Premium

‘Onze opoffering was enorm’

De Nederlandse Lucy Hanson (90) groeide op in het Hilversum van de Tweede Wereldoorlog. De Amerikaan Richard Bushong (96) vloog er met zijn B-17-bommenwerper talloze malen overheen. In Arizona, waar ze nu beiden wonen, halen ze herinneringen op aan de oorlog.

Richard Bushong

‘Op Nederland heb ik nooit bommen geworpen. Wel voedsel, tegen het einde van de oorlog. De mensen gingen kapot van de honger.’

Het geluid van de bommenwerpers, dat is iets dat de 90-jarige Lucy Hanson zich nog heel helder herinnert van de oorlog. Dat zware gebrom als de B-17’s vanuit Engeland richting Duitsland in formatie overvlogen. De tientallen vliegtuigen boezemden haar angst in; vanaf de grond werd er door de Duitse bezetter op geschoten, dus was er altijd de mogelijkheid dat een van die vliegtuigen volgeladen met bommen zou neerstorten op haar ouderlijk huis.

Lucy Hanson, geboren als Lucia Wortel, was 11 jaar oud toen in mei 1940 de nazi’s Nederland binnenvielen.HaarfamiliewoondeinHilversum, wat als mediacentrum van het land belangrijk was voor de bezetter. De nazi’s namen de stad over en sloten direct iedereen in Nederland af van informatie. De radio was op dat moment de levenslijn naar de buitenwereld – zonder internet of televisie was dit het medium waarvandaan nieuws en muziek je huiskamer in kon stromen. ‘Nadat de Duitsers waren binnengevallen, was het enige dat we op de radio te horen kregen al die traditionele Duitse liederen,’ vertelt Hanson in de woonkamer van haar huis in de stad Prescott in het noordelijke deel van de staat Arizona.

Lucy Hanson.

Andere toegang tot muziek hadden ze niet, vertelt Hanson. Een platenspeler had de familie niet thuis, laat staan dat je een album kon streamen via Spotify.

Haar moeder zong de kinderen voor uit het boek Kun Je Nog Zingen, Zing Dan Mee, een verzameling van Nederlandse liederen die voor het eerst werd uitgebracht in 1906. Daarmee bracht de familie de avonden door, zittend bij het schamele licht van een kaarsje. Want tijdens de bezetting gold in Nederland de verplichte verduistering: vanuit geen enkel raam mocht elektrisch licht naar buiten toe ontsnappen, om op die manier te voorkomen dat de geallieerden in hun bommenwerpers zich onderweg naar Duitsland konden oriënteren op de lichtvlekken van steden. Ook gps bestond nog niet.

Terwijl Hanson nog eens koffie en thee inschenkt, waar op z’n Hollands een plakje cake bij wordt geserveerd, wijst ze op de theemuts die ze gebruikt – het is een product dat men in Amerika niet kent. Ook al woont Hanson sinds de jaren 60 in de Verenigde Staten, ze heeft de Nederlandse cultuur nooit van zich afgeworpen. Dat is ook goed te zien aan de inrichting van haar huis: aan de muur hangt een bord beschilderd met Delfts blauw naast een houtsnijwerk van een molen, de badkamer is opgesierd met een foto van het raadhuis van Hilversum, ontworpen door Dudok in diens typische blokstijl – waarvan de bouw in 1931 werd voltooid, waarmee het raadhuis slechts twee jaar jonger is dan Hanson zelf.

Het vliegende fort

In een van de vliegtuigen die Hanson als kind diep brommend hoorde overvliegen, moet de Amerikaan Richard Bushong hebben gezeten. De nu 96-jarige veteraan vertelt hoe hij 28 keer als jonge co-piloot in een missie vloog, over Nederland naar Duitsland, om daar doelwitten te bombarderen. Nooit kwam hij terug van zulke vluchten zonder dat er schade was aan de romp, vanwege de luchtafweer van de nazi’s. ‘Altijd waren er gaten. Altijd,’ vertelt Bushong. ‘Wanneer we terugkwamen in Engeland dichtten we al die gaten en dan konden we er weer tegenaan. Maar het goede nieuws was dat we altijd terugkwamen. Soms met een noodlanding, dat wel, maar we kwamen terug.’

In de woestijn van het lagergelegen zuidelijke deel van Arizona is Bushong als vrijwilliger betrokken bij het plaatselijke museum voor lucht- en ruimtevaart. Veteraan Bushong is opmerkelijk kwiek voor zijn leeftijd, volgens hemzelf is het geheim voor een gezonde oude dag ervoor te zorgen dat je een jonge vriendin hebt. ‘Die van mij is pas 94.’

Mijn moeder kon alles. Het waren de vrouwen die de oorlog hebben gewonnen

Het museum is een onderdeel van de Boneyard, waar afgedankte vliegtuigen van het Amerikaanse leger worden gestald. In de droogte van de woestijn, waar de luchtvochtigheid extreem laag is – in de zomers soms zelfs maar 20 procent – is er geen zorg dat het metaal van de vliegtuigen zou gaan roesten. Vanuit de lucht zijn de rijen en rijen vliegtuigen die hier staan goed zichtbaar. De B-17 bommenwerper waarin Bushong vloog, was een vliegtuig met vier motoren met een bemanning van tien man, gemaakt door producent Boeing. Het prototype vloog zijn eerste testvlucht in 1935 en werd grootschalig ingezet tijdens de oorlog. Een van de kwaliteiten van de B-17 was dat het ook met beschadigingen nog stabiel in de lucht bleef. Het vliegtuig wordt ook wel het vliegende fort genoemd, omdat er zoveel wapens in verwerkt waren. Bushong: ‘En niet omdat het materiaal zo sterk was dat het de kogels tegenhield. Die gingen er dwars doorheen.’

Naast de duizenden kilo’s aan bommen waren er ook twaalf machinegeweren aan boord, met een .50-kaliber. De openingen in de romp waar de machinegeweren uit naar buiten staken, zorgden ervoor dat buitenlucht het vliegtuig in stroomde, waardoor het er binnen tijdens de vlucht altijd ijzig koud was.

Bevroren boterham

Door een fikse voedselvergiftiging miste Bushong zijn eerste missie, half december 1943. Terwijl hij in het ziekenhuis lag, ging de rest van zijn team wel. Het vliegtuig werd neergehaald, een maand later zou Bushong horen dat de bemanning krijgsgevangen was genomen door de nazi’s. Een van hen zou hij na de oorlog nog eens zien. Zelf vloog Bushong zijn eerste missie op 30 december 1943: een bombardement met als doelwit een fabriek voor elektronica van Bosch, in de buitenwijken van Berlijn. Hij stond om 03.30 uur op, at zijn ontbijt en begon te vliegen. Na drie uur in de lucht kreeg hij honger en probeerde te eten: boterham uitpakken, zuurstofmasker af, hap nemen, zuurstofmasker weer op. ‘Zodra het eten in mijn mond was, merkte ik dat het bevroren was en zo hard als beton. Dat was de laatste keer dat ik at tijdens alle missies die ik heb uitgevoerd.’ Tijdens dat eerste bombardement werden de bommenwerpers aangevallen, door honderden vijandige vliegtuigen. Er werd geschoten in de lucht. Uiteindelijk lukte het de nazi’s om 69 bommenwerpers neer te schieten die dag, met ieder tien man aan boord. Bushong zag ze om zich heen neerstorten. ‘Het was een enorm beangstigende dag.’

Het goede nieuws was dat we altijd terug­ kwamen. Soms met een nood­ landing, dat wel, maar we kwamen terug

Het was veiliger om ’s nachts te vliegen voor bombardementen. Daarmee kon je voorkomen dat de nazi’s de achtervolging zouden inzetten of dat de luchtafweer gericht op de vliegtuigen kon schieten. De Britten vlogen dan ook meestal ’s nachts, vertelt Bushong. ‘Ze bombardeerden steden, die kon je ’s nachts ook nog zien liggen. Voor ons was dat anders. Wij deden het precisiewerk, waarbij we bijvoorbeeld een dam probeerden te raken. Dat kan alleen overdag.’

Eenmaal in het luchtruim van Nederland, waar Bushong vanuit zijn raam de Zuiderzee zag liggen die gebruikt werd voor de navigatie, was er na iedere missie een gevoel van opluchting. ‘Nederland was ons daarom zeer dierbaar,’ vertelt Bushong. Ook daar konden ze nog beschoten worden, maar de luchtafweer was veel minder sterk dan in Duitsland.

Deportatietrein

Voor de oorlog woonden er ongeveer zeshonderd Joodse families en nog een geschatte duizend gevluchte Joden in Hilversum – een aantal waar er na de oorlog nog maar ongeveer tweehonderd van over waren. Als jong meisje kreeg Lucy Hanson van de Jodenvervolging maar weinig mee, vertelt ze, behalve dat ze nog weet dat de Joden vanaf mei 1942 allemaal gele Jodensterren op hun kleren moesten dragen, waarmee ze op straat herkenbaar waren als verschoppeling van de samenleving. Hanson, die in hetzelfde jaar is geboren als Anne Frank, heeft wel een hele duidelijke herinnering aan een trein die Hilversum op een dag aandeed. Achteraf gezien moet het een deportatietrein zijn geweest. In Hilversum ging die dag het gerucht dat er een speciale trein zou stoppen, met mensen die naar Duitsland werden gebracht. Uit nieuwsgierigheid liep Hanson naar het station om te kijken. Ze zag de trein met veewagons die aan het perron stilstond. De schuifdeuren waren open en daar staken allemaal handen uit van bedelende Joden. Van haar moeder had Hanson een boterham meegekregen, die ze maar aan iemand moest geven als ze zelf vond dat die het harder nodig had dan zijzelf. Bij de schuifdeuren aangekomen zag ze dat dat zeker zo was: de mensen stonden op elkaar gepakt in de veewagon en ze waren allemaal broodmager, met holle, ingevallen ogen in de kassen. Hun armen staken gretig naar buiten, beangstigend dun en uitgemergeld. ‘Onderweg had ik gedacht die heerlijke boterham zelf op te eten,’ vertelt Hanson. ‘Ik had er al de hele tijd over gefantaseerd. Maar toen ik hen zag, was het duidelijk dat ik ’m weg moest geven.’

Honger en de zoektocht naar voedsel waren voor de familie Hanson belangrijke onderwerpen in de jaren van de oorlog. De havens werden geblokkeerd, waardoor er onder andere geen rijst vanuit Indonesië meer Nederland binnengebracht kon worden. Overal liepen de tekorten snel op. Er was geen elektriciteit en gas; alleen in de ochtend en avond kwam er stromend water uit de kraan. Een van de manieren waarop de familie overleefde, was doordat de vader een stuk land had buiten de stad waarop hij aardappelen en groente verbouwde. ‘De honger, dat was het ergste van de hele oorlog,’ zegt Hanson erover.

Hansons moeder had vriendschap gesloten met boeren aan de andere kant van de IJssel, waar ze soms naartoe ging om eten te kopen – waarbij ze zilveren sieraden gebruikte als betaling. Zo kocht de moeder haver, wat thuis verwerkt kon worden tot meel of havermout, waar dan met wat water pannenkoeken van gebakken werden, die ze plattertjes noemden. Met gekookte suikerbiet werd dat zoet gemaakt. Bij die tochten naar de boeren was de moeder een dag of vijf weg, op een fiets waarvan de rubberbanden allang weggesleten waren, van Hilversum naar Zwolle en vanaf daar verder. Op de grote weg moest ze opletten, aangezien de Britten schoten op alles dat bewoog. Onderweg sliep ze in hooibergen. ‘Er waren soms aardige boeren, die zeiden dat ze in de stal mocht liggen,’ vertelt Hanson. ‘Mijn moeder kon alles. Het waren de vrouwen die de oorlog hebben gewonnen. We waren altijd zo blij wanneer ze weer thuiskwam. We waren zo angstig dat ze niet terug zou komen. De oorlog liep op zijn eind en dan hoorden we iedere nacht honderden vliegtuigen overvliegen.’

Hongerwinter

Wanneer hij in het museum een Frans gezin aan z’n lippen heeft hangen, leeft Bushong helemaal op. Hij vertelt onvermoeibaar opnieuw zijn levensverhaal, de verschillende anekdotes over de missies die hij heeft uitgevoerd. Zodra de Fransen zijn doorgelopen verzucht hij dat het soms wel pijnlijk is dat de jonge generaties maar weinig weten over de oorlog. ‘Onze opoffering was zo enorm. Het was zo belangrijk voor de Verenigde Staten dat we dit hebben gedaan. Voor de hele wereld.’

Maar Bushong mijmert niet lang en gaat weer door met zijn verhaal. ‘Op Nederland heb ik nooit bommen geworpen. Mijn groep wierp daar wel voedsel naar beneden, maar daar was ik niet meer bij. Dat was tegen het einde van de oorlog. De mensen in het gebied rondom Amsterdam gingen kapot van de honger. Ze maakten dan afspraken met de Duitsers – want de oorlog was nog gaande – dat ze niet zouden schieten wanneer de vliegtuigen op lage hoogte overkwamen om voedseldroppings te doen. Het waren producten die de val aankonden.’

Aandenkens aan de oorlog.

Tijdens die laatste winter van de oorlog waren de tekorten in het bezette Nederland zo enorm, dat we het nog altijd herinneren als de Hongerwinter. In het najaar van 1944 was er de hoop dat Nederland al voor de winter bevrijd zou zijn: de geallieerden waren op D-Day, op 6 juni 1944, al geland in het Franse Normandië, vanaf waar zij ook naar Nederland zouden trekken. In september werd op Dolle Dinsdag gevierd dat de oorlog voorbij was, maar daarna moest de Hongerwinter nog beginnen. Het zou nog tot mei 1945 duren tot de vrijheid kwam. De meeste Nederlanders hadden als verwarming een potkachel in de woonkamer, waar hout in opgestookt kon worden. Daar bracht de familie Hanson de koude winteravonden door. Lucy ging met haar opa naar het Spanderswoud om takken te sprokkelen en bomen om te hakken. Haar vader kon niet mee, want een man van zijn leeftijd kon opgepakt worden en naar Duitsland gestuurd als dwangarbeider.

Die laatste winter begon het hout van de bomen echter op te raken, omdat de inwoners uit de buurt vrijwel het hele bos hadden gekapt. Het alternatief was om bielzen uit de spoorlijnen in de omgeving te slopen. Vrijwel alle treintoestellen waren toch al naar Duitsland gebracht, waardoor het spoor niet meer gebruikt werd. De ondergrondse had dan de spoorbielzen al losgemaakt, zodat de families deze konden meenemen. Als er sneeuw lag, brachten ze de zware bielzen met een slee naar huis. Thuis moest de pijp van de potkachel extra vaak schoongemaakt worden doordat de geïmpregneerde bielzen nogal wat roetaanslag gaven. Maar het was in ieder geval warm in huis.

Niemand die op me schoot

Hanson herinnert zich de voedseldroppings goed. De B-17’s kwamen brullend laag over, herinnert ze zich, veel lager dan met de bombardementen. Via de ondergrondse was bekend dat er droppings gepland stonden, en dan ging Hanson naar de heide tussen Hilversum en Bussum toe, waar een groot wit kruis van kalk was gemaakt als doelwit. ‘Ze kwamen zo laag over dat je de mannen in het vliegtuig kon zien zitten. Je zag de deuren opengaan en daar kwam van alles uit. We stonden samen te juichen. We waren zo blij: er kwam eten.’

Richard Bushong.

Volgens Bushong konden de vliegeniers vanuit de lucht zien hoe blij iedereen was. ‘Het was een historische gelegenheid om die vluchten te maken en voedseldroppings te doen. Daar waren kinderen van wie de ribben in hun huid zichtbaar waren, zo mager.’

Intussen was hij zelf na zijn 28 missies in 1944 al teruggekeerd naar de Verenigde Staten, waar hij een baan had gekregen bij vliegtuigbouwer Boeing, die op dat moment druk was om de B-29 door te ontwikkelen. Deze bommenwerper, ook uitgevoerd met vier motoren met een bemanning van tien man, was de opvolger van de B-17. Het zou ook het vliegtuig worden waarmee uiteindelijk de twee atoombommen op Hiroshima en Nagasaki zijn afgeworpen. Bushong werd testpiloot voor Boeing, waarbij hij vluchten uitvoerde met de B-29 en daarbij zocht naar fouten in het ontwerp. ‘Het was geweldige baan,’ zegt hij. ‘Ik kon de hele dag vliegen en er was niemand die op me schoot. Vooral dat laatste vond ik erg fijn.’

Dikke J

Nu Hanson in de VS woont, maakt ze zich nog altijd hard voor de vrijheid. De herinnering aan de Duitse bezetters, die in hun grijze uniformen door de straten liepen en iedereen afblaften, maakt haar nog steeds boos. ‘Ze waren zo hooghartig. Het verkozen volk’

Hitler kon zo makkelijk Nederland binnenvallen omdat er geen wapens waren. Als mijn vader een geweer had gehad, had hij echt wel een Duitser neergeschoten

In Amerika ziet ze, net als veel inwoners van Arizona, de macht van het verafgelegen Washington DC als een bedreiging. De centralisatie van de macht vindt ze zo dreigend dat ze als een trotse Amerikaanse naar de vertegenwoordiger van Arizona in het Congres is toegestapt om die haar persoonsbewijs uit de oorlog te laten zien: een boekje dat het Nederlandse oorlogskabinet in 1941 onder druk van de nazi’s liet maken. Hierin stonden alle persoonsgegevens van burgers; later in het jaar werd daar ook een dikke J aan toegevoegd als iemand Joods was. Nederlanders moesten dit boekje altijd bij zich dragen en konden op straat gearresteerd worden als ze het niet bij zich hadden.

Voor Hanson staat dat persoonsbewijs symbool voor de dreiging die altijd overal ter wereld bestaat: dat de vrijheid van mensen zal worden beknot. Amerika staat voor haar juist symbool voor de vrijheid, het is het land waar iedereen van over de hele wereld naartoe is getrokken om te ontsnappen aan de onderdrukking door overheden. Hanson hangt dan ook dat andere typisch Amerikaanse standpunt aan: iedereen moet de vrijheid hebben om wapens te mogen dragen, zoals dat is beschreven in het Tweede Amendement. ‘Het was voor Hitler zo makkelijk om Nederland binnen te vallen omdat er geen wapens waren. Het leger was klein en verder kon niemand iets doen,’ zegt ze. ‘Als mijn vader een geweer had gehad, had hij echt wel een Duitser neergeschoten. Dat doe je toch, als er vreemden in je land zijn?’

Daarom is de Nederlandse een fervent voorvechter van die Amerikaanse verworvenheden, waar wij vanuit Nederland soms toch met een opgetrokken wenkbrauw naar kijken. Haar favoriete politieke partij: de Republikeinse partij, helemaal nu onder leiding van president Donald Trump. Het is een man naar haar hart, die het gevecht met de almaar uitdijende bureaucratie in Washington is aangegaan.

We drinken onze derde en laatste kop thee. Vanaf de eettafel is het uitzicht naar de dennenbomen buiten bijzonder, hier is ruimte zoals je dat in Nederland niet kent. Lichte sneeuw dwarrelt op het dakterras, het weerbericht voorspelt een sneeuwstorm later die dag. Het wordt tijd om af te dalen van het op bijna twee kilometer hoogte gelegen Prescott naar de zuidelijke woestijn, waar de zon altijd schijnt.

Afsluitend vertelt Hanson dat ze nooit ook maar een moment heeft gevreesd dat de bezetting permanent zou zijn. In de oorlog was ze altijd optimistisch dat de Amerikanen op een dag zouden komen, daar wachtte ze op, net als iedereen in haar familie. ‘De nazi’s waren bezetters,’ vertelt Hanson. ‘Het volk werd onderdrukt en dat was iets dat nooit zo kon blijven. Er was al snel te veel honger in het land, te veel ondergrondse bewegingen. Iedereen wist dat er van alles gebeurde. Je wist dat de bezetting uiteindelijk zou ophouden.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Oorlog
  • Eline van Nes