Premium

‘Ik heb het niet zo op mensen’

Arjan Ederveen (63) zou op dit moment, samen met Jack Wouterse, in de theaters staan voor het laatste restje van zijn theatervoorstelling ZIN. Het coronavirus gooit echter roet in het eten. De alles­ kunner over het Swiebertje­effect van Theo & Thea, dat andere virus uit de jaren 80 en over ouder wor­den.
Arjan Ederveen

‘Het grote voordeel van ouder worden is dat ik mijn lul niet meer achterna loop.’

Zoekt u nog steeds de absurditeit op in de verhalen en scripts die u schrijft?

‘Als je me vraagt of ik standaard scenario’s schrijf, dan is het antwoord nee. Zo heb ik voor Theatergroep Amsterdam eens een voorstelling gemaakt over een schrijfster die beroemd was geworden met het schrijven van kinderboeken, maar daar op een dag ineens helemaal klaar mee was. Pinkeloentje, zoals het figuurtje heette, was verleden tijd. De schrijfster wilde plotseling alleen nog haar seksuele fantasieën aan het papier kwijt. Een leuk gegeven. Je kunt het zodoende over zowel die onschuldige kinderteksten als haar geile gedachten hebben. In mijn laatste show ZIN volg ik twee personages van de wieg tot aan het graf en nemen we het televisielandschap onder de loep. Centraal staat een kook- en praatprogramma, dat eerst helemaal wordt opgegossipt met alle roddel en achterklap van dien, om daarna snel te worden doorgeprikt. Als de camera uit gaat, zie je hoe het er werkelijk in de studio aan toegaat. Zelf lees ik vanwege mijn dyslexie vrijwel niets meer en wat betreft tv ben ik helemaal afgehaakt. In de tijd van Creatief met Kurk en Theo & Thea zag ik alles, om daar vervolgens in mijn eigen programma een parodie op te kunnen maken, van de nieuwste clips op MTV tot een af levering van Dynasty. Omdat afstandsbedieningen toen nog niet bestonden, zapte ik met een lange stok vanaf de bank. Vandaag de dag kan het me allemaal gestolen worden.’

Theo & Thea is uw persoonlijke Swiebertje-effect?

‘Tosca Niterink en ik zijn er misschien te laat mee gestopt. Hadden we dat eerder gedaan, dan was het niet in elk interview ter sprake blijven komen. Nu kan ik daar inmiddels prima mee omgaan, maar in de eerste jaren na het einde vond ik dat heel erg. We hadden het voor onszelf afgesloten, wilden nieuwe wegen bewandelen en werkten daar ook hard voor, maar kregen het steeds weer in het gezicht geworpen. Het programma was razendsnel populair geworden. Een paar weken na de start vertelden kijkers ons al dat ze ons thuis nadeden. Ouders vonden het vaak maar niks, jongeren daardoor des te meer. We bespraken alles en brachten dat ook allemaal vrij letterlijk in beeld. Tot op de dag van vandaag word ik erop aangesproken.’

Tegenwoordig snijdt u een meer serieuzere toon aan. Op toneel zegt u: ‘Mijn mooiste dood is een hartaanval, dan ben je tenminste in één klap weg.’

‘Dat is toch ook zo? Ik ben overigens niet heel erg met de dood bezig, maar vraag me soms wel af hoe ik moet omgaan met het proces van ouder worden. Dat is waar ik nu aan ben begonnen. Afbouwen, afronden, minder toneelspelen en vaker naar mijn huisje in Friesland om te tuinieren. Ik vind het heerlijk om met mijn handen in de grond te wroeten, maar denk tegelijkertijd: is dit het dan? Blijft dit over in de vijftien à twintig jaar die ik nog heb? Tja, waarschijnlijk wel, ja.’

Je wilt op je vijftigste het roer wel omgooi­en, maar uiteindelijk doe je het niet. Dat soort idealen zijn rea­listischer als je twintig of dertig bent

Dat klinkt als een kleine midlifecrisis.

‘Die heb ik reeds achter de rug. Het begon rond m’n vijftigste en had met name met mijn fysieke gestel te maken. Een fase waarin je merkt dat je energie omlaag gaat en je de kracht niet meer hebt om dingen echt door te zetten. Je wilt het roer wel omgooien, alle schepen achter je verbranden en ergens anders helemaal opnieuw beginnen, maar uiteindelijk doe je het niet. Zo ging dat bij mij, tenminste. Dat soort idealen zijn realistischer als je twintig of dertig bent, maar niet meer als je de vijftig eenmaal gepasseerd bent. In mijn jonge jaren overwoog ik nog om voor de liefde naar Amerika te emigreren, maar ik ben al snel weer teruggekeerd. In Nederland was voor mij toch een betere boterham te verdienen en het idee dat ik mijn familie in de steek moest laten kon ik niet aan. Met name mijn zieke broer, die mij een groot geheim had toevertrouwd, kon ik niet laten stikken.’

Welk geheim?

‘Dat hij besmet was geraakt met hiv en aids. Het gebeurde net in die hele ziekteperiode van de jaren 80, waarin je bij een griepje al dacht: oké, nu heb ik het dus ook! Iedereen dacht dat en veel mensen stierven ook op jonge leeftijd. Op een gegeven moment was er elke week wel ergens een begrafenis, het hield maar niet op. Wat dat betreft valt die midlifecrisis op latere leeftijd wel mee. Als je zo’n heftige periode hebt overleefd, kun je daarna alles aan. Mijn broer nam mij, vlak na te zijn geïnfecteerd, in vertrouwen, maar drukte me meteen op het hart het met niemand anders te bespreken. Een boodschap die ik zeer serieus nam, aangezien mensen je in die tijd nog meden als ze wisten dat je het had. Men durfde je haast niet aan te raken uit angst het zelf ook te krijgen. Alles wat we nu weten, was toen nog een groot, grijs gebied. Ik besloot zijn wens te respecteren en deed alsof het nooit was gezegd en niet bestond. We deelden zijn geheim, maar het bleef onbesproken. Op de wat langere termijn zorgde dat voor spanningen en daar viel hij me ook op aan. Uit de gedachte het goede te willen doen, deed ik alsof mijn neus bloedde, maar mijn broer interpreteerde dat alsof ik hem liet vallen. Die miscommunicatie heeft ons beiden heel veel pijn gedaan. Ik ben zelfs eens letterlijk in elkaar gezakt, omdat ik het allemaal niet meer aankon.’

Hebben jullie het ooit goed uitgesproken?

‘Wetende dat hij binnen een jaar of twee dood zou gaan, zijn we uiteindelijk in therapie gegaan. Daar heb ik geleerd om met mijn emoties om te gaan in plaats van ze op te kroppen. Die leerzame sessies samen voelden heel bevrijdend. Doodeng om aan te beginnen, fantastisch om er beter uit te komen. Voor zijn overlijden zijn we daardoor, godzijdank, toch nog met elkaar in het reine gekomen.’

Hoe was het om al zo jong zo vaak met de dood te worden geconfronteerd?

‘Het maakt je snel volwassen, maar ook bang. Toen de artsen mijn broer zijn doodvonnis gaven, want dat was het toen nog, stak ik liever mijn kop in het zand. Ik hoefde echt niet te weten of ik het ook had en durfde pas voor het eerst een test aan nadat er in de jaren 90 medicijnen op de markt waren gekomen. We zijn hiv en aids een beetje als de nieuwe suikerziekte gaan zien, maar in Afrika gaan er nog steeds mensen aan dood, simpelweg omdat de meesten daar niet de medicijnen kunnen krijgen die we in het rijke Westen wel beschikbaar hebben. Mijn test had overigens een negatieve uitslag: ik ben kerngezond.’

Uw andere broer is ook overleden...

‘Hij stierf aan een zeldzame bloedziekte die hij op had gelopen door zich ergens aan te krassen, waarmee het virus werd binnengelaten. Het viel zijn bloedlichaampjes aan, wat hem uiteindelijk fataal werd. Toen hij stierf ben ik naar huis gegaan, in bad gaan zitten en keihard gaan gillen. De volgende klap volgde kort daarna, toen we in de auto naar zijn begrafenis zaten. Halverwege de rit vroeg mijn vader ineens: “Waar gaan we eigenlijk naartoe?” Ik begreep er niets van. Hier klopte iets niet. Later bleek hij alzheimer te hebben, dat langzaamaan steeds erger werd. Hij wist op een gegeven moment niet eens meer wie ik was. In mijn ogen zag hij nog wel iets dat hij herkende, maar hij kon er niet uit opmaken of ik nu zijn vader, broer of zoon was. Mijn moeder leeft nog wel. Ze is 95 en heeft last van ouderdomsdementie dat haar kortetermijngeheugen aantast. Opmerkingen gaan bij haar het ene oor in en het andere meteen weer uit. Als ik gedag zeg en in de lift naar beneden sta, is ze alweer vergeten dat ik überhaupt ben geweest.’

Heeft u zelf ooit vader willen worden?

‘Tijdens die hele aidsperiode wilde een lieve vriendin van me het wel, maar ik kon haar daar niet bij helpen. Ik wilde me immers niet laten testen en wist dus ook niet of ik het virus onder de leden had. Begin negentiger jaren hebben mijn man Howie en ik nog weleens over adoptie gesproken, maar ook daar kwam nooit een klap op. Achteraf maar goed ook, want ik zou de verantwoordelijkheid over een kind ook helemaal niet kunnen dragen. Voor vrienden met hun rijkelijke gezinnen ben ik volgens mij best een leuke oppasoom. Ook voor de mensen die met mij in de jaren 70 in een antikraakpand in Amsterdam leefden, maar verhuisden om gezinnen te stichten. Howie en ik wonen er nog wel steeds en willen er nooit meer weg. Al moeten ze me aanklagen, ik blijf zitten. We hebben ieder onze eigen verdieping, leven volgens de wetten van een open relatie en doen zelfstandig ons ding.’

Dat gaat goed?

‘Omdat we al zo lang samen zijn en zoveel hoogte- en dieptepunten hebben meegemaakt, weten we dat goed organisch te doen. We vinden het heerlijk om samen op te fietsen, maar ook om zo nu en dan wat verder uit elkaar te rijden. Howie is de liefde van mijn leven waarmee ik ontzettend veel geluk heb gehad. Zoals met eigenlijk alles in het leven. Mijn werk bevalt me, ik woon fijn, heb een aantal vaste waardes en dat maakt het tot een zeer prettige bubbel waarin ik leef. Je moet ervoor zorgen dat je dat creëert en daarbij angst buiten laat, al moet ik zeggen dat ik sowieso niet snel bang voor dingen ben. Helemaal niet sinds mijn turbulente jongere jaren. Een slechte eigenschap misschien, maar je zorgen maken om iets wat eventueel een keer zou kunnen gebeuren is onzinnig. Amerikanen zijn daar heel goed in. Die arme mensen zitten elkaar de hele dag alleen maar op te fokken. Nog een goede reden waarom die emigratie er destijds nooit van is gekomen.’

Heeft u alles gedaan wat God verboden heeft?

‘Absoluut! Vooral qua seks heb ik al het denkbare gedaan. Zaken die ik nooit en te nimmer mijn moeder zou vertellen. Wanneer je niets uit de weg gaat, doe je veel ervaringen op, maar kom je uiteindelijk ook op een punt dat je het allemaal wel een beetje gezien hebt. Het grote voordeel van ouder worden is dat ik mijn lul niet meer achterna loop. Bijkomend voordeel: het levert je een hoop extra tijd op om in andere zaken te steken. Niet alleen kom ik daardoor meer toe aan mijn tuintje, ook mijn hondjes kan ik volop de aandacht geven. Tijdens mijn voorstellingen lopen ze ook gewoon over het toneel en als ze zin hebben de zaal in. Wat kan mij dat nou schelen? Mijn hondjes komen bij mij op plek één, nog voor Howie. Ze zijn trouw en stellen geen lastige vragen. Ik ben meer dan tevreden met mijn relatie, maar beesten vind ik uiteindelijk toch makkelijker om mee om te gaan. Ik heb het niet zo op mensen. Ze willen altijd iets van je of de een begrijpt de ander niet. Omdat ik deel uitmaak van dezelfde roedel kan ik niet zonder ze, maar het liefst mijd ik ze zoveel mogelijk. Of ik observeer ze van een afstandje. Daar ben ik wel weer heel goed in en het is handig voor mijn werk. Gaat het echter ten koste van mijn vrije tijd, dan ben ik een vrij introvert type.’

Bent u nog met nieuw werk bezig?

‘Er staan wat tv-pilots op het vuur, maar ik weet niet of ze er ook komen. Besluitvorming bij televisie gaat tegenwoordig langs zoveel schijven, dat ik op het punt dreig te komen waarop ik zeg: jongens, zoek het uit, ik ben er klaar mee. Vroeger stapte je met een A4’tje bij de VPRO naar binnen, en zeiden ze met een beetje geluk: “Leuk idee, ga maar maken.” De eerste keer dat dat gebeurde, leverde ik samen met Kees Prins een idee in. Na afloop zaten we, zwevend van geluk, in de trein terug naar huis. Hondsbrutale jonge honden waren we en tien jaar lang ging dat ook goed. Tot ik bedacht dat er meer was in het leven. Ik wil niet alleen maar die komiek of cabaretman zijn. Een ecologisch tuinprogramma dat ik voorstelde en enorm afweek van alles daarvoor, kreeg groen licht, maar sloeg bij de kijker totaal niet aan. Midden in de zomer om 19.00 uur was het te zien, terwijl de doelgroep niet voor de tv, maar in hun eigen tuin zat. Niemand keek, het mislukte en alles hield op.’

Howie is de liefde van mijn leven. We vinden het heerlijk om samen op te fietsen, maar ook om zo nu en dan wat ver­ der uit elkaar te rijden

U wilde niet in een hokje geplaatst worden?

‘Ik vond het altijd belangrijk om in mijn carrière een zo breed mogelijk scala te hebben. Ik had altijd verschillende werkkringen, zodat ik nergens aan vastgepind kon worden. Deel uitmaken van een stal, zoals die van Joop van den Ende, wilde ik niet. Ik moest en zou zelfstandig creëren en uitvoeren. Een beetje schrijven hier, scenariootjes maken daar, rondneuzen bij zowel de commerciële als de artistieke hoek, of rondwandelen in de filmbusiness. Ik ben zelfs nog een tijdje musicalland in gestapt, was ik ineens een echte musicalster. Daar heb ik erg van genoten, ondanks het harde werken, de zeven shows per week en het continu klaar moeten staan voor allerlei publiciteitsellende.’

Wat vond u daar vervelend aan?

‘Ik voelde me na afloop altijd zo leeggezogen. Ik vind het niet erg om mezelf bloot te geven, te laten zien wie ik ben en uit te leggen hoe ik over dingen nadenk, maar soms wordt het wat te veel. Honderd keer hetzelfde verhaal vertellen aan steeds weer een andere journalist, en ondertussen maar blijven glimlachen. Na een première van mijn eigen voorstelling ben ik daarom ook meteen weg. Ik hou heus wel van gezelligheid, maar dan in de vorm van koken met vrienden. Niet om, net nadat je je show hebt uitgekakt en bent afgeschminkt, twintig veren te krijgen toegestopt op een feestje. Daar heb ik echt geen zin in. Toch zijn dat soort momenten nog altijd minder erg dan te worden aangeklampt in de supermarkt door iemand die even met je op de foto wil. Vaak hangen ze dan ook meteen al met hun arm om m’n nek en er is altijd wel zo’n typische kutvriendin die ook wil, maar spontaan de camera niet aan de praat krijgt. Met een beetje pech ben je daar dan dus een paar minuten zoet mee. Beseffen die mensen niet dat ik ook nog mijn eigen leven heb? Ik ben gelukkig geen klassieke BN’er, want dan ben je echt de lul. Van die types die meedoen aan allerlei spelletjesprogramma’s of werkelijk overal op reageren. Ik heb het ook nooit opgezocht of nodig gehad. Laat mij maar lekker zelfstandig blijven.’

Welk triviaal feitje over u zou in de gemiddelde glossy niet misstaan?

‘Ik ben kleurenblind in de categorie waarin het lastig is om rood en groen en paars en blauw van elkaar te onderscheiden. Na de middelbare school wilde ik decorontwerper worden en verzweeg ik mijn aandoening. Het bleek uiteindelijk toch te veel in de weg te zitten. Daarop deed ik auditie voor verschillende toneelscholen en dat ging wel goed. Acteren zonder kleur is natuurlijk best te doen. Mijn neef gaf me voor mijn verjaardag eens zo’n speciale kleurenbril cadeau, maar ik had niet het idee dat deze me de wereld liet zien zoals anderen hem ervaren. Kleuren waren wat feller opgelicht, een beetje zoals in de film La La Land, maar meer ook niet. Kleurenblindheid, hoe leg je dat nu precies uit? Ik zou het niet kunnen, simpelweg omdat ik sommige nooit goed heb gezien of dat ooit zal doen.’

NIEUWE REVU ONTMOET ARJAN EDERVEEN

Waar? In De Kleine Komedie, sinds 1786 uitkijkend over de Amstel en grenzend aan het Rembrandtplein. Ederveen noemt het ‘de baby-schouwburg van Amsterdam’, ook
al is het het oudste theater van de stad. Wanneer? In pre-coronatijd, toen theatervoorstellingen bezoeken met meer dan honderd man nog de normaalste zaak van de wereld was. Verder nog wat? Ederveen heeft zijn hondje bij zich, zoals altijd en overal. Steeds wanneer we de diepte proberen in te gaan, komt de kleine rakker kwispelend om aandacht vragen. De acteur heeft er al heel wat in zijn leven gehad en ieder met een opvallende naam: Coby, Stuk, Blaf en Maggy.

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws