Premium

De beste dweiler van Nederland

Elke week gaan we op bezoek bij één van de vele winnaars die Nederland rijk is. Deze week Jordy de Jong, de beste dweiler van Nederland
Jordy de Jong

Carnaval is in aantocht, cafés hangen voorzichtig de eerste sjaaltjes in hun stadskleuren achter de toog en her en der verschijnen in Brabantse en Limburgse steden pop-upstores met carnavalskleding. Nog een maandje, dan mag iedereen weer. Links en rechts halen de mensen van Dweilorkest Ut Lamme Dikzakske uit Stampersgat, of Joeri met zunnen slappe toeter uit Kielegat, hun trombones en hun bombardons uit de mottenballen om te kijken of de instrumenten ook vorig jaar de carnaval in café De Kroeg weer overleefd hebben.

Maar nee, de beste dweilband van Nederland komt niet uit Brabantse dorpen als Maarheeze, Udenhout of Arkel: het beste dweilorkest van Nederland komt uit Sassenheim. Ik heb afgesproken met Jordy de Jong en Koen Overvliet, de trombonist en de euphoniumspeler van Dweilorkest De Feesttoeters.

We spreken af in de kantine van de repetitieruimte. De koelkasten en de bierkranen zitten nog op slot, want de kantine is eigenlijk gesloten. We gaan aan de bar zitten, met allemaal een glaasje water voor onze neus.

Jordy de Jong (1992) is de beste dweiler van Nederland. Ambitie: dweilen op een groot sportevenement.

Geen giftige wereld

‘God, een interview, met de nationale pers,’ verzucht Jordy grijnzend.

Jazeker, het is begonnen. Vanaf nu moet je op je woorden gaan letten als je de hele dweilorkestenbranche niet achter je aan wil krijgen.

‘Ik denk dat het mee zal gaan vallen.’

Oh? Jullie hebben nog geen ruzie gehad met het dweilorkest van, laat ik eens een dwarsstraat noemen, Heerhugowaard?

‘Nee nee, maar je kunt als dweilorkest natuurlijk ook weer niet zo heel veel fout doen. Het is niet Carnaval is in aantocht, cafés hangen voorzichbepaald een giftige wereld, de dweilorkesten tig de eerste sjaaltjes in hun stadskleuren achter onderling. We maken vooral gewoon feest. Kijk, het is ook leuk als dweilorkest: overal waar je komt barst als het goed is een feestje los. Vaak doen we ook met andere dweilorkesten samen een ander programma.’

En mensen gaan dan een hele avond naar dweilorkesten luisteren?

‘Ja soms, afhankelijk van de hoeveelheid mensen dat erop afkomt.’
Ah ja, natuurlijk. En die grootste optredens, daar leven jullie van?

‘Nee, de meeste optredens zijn onbetaald. Of, nou ja, we doen ook wel betaalde optredens, want ja, de clubkas moet toch ook wel een beetje gespekt blijven, maar nee.’

En van die gages gaan jullie dan een weekje naar de Ardennen?

’Nou, dat redden we niet, hoor. Maar nieuwe bladmuziek en vervoerskosten kunnen we er in elk geval wel mee betalen.’

Maar goed, Jordy, even voor mijn begrip: jij speelt dus trombone, en Koen jij speelt het euphonium? Wat ehh, ja, wat is eigenlijk een euphonium?

‘Een soort kleine tuba,’ zegt Koen met een serieus gezicht. Jordy valt in het gesprek in. ‘Nou ja, eigenlijk is het een soort urinoir waar je dan op speelt, zeg maar.’

Wij vinden het muzikale aspect belang­rijk, andere orkesten dan weer minder

Het Wilhelmus

Ja, precies. Een urinoir. En op dat urinoir gaan jullie het land door. Maar hoe vind je boven de rivieren een dweilband? Ik bedoel, in de carnavalsstreken struikel je erover als je ’s ochtends naar de supermarkt gaat, maar ik kan me voorstellen dat het in Sassenheim een ander verhaal is. Hebben jullie ergens auditie moeten doen? Jordy plukt een beetje aan zijn kin en gaat er eens voor verzitten. ‘We zaten allemaal eigenlijk bij dezelfde marching band, hier. Waar deze kantine ook voor is.’

Even voor mij: wat is het verschil?

‘De muziek. Het repertoire van een dweilorkest is, laten we zeggen, van carnaval tot top 40-muziek. Met zo’n marching band speel je wel statigere dingen, of zo.’

Zoals? Het volkslied?

‘Onder andere.’

En daar hadden jullie het wel mee gezien, na de vijftiende keer Wilhelmus van Nassauen?

‘Nee, we spelen nog steeds bij de marching band. We waren er niet op uitgekeken, maar we wilden daarnaast ook in een andere stijl gaan spelen.’

En direct dan ook maar gewoon naar het NK?

‘Nee joh, we zijn begonnen in achtertuinen. Op feestjes, snap je? Voor vrienden, familie. Maar dat is alweer twaalf, dertien jaar geleden. Heel erg knullig hoe we dat deden. Maar ja, als je dan ziet wat je in dertien jaar aan groei doormaakt, en waar je dan nu ineens staat.’

De beste van Nederland.

‘Ja eh, we hebben afgelopen jaar goed gedraaid.’

Maar er zijn veel dweilorkesten in Nederland? Waar werken we mee? Een schatting?

‘Pakweg vijf honderd. De helft uit Noord-Brabant, de andere helft uit de rest van Nederland.’

Nou kom ik zelf uit Noord-Brabant, dus die dweilorkesten snap ik wel: al toeterend en heel veel drinkend door het dorp lopen, en kijken wie er het langst kan staan. Dat is leuk, maar in Sassenheim kijken ze daar dan toch een klein beetje van op, lijkt mij.

‘Wij moeten het wel meer hebben van verjaardagen en bruiloften. Daarnaast doen we ook wel veel festivals, hoor. Met een wedstrijdelement.’ En jullie winnen dat festival. Het NK.

‘Ja, wacht, er zijn een aantal festivals die zich het NK noemen. Wij hebben er een aantal die we graag afgaan, omdat daar ook de andere toppers vaak langskomen.’

Te weten? Wie zijn de geduchte concurrenten van De Feesttoeters?

‘Die zitten door het hele land. Het hangt er ook vanaf wat je wilt. Wij vinden het muzikale aspect belangrijk, andere orkesten dan weer minder.’

Pardon?

‘Qua publieksvermaak zijn De Uutlopers uit Sneek wel echt top, hoor. Die zijn heel erg gefocust op het vermaken van het publiek, maar minder op de muziek. En afgelopen jaar werden geloof ik De Flierefluiters tweede, achter ons. En daar weer achter Toontje Ongeregeld, geloof ik. Of de Diezeblaozers, natuurlijk.’

Dus De Feesttoeters, De Flierefluiters, de Diezeblaozers en Toontje Ongeregeld. Dat is wel een beetje de crème de la crème van de dweilorkesterij? En nu? Nu jullie daar de lijstaanvoerders van zijn, wat valt er nog te wensen? Het WK dweilen in Argentinië?

‘Ik denk niet dat dat bestaat, maar een groot sportevenement zou natuurlijk wel echt prachtig zijn. Het IOC mag altijd bellen.’ 

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws