Premium

De man die high achter het stuur zat

In het beklaagdenbankje uw wekelijkse portie winkeldiefstal, huiselijk geweld en openbare dronkenschap. Deze keer meneer Ö., die daags na een flinke blowpartij toch gewoon weer achter het stuur kroop.
Illustratie verkeersbord

Het is vroeg in de middag als de bode alweer een volgende rechtszaak uitroept. Een paar seconden nadat hij de deur geopend heeft, komt de 25-jarige beklaagde meneer Ö. de rechtszaal binnen. Sommige mensen lopen boos, verontwaardigd en op hoge poten de zaal in, anderen sloffen binnen zoals ze dat al zo vaak gedaan hebben: een weinig onder de indruk. Meneer Ö lijkt vooral heel erg beteuterd te zijn.

Hij heeft zich netjes aangekleed. Zijn haren zijn keurig gekamd en hij heeft een wit overhemd aangetrokken, waaronder je nog net de randjes van zo’n ouderwets zweethemd doorheen kunt zien. Achter in de publieksbanken zijn zijn ouders aangeschoven. Als je de context even zou laten voor wat het is, zou je eerder denken dat ze vandaag op oudergesprek komen op Ö.’s middelbare school.

Maar toch zitten ze in de publieksbanken bij de politierechter, want hun zoon is aangehouden met 8,9 microgram THC in zijn bloed. Nou was dat op zich nog niet eens het grootste probleem, maar wel dat hij met al die THC in zijn systeem een eindje auto ging rijden.

Bloedonderzoek

De rechter kijkt Ö. eens onderzoekend aan. Een beetje zenuwachtig knijpt de verdachte zijn handen in elkaar in een poging zichzelf zo open mogelijk op te stellen.

‘Klopt dat, van die THC?’

‘Ja.’

‘Dat zou een bloedonderzoek ook hebben uitgewezen, toch?’

‘Ja, klopt.’

‘8,9 microgram, meneer Ö., dat is best veel. De grenswaarde is 3.’

Meneer Ö. knikt en gaat een keer verzitten en kijkt de rechter een beetje angstig in haar ogen. Dan schraapt hij zijn keel. ‘Ik begrijp het,’ sipt de beklaagde. ‘Maar ik had het niet tíjdens het rijden gedaan. Ja, van tevoren, dat wel: dat blowen was een dagje eerder. Ik had niet gedacht dat het nog in mijn bloed zou zitten.’

‘Een dag eerder had u geblowd?’

‘Ja. Een jointje.’

De rechter kijkt een keer in haar papieren, en dan nog een keer naar de beklaagde voor haar neus. Alsof ze de cijfers vergelijkt met een man die een dag voor zijn aanhouding één jointje gerookt heeft.

‘Gebruikte u veel, indertijd?’ vraagt ze daarna kalm.

Ö. knikt, maar zegt er meteen bij dat het tegenwoordig eigenlijk best wel heel erg goed gaat. Hij is al een half jaar gestopt met blowen.

‘Maar destijds regelmatig dus?’

‘Ja.’

‘En wat is regelmatig voor u? Want regelmatig is voor iedereen wat anders.’

Ö. zucht een keer. Achterin de banken luisteren zijn ouders onbewogen toe. Zijn vader heeft zijn moeders hand vast, die op haar rechterbovenbeen rust.

‘Dagelijks,’ gaat de beklaagde verder. ‘Ja, soms heb je natuurlijk weleens een dagje dat je het niet doet, maar meestal wel.’

Dat blowen was een dagje eerder. Ik had niet gedacht dat het nog in mijn bloed zou zitten

Dan bemoeit de advocaat van meneer Ö. zich ermee. Die legt uit dat zijn cliënt druk bezig is met het beteren van zijn leven: hij is inderdaad gestopt met het gebruiken van jointjes, en druk bezig met het zoeken van werk.

‘Hij, eh, nou ja, hij zou als dit voorbij is als koerier aan de slag kunnen, maar dat is natuurlijk hartstikke onhandig nu, omdat hem misschien wel boven het hoofd hangt dat hij zijn rijbewijs kwijtraakt.’

Terwijl de advocaat praat, zit Ö. er op zijn beteuterdst bij. Als de rechter, na de terzijde van de advocaat, naar Ö.’s persoonlijke leven vraagt, mompelt hij een beetje sip dat hij, vanwege het feit dat hij al heel vroeg vader werd, geen diploma’s heeft en dat zijn rijbewijs daarom heel erg belangrijk is.

‘Het blowen deed ik in een bepaalde periode, vanwege een verbroken relatie. Daarna is het allemaal een beetje misgegaan. Maar nu doe ik niets meer. Heb mijn vrienden, de jongens van toen, weggedaan. Sinds een tijdje heb ik ook een nieuwe vriendin en die is er ook behoorlijk tegen.’

‘Tegen blowen?’

‘Ja. Zij stimuleert dat ik me goed gedraag.’

Flinke straf

De rechter knikt, glimlacht en kijkt nog eens in de papieren. ‘Ja, goed,’ voegt ze er ten slotte aan toe. ‘Er hangt u natuurlijk ook nog, van eerdere vergelijkbare overtredingen, een boete van 200 euro boven het hoofd, die voorwaardelijk was, en waar we nu ook wat mee moeten.’

Ö. knikt. De rechter knikt terug. Dan is het de beurt aan de officier van justitie, die met zichzelf in conclaaf gaat tijdens zijn betoog. ‘Het punt is: Ö. is half februari ook al een keer opgepakt, voor een vergelijkbaar feit, uit ongeveer dezelfde periode – iets ná deze zaak, zelfs. Daar heeft hij inmiddels ook al straf voor gehad, maar als die twee zaken gevoegd behandeld waren, zou zijn straf dan aanzienlijk groter zijn?’

De officier denkt zelf van niet, maar eist voor meneer Ö. toch nog best een flinke straf: om te beginnen de boete die nog openstond. Daarnaast vindt hij dat een extra boete van 500 euro gepast zou zijn, waarvan 250 voorwaardelijk. En, eerlijk is eerlijk, vindt de officier: koeriersbaantje of niet, dat rijbewijs zou hij moeten inleveren.

Hoewel de advocaat van meneer Ö. nog met enig bravoure probeert tegen te werpen dat zijn cliënt heel goed bezig is, en dat zijn ouders er bovenop zitten om hem te corrigeren, lijkt de rechter er niet van onder de indruk. Ze luistert naar zijn verhaal en wacht tot hij gaat zitten. Dan besluit ze de boel af te hameren. Ze moppert nog een keer op de beklaagde dat het écht heel gevaarlijk is, maar dat ze, in het kader van zijn aantoonbare verbeterde leven, niet zijn rijbewijs onvoorwaardelijk zal afpakken.

Ö. stapt de rechtszaal uit met een boete van 750 euro, en een voorwaardelijke ontzegging van zijn rijbevoegdheid van een half jaar. En natuurlijk die 200 euro die nog openstond van de vorige keer.

Met samengeknepen handen schuifelen Ö.’s ouders achter hem aan naar buiten.

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws