Gert-Jan Segers (CU): ‘De meeste mensen kunnen vrijheid niet aan’

In de nieuwe serie Mijn Nederland gaat Leon Verdonschot tot en met de verkiezingen in gesprek met een lijsttrekker over zijn of haar ideale Nederland. Deze week de eerste: CU-lijsttrekker Gert-Jan Segers (51). Over de menselijke maat, zijn geloof en dat van moslims.
Gert-Jan Segers

‘Mijn geloof in Jezus weerhoudt mij van een messiascomplex.’

Dit is het ideale Nederland van Gert-Jan Segers (CU)

‘Ik zou het dorpje Austerlitz willen aanwijzen, bij Zeist. Een dorp met 1600 inwoners. Een kwart van die mensen is aangesloten bij een locale zorgcoöperatie. Die mensen beloven elkaar onderlinge zorg: als iemand een ritje nodig heeft naar een arts of ziekenhuis, kan die een beroep doen op iemand die kan rijden. De overheid faciliteert dat initiatief ook een beetje. Er is in Austerlitz op die manier een sociale infrastructuur waarin mensen voor elkaar zorgen.

Dat is mijn droom: een Nederland dat er ook zo uitziet, maar dan in het groot. Waarin mensen omzien naar elkaar, zorg hebben voor elkaar. Waarin je weet dat er mensen rondlopen die er voor je zijn, die je bij de hand nemen. Met een overheid die je bondgenoot is, niet je vijand. We hebben de afgelopen tijd geregeld gezien wat er gebeurt wanneer die overheid wél je vijand wordt.

Er moet altijd een menselijke maat zijn; een overheid die een hand voor zijn gezicht houdt bij sommige regels. Zodat je niet meteen gekort wordt als je boodschappen van je moeder krijgt. Dat vraagt om bestuurders die dapper genoeg zijn om ambtenaren de ruimte te geven voor die menselijke maat. Dat vraagt ook om een politieke cultuur die geen afrekencultuur is.

Die dus niet zegt: Hugo de Jonge, je bent een week te laat met de inentingen, dus nu gaat je kop eraf. Een genadevolle samenleving begint bij genadevolle politiek, dus met barmhartige politici en bestuurders. In het geval van de bijstand: streng voor fraudeurs, dat wel, maar niet iedereen die afwijkt van de regels is meteen fraudeur.

‘Dat is mijn droom: een Nederland met een overheid die je bondgenoot is, niet je vijand’

Tijdens de coronacrisis zagen dat we dat zzp’ers opeens niets anders hadden dan het bijstandsniveau van de overheid, dat veel mensen nauwelijks zekerheden hebben op het gebied van werk of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en zijn overgeleverd aan de goden van de markt. Ook wonen is een markt geworden; huizen zijn winstfabrieken voor investeerders. Terwijl het idee van wonen is: geen markt, maar volkshuisvesting. Ook in Amsterdam en andere grote steden. Ongeremd kapitalisme haalt het slechtste in mensen naar boven, ook in deze sector. Wij willen geen almachtige overheid, maar wel een overheid die je beschermt. Die welvaart eerlijker verdeelt. Die naastenliefde dan weliswaar niet kan afdwingen, maar die wel kan faciliteren. Die ervoor zorgt dat mantelzorg niet meer fiscaal wordt bestraft, waarin huishoudens meer ruimte krijgen om zorg en werk te combineren en toch het hoofd boven water kunnen houden.

Een overheid ook die oog heeft voor kwetsbaarheid en afhankelijkheid, dus juist kiest voor ‘waardig ouder worden’ in plaats van ‘voltooid leven’. Eenzaamheid tegengaan, pijn bestrijden, zorgen voor fatsoenlijke huizen, voor nieuwe woonvormen, voor vrijwilligerswerk. Zo komen mensen niet meer tot de vraag om een pil die hun leven eindigt, omdat we naar de vraag áchter die vraag kijken.

‘Wilders is nooit het pad opgegaan van het virus ontkennen. Baudet wel, die heeft ons democratisch spelregelboek gewoon weggegooid’

We vieren in dat Nederland ook de democratie, met rituelen. Er is geen zinnige reden om Prinsjesdag te vieren, nee, het belang zit in het ritueel zelf. Daarmee, met die rituelen, moeten we ook onze rechtsstaat en onze vrijheid vieren. Dit land is gebouwd op vrijheid; vanuit een intens verlangen naar vrijheid dat in Nederland is ontstaan. Vrijheid is het grondpatroon van dit land, van onze cultuur, en vrijheid is geen natuurgegeven dat er altijd wel zal zijn. De geschiedenis van die vrijheid zal verteld moeten blijven worden. Dat is niet alleen een kwestie van streng toespreken, maar ook van vieren. Bijvoorbeeld van het moment waarop mensen voor het eerst mogen stemmen, waarop ze hun macht mogen uitoefenen en delegeren. Dus stellen wij voor om van dat moment van de eerste stem een feestelijk moment te laten maken door gemeenten.’

Wat kunnen we in Nederland leren van de bestorming van het Capitool?

‘Ik had op de familie-app contact met mijn dochters hierover, terwijl het gebeurde. We hebben daar jaren gewoond, net buiten Washington. Ik studeerde daar, dus ik ken die omgeving goed. Onder mijn Amerikaanse vrienden bevinden zich ook evangelicals, en sommigen zijn er heilig van overtuigd dat Trump inderdaad de verkiezingen heeft gewonnen en is bestolen. Ik vind dat zelf lastig om te begrijpen, denk dan: zie je dan niet wat voor leugens hij de wereld in slingert? Maar omdat ik hen ken, denk ik wel minder in sjablonen, kan ik niet zeggen dat dit alleen maar idioten waren en dat wij de absolute en onfeilbare redelijkheid vertegenwoordigen.

Ik zei tegen mijn dochters: dit toont aan wat de kracht van woorden is. En tegelijk wat het belang van politiek is, en de verantwoordelijkheid van politici om op hun woorden te letten. Want ze kunnen met die woorden ook een valse werkelijkheid erin hameren, en emoties zo bespelen dat mensen uiteindelijk een eerbiedwaardig democratisch instituut als Capitol Hill kunnen bestormen. Dramatische taferelen in een land dat mij zeer dierbaar is, een samenleving die ik heel vriendelijk vind, waar ik prettig heb gewoond tussen mensen die in veel opzichten heel dicht bij me staan, en die nu aan de andere kant staan.

‘De rechtsstaat is uiteindelijk nóg belangrijker dan de democratie: 51 procent van de bevolking kan er ongelooflijk naast zitten’

En ja, ik zie in bijvoorbeeld de coronacrisis hier vergelijkbare ontwikkelingen: ook een gevecht om de waarheid, verspreiding van nepnieuws, ondermijning van de wetenschap, het in twijfel trekken van instituten, het toedichten van kwade motieven aan politici. In die zin komt het heel dichtbij, en geeft het mij een extra aansporing om verantwoordelijk met mijn woorden en mijn invloed om te gaan.’

In 2009 beschreef u in een opiniestuk in Trouw het ideaal van de samenleving als ‘verbond’. Is dat ideaal aan het verdwijnen, in de samenleving en in de politiek?

‘Je zou in politiek opzicht kunnen zeggen dat Wilders zich in het debat nog grotendeels aan de democratische politieke spelregels houdt. Hij is absoluut geen heilige: informeel is hij een aimabele collega, maar zo gauw de tv-lichten aan gaan, kan hij je frontaal aanvallen op een buitengewoon brute manier, dus het is geen padvinder, of zo. Maar hij beweegt doorgaans binnen de krijtlijnen van het democratisch spelregelboek, met argumenten en opvattingen waar ik heel vaak niets mee heb, maar waar je hem ook met feiten en tegenargumenten het vuur na aan de schenen kan leggen. Hij is ook nooit het pad opgegaan van het virus ontkennen. Baudet wel, die heeft ons democratisch spelregelboek gewoon weggegooid. En daarmee werd hij twee jaar geleden de grootste van het land.’

Moeten we er op vertrouwen dat onze democratische instituten daar wel tegen bestand zijn?

‘Dat is niet altijd het geval. Ik heb dan altijd een opmerking in mijn achterhoofd die wordt toegeschreven aan de conservatieve denker Edmund Burke: ‘The only thing necessary for the triumph of evil is for good men to do nothing.’ Ook het land van Goethe, van Bach, van hoogstaande cultuur, bleek ruim tachtig jaar geleden ontvankelijk voor nepnieuws, voor beuken op één aambeeld en het beschuldigen van één bevolkingsgroep. Wat ik wil zeggen: die mensen hadden geen slechter dna dan u en ik: wij zijn daar allemaal in potentie vatbaar voor. Dus komt het aan op goede mensen die de waarheid trouw zijn, die dat verbond willen stichten, die de rechtsstaat overeind willen houden, ook met mensen met wie ze het oneens zijn. Dat vereist soms ook een overwinning op jezelf. Als ik voor mezelf spreek: het kost mij bijvoorbeeld moeite in relatie tot de islam. Ik heb in mijn tijd in Egypte de donkere kanten van de islam gezien, ik zie dat in landen met islamitische meerderheden de vrijheden verkruimelen. Dus ik ben daar beducht voor, en dat vraagt van mij een inspanning, namelijk het wilsbesluit om alle vrijheden die ik zelf heb ook te verdedigen voor een moslim. De eerste impuls wanneer we worden geconfronteerd met overtuigingen die we zelf verschrikkelijk vinden, is nou eenmaal het wegduwen daarvan. Wat is de les van de populistische golf die leidde tot de bestorming van het Capitool? Kom nooit aan de rechtstaat. Wat bijvoorbeeld Baudet doet, en Wilders ook geregeld, is de democratie belangrijker achten dan de rechtsstaat. Zij claimen dat het volk iets wil, ‘en dus hebben wij het recht om iedereen die dat niet wil weg te duwen’. Maar de rechtsstaat is uiteindelijk nóg belangrijker dan de democratie: 51 procent van de bevolking kan er ongelooflijk naast zitten.’

Want 51 procent die alle ruimte krijgt kan ook een minderheid onderdrukken?

‘Absoluut, en dat voel ik zelf heel diep, want ik ben altijd een minderheid geweest. Ik zat in een zwartekousenkerk in Leeuwarden, mijn zussen hadden altijd rokken aan, wij hadden thuis geen televisie. Wij waren anders, niemand daar was zoals wij. Als minderheid moet je het hebben van tolerantie en van de rechtsstaat. Tijdens mijn jaren in Egypte was ik een christelijke allochtoon in een islamitisch land. Nu ben ik in ons land een christelijke politicus in een tamelijk seculiere en liberale meerderheid. Ook ik moet het van die vrijheid hebben, dus als ik een keer tot de meerderheid behoor, moet ik goed luisteren naar de pijn van de minderheid.

Zo heb ik mezelf bijvoorbeeld ook moeten corrigeren bij Zwarte Piet: ik heb dat nooit als een racistisch feest ervaren, mijn moeder schminkte zichzelf, ik heb er met volle teugen van genoten. Tot ik verhalen hoorde van mensen die mij lief en dierbaar zijn, mensen met een donkere huidskleur, die zeiden dat dat voor hen altijd de vervelendste dagen van het jaar zijn. Toen dacht ik: ik wil niet dat het je pijn doet, dan is een roetveegpiet toch een kleine moeite? Misschien is het een banaal voorbeeld, maar wel een voorbeeld van het temmen van je eigen impulsen, de vraag in acht nemen waar die ten koste gaan van minderheden. Populisme is het tegenovergestelde. Dat is: als wij de meerderheid hebben, zullen ze het weten ook, dan gaan ze genadebrood eten.’

Uw interesse in de islam is niettemin opvallend. In veel islamitische landen worden christenen onderdrukt. U schreef twee boeken over die religie, en studeerde dus in het islamitische Egypte. Dat lijkt meer dan tolerantie, het lijkt eerder een fascinatie.

‘Ik ben er niet naïef over. Tijdens mijn jaren in Egypte ben ik dichterbij moslims gekomen, maar ben ik verder van de islam af geraakt.’

Dat verschil maakt Wilders ook altijd. Ik heb niets tegen moslims, ik heb iets tegen de islam, zo luidt steeds zijn verhaal.

‘Klopt. Alleen wat hij ook zegt, is: de échte islam is de salafistische islam, is Iran, is Saudi-Arabië. Daarmee ga je een grens over, namelijk de grens dat je als niet-moslim gaat bepalen wat de échte islam is. Heel plat gezegd: de definitie van de islam van Wilders is dezelfde als die van IS. Dat betekent dat Marcouch geen echte moslim is, dat Aboutaleb geen echte moslim is. Terwijl die beiden moeten worden beveiligd tegenover salafisten omdat ze staan voor de rechtsstaat. Wie ben jij om te zeggen dat zij niet de échte islam aanhangen? Overigens heb ik andersom hetzelfde probleem met mensen die na een aanslag van IS zeggen: ja, maar dat zijn geen echte moslims, zij hangen niet de islam aan. Als zij zelf hun geweld met Koran-teksten motiveren, dan kun je toch niet zeggen dat dat níet zo is?’

‘Die relative­ring van onszelf, van mense­lijk hande­len, die mis ik in het corona­debat’

Tijdens het voorlaatste coronadebat ging het vooral over de vraag wie de schuldige is dat Nederland bij het vaccineren achterloopt op andere Europese landen. Uw inbreng in het debat was een opvallende: u wees er op dat veel landen in de wereld niet weken, maar járen achterlopen op het Westen bij het verkrijgen van een vaccin.

‘Bij ieder coronadebat is er de waan van de dag – de mondkapjes, de testen, de horeca – en daar zeggen wij uiteraard ook iets over, maar ik vind dat wij ook op zoek moeten gaan naar toegevoegde waarde. Naar mensen over wie het in de media die week niet gaat, maar voor wie wij willen opkomen. Vrijwilligersorganisaties, dak- en thuislozen, de landen die járen achterliggen op ons. En bij die debatten over schuld en verantwoordelijkheid heb ik ook vragen, maar die wil ik niet genadeloos stellen. Wat ik daar zie, zowel van de kant van de regering als de oppositie is een gedachte van maakbaarheid. De regering stelt: als we ons allemaal aan de regels houden, krijgen we corona eronder. Lukt dat níét, dan staan Wilders en Klaver vooraan om te zeggen: u heeft gefaald. Dat gaat uit van dezelfde maakbaarheid: bij de juiste politieke beslissingen komt alles goed.

De mensen met alternatieve waarheden gaan eveneens uit van een politiek wilsbesluit, al is dat volgens hen dan een kwaadaardig wilsbesluit, want die overheid wil met het vaccin een chip injecteren. Ook dat is een maakbaarheidsgedachte.

Maar wat ik heb geleerd van deze crisis is dat er iets groter is dan wijzelf, en dat heet een pandemie. En die gaat onze macht te boven. Er is een kwaad, dat heel krachtig is, waar een macht van uitgaat. Ja, we knokken, we doen ons best en soms slaan we de plank mis, maar we hebben dit kwaad niet helemaal in de vingers. En de maakbaarheidsgedachten, hoe verschillend ook, gaan ervan uit dat we het virus wél in de vingers hebben, en dat als er iets misgaat in de bestrijding van het virus, er een kop af moet. Daarom wil ik mijn vragen genadevol stellen: ik geloof dat dit onze macht te boven gaat. Die relativering van onszelf, van menselijk handelen, die mis ik in dit debat. Ik geloof dat er een God is die de werkelijkheid in handen heeft, en trouw blijft en die er voor zorgt dat het goed komt, al dan niet via onze besluiten en via het vaccin.’

De Partij voor de Dieren wijst er consequent op dat covid-19 de zoveelste zoönose is: een ziekte die overspringt van dier op mens. Dat kan leiden tot de gedachte dat corona de straf is van de natuur, een straf voor ons gedrag. Bestaat in christelijke kringen de gedachte dat dit inderdaad een straf is, maar dan van God?

‘Die gedachten zijn er in sommige kringen, maar ook dat is een rond verhaal, een verhaal waarmee je doet alsof je het toch weer in de vingers hebt. Net als het verhaal van de Partij voor de Dieren: we hebben de werkelijkheid in handen, als we nu maar stoppen met die intensieve veehouderij en ander voedsel gaan nuttigen, komt het goed. Oftewel: ooit was er een paradijs, dat was ongerept, en toen kwamen die verschrikkelijke mensen, die hebben er een bende van gemaakt. Wij moeten de wereld verlossen, dus aanvaard nu maar ons verlossingsplan, dan komt het paradijs weer terug. Dat is een hoogmoed waar ik niet in geloof. Ook niet in een religieuze setting. Mensen hebben de onbedwingbare behoefte om de werkelijkheid te kunnen bevatten, precies te weten hoe het zit, en te weten hoe het allemaal opgelost moet worden. Dat is een misplaatst messiascomplex. Mijn geloof in Jezus weerhoudt mij juist van zo’n messiascomplex. Ik hoef die wereld niet te verlossen, dat kan ik ook helemaal niet. De wereld is veel weerbarstiger dan al die verlossingsplannen ons willen doen geloven. Die van Baudet, maar ook van Klaver met opgestroopte mouwen van een wit hemd. Wij hebben ook plannen voor Nederland, een verkiezingsprogramma vol, maar wel met een enorme bijsluiter: ik ben niet uw verlosser.’

‘De meesten geloven omdat ze de zekerheid van een religieus systeem willen. Die merken niks van God, maar hebben daar ook helemaal geen behoefte aan. Die willen regels, willen precies weten hoe ze moeten leven, anders worden ze gek van de vrijheid. Die werken hard in hun christelijke club en denken dat ze dat voor God doen. Maar het heeft niks met God te maken, het is alleen goed voor hun eigen zielenrust.’ Komt dit citaat u bekend voor?

‘Waarschijnlijk is het van mezelf?’

Bijna. Het is van Gerard, een van de vier hoofdpersonen in de debuutroman van schrijver Gert-Jan Segers in 2000: Overwinteren. Had Gerard daar gelijk?

‘Zeker. De meeste mensen kunnen vrijheid niet aan, en dus willen ze helderheid en overzicht. Willen ze iemand die tegen ze vertelt: zo is het, en niet anders. En geloven ze niet in God, dan wel in iets anders. Volgen ze Jezus niet, dan wel een andere messias, of dat nu Baudet is, of Wilders, of Klaver, of een zanger. Iedereen wil zich aan een verlosser vastklampen. Daarin zie je hoe religies ook het sléchtste in mensen naar boven kunnen halen. Terwijl een geloofskeuze, een relatie met God, een wandelen met God, ook veel vrijheid geeft. Mij ook.

Toen ik in Egypte woonde, zei een koptische vriend van me na het zoveelste gewelddadige incident tussen moslims en christenen: “Ik denk dat God zó’n hekel heeft aan religie!” Ik begreep meteen wat hij bedoelde. Omdat wij er iets heel lelijks van maken. Je kunt met religie en met ethiek elkaar de ogen uitkrabben, de hersenen inslaan, oorlogen beginnen. Terwijl Jezus die voor me staat en zegt dat ik geen schitterend ongeluk ben, maar dat Hij me tegen Zijn borst drukt; dat is het mooiste dat er is. Genade, vergeving, liefde. Het evangelie biedt mij iets fantastisch, maar ik kan heel goed begrijpen dat mensen religie iets gruwelijks vinden. Ik zie de lelijke kanten ook. Maar ik zou tegen die mensen ook willen zeggen: kijk ook naar de religieuze neigingen in andere bewegingen. In communisme, in kapitalisme, in socialisme, in liberalisme. Allemaal bewegingen die verlossing beloven. We hebben een verlangen naar een leidraad en naar waarheid, en als dat niet op de juiste manier wordt beantwoord en gevuld, kunnen de meest vreselijke dingen gebeuren.’

Als schrijver en liefhebber van literatuur moet het taalgebruik in de Tweede Kamer u geregeld een gruwel zijn.

‘Politici zijn ook onzekere mensen, en hoe kun je dan zekerheid verkrijgen? Door kennis. En die kennis zit vaak verpakt in jargon. Laten zien dat je alle afkortingen beheerst. Ik kan mijzelf alleen maar opladen als ik zie in welk groter verhaal mijn inspanningen staan. Je moet jezelf dwingen verhalend te zijn. Tegelijk is er ook gewoon heel veel lelijke taal. “Mitigeren” is zo’n term, dat is een soort smurfen, een werkwoord dat je overal kunt gebruiken. Net als “uitrollen”: verschrikkelijk. Je zíét mensen vaak gewoon door die politieke wasstraat gaan: dat soort taal overnemen, alleen maar bezig zijn met de procedures, zich vasthouden aan de systemen, want zo hou je dit het langst vol. Met als resultaat dat je uiteindelijk in afkortingen praat zonder iets te zeggen. Dat ik naar je luister en niet weet wat je nou vindt, of wie je bent. Het mooie van een christelijke partij is dat wij uiteindelijk kunnen teruggaan naar onze bron: een boek vol verhalen. Dat heb ik zelf ook nodig.’

In een interview met het blad EO-visie sprak u ooit over een optreden met uw cabaretgroep, in 1996. ‘Een jaar eerder had ik samen met een vriend ook een soort van cabaretvoorstelling proberen te geven. Maar alles wat we grappig bedoelden, sloeg dood als lauw bier. Een zeer treurige ervaring. Het volgende jaar traden we op als Decima, om een uurtje of één in de nacht. En het was net of er een lachband opstond. Erg opbeurend.’ Zou het kunnen dat mensen toen gewoon al aangeschoten waren?

‘Haha! Het was een chrístelijk festival, hè? Maar goed, ook daar werd gedronken. Ons programma heette Eigen Ziel Eerst. We stonden ermee op feesten en partijen, in kerken, soms op literaire festivals. Ik had er veel plezier in. Maar op een gegeven moment zat ik in het busje naar een volgend optreden, en dacht: ik ben nu getrouwd, ik word een eenzame huisvader, sta ik dadelijk weer een typetje te doen. Dit is niet mijn toekomst.’

Mag je overal grappen over maken?

‘Het mag wel, in juridische zin. In morele zin zijn er wel grenzen. Ik vind dat je hardere grappen over jezelf moet maken dan over anderen, ik zou zelf terughoudend zijn als ik wist dat ik iemand anders echt op zijn hart trapte. Maar goed, in juridisch opzicht verdedig ik het recht om bijvoorbeeld cartoons te maken over de profeet. In een ideeënstrijd is heel veel toegestaan, en gaat het uiteindelijk om de vraag: wat is waarheid? Als iemand aan die ideeënstrijd wil bijdragen met een cartoon die heel beledigend is, vind ik dat ook heel vervelend, ik zou het zelf nooit doen, maar in politiek en maatschappelijk opzicht voel ik de neiging die vrijheid te verdedigen.’

‘Wij hebben ook plannen voor Nederland, een verkiezings­programma vol, maar wel met een enorme bijsluiter: ik ben niet uw verlosser’

Een opvallend punt in uw programma is vaccineren. ‘Ze beschermen ons, onze kinderen en indirect mensen om ons heen tegen heftige, soms dodelijke ziekten,’ schrijft u in uw programma. Maar vervolgens: ‘De ChristenUnie is tegen elke vorm van vaccinatiedwang.’ Terwijl u hét argument voor verplichte vaccinaties zelf geeft: ze beschermen ons, onze kinderen en mensen om ons heen tegen dodelijke ziekten.

‘Als je in een wereld vol argwaan, ook tegen de overheid, begint met overheidsdwang om letterlijk een spuit in je arm te zetten en je lichamelijke integriteit opzij te zetten, is dat het slechtst mogelijke idee. Dat is voer voor iedere vorm van scepsis.’

Op andere gebieden, prostitutie en drugs bijvoorbeeld, bent u anders wél van de verboden.  

‘Op alle drie deze gebieden, prostitutie, drugs en vaccinaties, zijn wij vrijheidslievender dan een liberaal. Want bij drugs is geen sprake van vrijheid: verslaving betekent per definitie onvrijheid. Prostitutie is geen vrijheid: geen vrouw die ’s ochtends in alle vrijheid wakker wordt en besluit: weet je wat, ik word prostituee, om vervolgens in een wereld vol dwang en mensenhandel te stappen. En op het gebied van vaccins geloven wij in het vrije debat, waarin iemand als Diederik Gommers op social media kan uitleggen waarom een vaccin goed is en veilig. Dan zie je de vaccinatiegraad stijgen. En als na de eerste vaccins blijkt dat er daarna niet opeens een staart of extra oor uit je lichaam groeit, zullen nog meer mensen zeggen: kom maar op met dat vaccin. Dan zul je zien dat vrijheid en overtuiging veel effectiever zijn, en passen bij een overheid die dienstbaar is, en niet almachtig. Mijn ouders waren de eersten in hun kerkelijke gemeente die hun kinderen lieten inenten. Mijn opa’s waren bollenboer, en mijn vader zei tegen mijn vader en schoonvader: jullie enten wel je bollen in, maar niet je kinderen. Hij kon tot dat inzicht komen dankzij zijn eigen vrijheid. Dat is toch veel mooier dan dwang?’

CV

JEUGD

Gert-Jan Segers (9 juli 1969) wordt geboren in Lisse, maar groeit op in Leeuwarden, waar zijn vader evangelist is namens de Gereformeerde Gemeenten. Na zijn middelbare school studeert hij politicologie aan de Rijksuniversiteit in Leiden.

POLITIEK

Hij zit sinds 2012 in de Tweede Kamer namens de ChristenUnie. Na het terugtreden van Arie Slob als fractievoorzitter in november 2015, kiezen de leden van de Kamerfractie Segers tot nieuwe voorzitter.

EN VERDER

Segers was in 1999 een jaar journalist bij de EO en werkte van 2000 tot 2007 namens de Gereformeerde Zendingsbond in Caïro. Hij heeft een column in het Nederlands Dagblad en schrijft weleens een roman.

window._taboola = window._taboola || []; _taboola.push({ mode: 'alternating-thumbnails-a', container: 'taboola-below-article-603cf296b4dd3', placement: 'Below Article Thumbnails', target_type: 'mix' });

Laatste nieuws