook. Fascinerend, hè. Maar als elk van die 200.000 lezers 1 euro zou doneren, dan was het jaar dik gedekt. En wat is nou een euro? Maar de meeste mensen betalen dus niets.’

Hoe komt dat?

‘Het heeft te maken met de tijdsgeest. Geld is er genoeg, maar we doen er de verkeerde dingen mee. In elk geval: we besteden het niet aan kunst. Een paar jaar geleden was VVD’er Halbe Zijlstra staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Die zei: “Ik heb geen enkele affiniteit met kunst.” Stel je voor: ik word staatssecretaris van Economische Zaken, want “ik weet niets van economie”. Ik word in een witte auto afgevoerd, denk ik. Maar andersom is het volkomen normaal. Op een begroting van 900 miljoen euro zou 200 miljoen euro bezuinigd gaan worden. Zijlstra noemde het een voordeel dat hij niets wist van kunst, want dan kon je zo’n idiote bezuiniging beter doorvoeren. Zo’n citaat, dát is haast cabaret! Maar het is volkomen liefdeloos, natuurlijk. Wat ik zei: rechts is een kei in afbreken van wat we samen hebben opgebouwd. Het erge is, dat ik steeds meer Halbe Zijlstra’s tegenkom.’

In het theater?

‘Theaterdirecteuren, sommige, kijken wat mij betreft alleen nog maar met een zakelijke blik naar hun programmering. Als de zaal maar volloopt. Daarom zie je nu voormalige voetballers op de podia staan. Wetenschappers. Bekende Nederlanders. Dat gaat ten koste van kunstenaars. Van dansgezelschappen. Van artiesten. Die theaterdirecteuren zijn geen theaterdirecteuren meer, maar managers. Als ik optreed, moet er een garantiebedrag zijn. Anders ben ik de enige die voor niets staat te werken als er weinig kaarten zijn verkocht. Maar sommige theaters willen zo’n garantiebedrag niet meer toezeggen. Dan houdt het voor mij helaas op. En voor veel anderen ook. En dat is zonde, want zo verschraalt het theateraanbod in zo’n theater.’

Heb je nooit gedacht: ik hou ermee op?

‘Heel soms. Het ligt aan je humeur. Soms zie ik programma’s waarvan ik denk... En die trekken dan volle zalen. Net als met kunst. Ik zie dingen hangen in musea, die vind ik gewoon lelijk.’

Maar?

‘Maar!’ Van Merwijk begint te zingen: ‘Het leven is kut. ’s Ochtends sta je op en het gaat gelijk al kut. Alweer de 100.000 niet gewonnen. Geen Nobelprijs voor de Vrede en geen Oscar, kut! Het leven is algeheel totaal volslagen en volledig kut en is het een keer niet kut, dan is het klote.’

Van Merwijk grijnst. ‘Zo is het. Alleen, los van dat feit, heb ik een fantastisch leven. Ik heb geen baas, ik maak hele mooie dingen, mooie liedjes, mooie schilderijen, ik heb een fantastische vrouw, ik red het financieel. Ik hoef geen spullen, ik hoef niets te hebben, kijk hier, dit is mijn mobiele telefoon, een Nokia van voor de oorlog. Ik heb geen auto. Sterker nog, ik heb niet eens een rijbewijs! Maar ik ben vrij en ik zeg wat ik vind. Ik ken al mijn collega’s, maar ik hoor nergens bij. Mooier kan toch niet?’ 

NIEUWE REVU ONTMOET JEROEN VAN MERWIJK

Waar? Bij Jeroen van Merwijk thuis, aan de tafel voor het raam in een zeer sfeervolle woonkamer in een voormalige arbeiderswoning in het centrum van Utrecht. De woonkamer hangt en staat vol met kunst, onder andere met indrukwekkende drieluiken die hij zelf geschilderd en getekend heeft. Wanneer? Om 10.00 uur. Van Merwijk steekt in een uitstekend humeur, hoewel hij zijn huis misschien moet verkopen. ‘Het wordt me te duur. Dan heb ik mijn atelier in Frankrijk nog en dan huur ik hier iets voor als ik in Nederland ben.’ Nog wat gedronken? Twee koffie met warme melk (Van Merwijk), twee koffie met warme melk en suiker (Nieuwe Revu).

Voor meer informatie over de oudejaarsshow Was Volgend Jaar Maar Vast Voorbij en de speellijst, ga naar jeroenvanmerwijk.nl

window._taboola = window._taboola || []; _taboola.push({ mode: 'alternating-thumbnails-a', container: 'taboola-below-article-5df38f95276fe', placement: 'Below Article Thumbnails 2', target_type: 'mix' });