De man die zijn zwager bij de lurven greep

Ze halen zelden de krantenkoppen, maar ook huis-tuin-en-keukencriminelen worden door de rechter ter verantwoording geroepen. In Het Beklaagdenbankje uw wekelijkse portie winkeldiefstal, huiselijk geweld en ander klein leed.
Man die zwager wurgt

Deze week meneer H. die voor een familiecrisis zorgde vanwege een akkefietje met zijn zwager.

Als de deuren van de rechtszaal opengaan, komt de 23-jarige meneer H. binnenlopen. Achter hem aan sjokt wat zijn familie lijkt te zijn. Zijn ouders? Zijn zus? Zijn vriendin? Het zou allemaal kunnen. Een klein beetje bezwaard en ongemakkelijk zijn ze naast elkaar op de voorste bank gaan zitten.

Meneer H. schuifelt zenuwachtig richting het beklaagdenbankje. Net voor de deuren sluiten, stapt ook het slachtoffer in deze zaak, bijna sluipend, de rechtszaal in. Eén keer kijkt meneer H. achterom, naar het slachtoffer. Die blijft onbewogen zitten en legt zijn arm op een zo zelfverzekerd mogelijke manier op de rugleuning van de achterste bank. De rechter knikt naar de bode, de bode knikt terug: de zaak kan beginnen.

Meneer H. zit vandaag terecht omdat hij zwaar lichamelijk letsel zou hebben willen toebrengen bij het slachtoffer, de man in de publieksbanken, die hij op de grond geduwd zou hebben, om daarna op hem te zijn gaan zitten en zijn keel dicht te knijpen.

Dieselgeld

De officier van justitie legt uit dat er eerder sprake was van ruzie over geld: de verdachte en het slachtoffer werkten samen. Ze bouwden keukens samen, alleen gingen de zaken niet zo goed. Het slachtoffer zou aan meneer H. beloofd hebben dat ze even geen geld voor loon hadden, maar dat er wel per klus dieselgeld vanaf kon, maar toen H. bij een klus aankwam, bleek dat er ook niet eens te zijn. Toen H. erachter kwam dat het slachtoffer zichzelf wél een keer uitbetaald had, zou hij zichzelf niet meer in de hand gehad hebben.

‘Klopt dat?’ vraagt de rechter aan meneer H.

H. knikt schuldbewust. Hij baalt ervan, maar heeft besloten wel de waarheid te vertellen vandaag. ‘Ja,’ antwoordt hij. ‘Ja. Ik heb hem aangevlogen, maar er ging dus een heleboel aan vooraf.’

‘Wat deed u dan?

‘Nou ja, we waren samen aan het werk. Ik was al boos vanwege dat geld. Hij was al daar, hij was een kastje aan het repareren. Wat ik zeg, ik was al boos, dus toen ik hoorde dat er geen dieselgeld was, ben ik naar hem toe gegaan en heb ik hem aangevlogen.’

‘Maar,’ probeert de rechter, ‘waar hebt u hem dan vastgegrepen?’

‘Ja, gewoon,’ haalt H. zijn schouders op. ‘Bij zijn lurven.’

Even glimlacht de rechter, maar meneer H. is behoorlijk emotioneel door alle verwikkelingen, dus de rechter houdt zijn gezicht in de plooi. ‘Ik eh,’ probeert de rechter rustig, ‘ik ga al een tijdje mee, maar ik heb mijn hele leven lang nooit geweten waar de lurven zich bevinden.’

H. knikt met zijn hoofd. ‘Bij de nek in de buurt.’

‘U greep hem in de nek dus.’

‘Dat kan zijn.’

‘Heeft u zijn keel dan ook dichtgeknepen?’

‘Misschien per ongeluk. En ik zat ook niet op hem, ik zat vóór hem.’

Vervelende familieruzie

De rechter wrijft een keer door zijn gezicht en kijkt meneer H. onderzoekend aan. H. lijkt er nogal de balen in te hebben over alles. Voor in de publieksbanken knijpt zijn vader een keer in de schouder van zijn moeder. Dan vraagt de rechter waarom meneer H. dan toch bij de politie heeft verklaard dat hij het slachtoffer zeker niet bij zijn keel gepakt heeft. H. haalt zijn schouders op. ‘Ja, hoe zit het nou? Heeft u dat nou wel of niet gedaan?’ vraagt de rechter door.

‘Ik sluit het niet uit.’

Dan komt de aap uit de mouw. Het blijkt dat het slachtoffer de zwager is van meneer H. en dat de ruzie en de zaak van vandaag steeds meer bewegen richting een vervelende familieruzie.

‘En toch, hè,’ peinst de rechter hardop. ‘Toch komt u op mij over als iemand die eigenlijk in het reine wil komen met het slachtoffer, hè, met uw zwager.’ H. knikt beteuterd. ‘Natuurlijk, we zijn toch familie, hè. En niet alleen dat: we kennen elkaar ook gewoon al sinds we kleine jongens zijn.’

Het is ­allemaal kut wat er is gebeurd, natuurlijk. Zand erover. De band was altijd goed

De rechter wendt zich dan toch ook maar tot het slachtoffer, die nog altijd stilletjes in de zaal zit, met net zo’n ongelukkig gezicht als zijn zwager vooraan in het beklaagdenbankje. ‘En u? U bent gebrouilleerd met zijn tweeën, hoe ziet u dat?’

De zwager schraapt zijn keel en gaat een beetje rechtop zitten. ‘Ja, het is ook gewoon alweer een half jaar geleden. We hadden ook allebei andere dingen moeten doen,’ begint de zwager voorzichtig. ‘En, ja, nou ja, het is natuurlijk ook wel zo dat waar twee mensen vechten ook twee mensen schuld hebben.’

Nader tot elkaar

De rechter veert op en glimlacht. Hij kijkt een keer opzij naar de officier van justitie. ‘U zegt dit nu, maar is er misschien een mogelijkheid om nader tot elkaar te komen? Dat we hier als rechtbank helemaal niet tussen zouden hoeven te komen?’

Meneer H. draait zich niet om, dat lijkt hij nog te spannend te vinden, maar hij knikt wel, met een rood hoofd.

‘En u?’ vraagt de rechter aan de zwager.

‘Hm,’ antwoordt die. ‘Hm. Hm.’

‘Kijk,’ gaat de rechter verder. ‘Als beiden oké zijn, dan is mediation mogelijk in plaats van dit strafproces. Daar zijn juridische formulieren voor, dan zouden we de zaak kunnen opschorten en kunnen we dat regelen.

De zwager knikt en mompelt een beetje schokschouderend dat hij daar wel wat in ziet. Ook H. lijkt eigenlijk liever te willen dat het weer goedkomt. ‘Het is allemaal kut wat er is gebeurd, natuurlijk. Zand erover. De band was altijd goed, we kennen elkaar al sinds ons vijfde.’

‘Staat u open voor mediation, meneer H.?’

‘Ja.’

‘Ja, ik ook wel,’ mompelt de zwager nog een keer. Ook de officier van justitie staat er open voor. De zaak wordt aangehouden en op de computer wordt er een formulier voor mediation opgesnord. Het kan eens een keer meezitten in het leven.