Premium

Roué Verveer: ‘Ik ben de ambtenaar van het cabaret’

2023 was het jaar waarin zijn moeder overleed en hij nét niet de belangrijkste cabaretprijs van Nederland won. Maar Roué Verveer (51) is er de man niet naar om zielig in een hoekje te gaan zitten miepen. Leef en lach, dat is zijn motto. ‘Ik wil dat iedereen altijd blij is. Ik houd niet van confrontatie, niet van ruzie. Howard Komproe noemt mij altijd Maizena, de grote verbinder.’

Roué Verveer

Nieuwe Revu ontmoet Roué Verveer
Waar? Doppio Espresso in Amsterdam-Zuid, om de hoek bij Roués appartement.
Iets genuttigd? Een karamel latte en een cola zero voor Roué, tuna melt en espresso voor de journalist.
Verder nog iets? Roué speelt tot en met 24 december nog zijn jaarlijkse kerstshow. Met Gewoon Roué staat hij nog tot en met mei 2024 in de theaters.

We moeten het eerst hebben over de Poelifinario, de prijs voor het meest indrukwekkende cabaretprogramma van het moment. Je won hem nét niet, afgelopen oktober. Balen?
‘Nee. Klinkt cliché, maar het is echt zo: ik vond het al heel wat om genomineerd te zijn. Dat was nog nooit gebeurd en ik had het ook min of meer verdrongen, dacht niet dat ik überhaupt kans maakte om die prijs ooit te winnen. Die jury kijkt toch vaak naar een bepaald soort stijl, en die stijl heb ik niet. En dan word je ineens genomineerd. Het gekke is wel dat ik na de vijfde try-out van deze show, Gewoon Roué, dacht: volgens mij is dit iets anders dan ik eerder gemaakt heb, iets wat mensen niet van me gewend zijn. Ik ben scherper, zeg recht voor z’n raap wat ik vind. Over alles, van racisme naar veganisme tot de LHBTQ-beweging. Die meningen had ik altijd al, maar nu kwamen ze er ineens allemaal uit.’

Hoe kan dat?
‘Man, ik weet het niet. Moeilijk. Ik pakte het in ieder geval niet anders aan dan anders. Dus try-outs zijn bij mij ook écht try-outs: ik heb een papiertje met een paar punten waarover ik het wil hebben, meer niet. Zo ga ik het podium op. Er zijn collega's van mij die zich afvragen hoe dat kan, en of ik niet bloedzenuwachtig ben. Dat ben ik wel, maar ik ben gewoon niet van het schrijven, dat werkt niet voor mij. Natuurlijk ben ik de dag voor die eerste try-out altijd boos op mezelf, elke keer weer, al twintig jaar lang. Waarom heb je afgelopen zomer niks gedaan, Roué? Nou moet je morgen weer met dat papiertje met vijf puntjes het podium op. Maar blijkbaar werkt dit, ik kom in een soort survivalmodus als ik weet dat ik die tijd moet vullen. En ditmaal was dat niet anders, behalve dat ik nu ineens tekeerging, hard van leer trok. Geen blad voor de mond, gewoon gaan. Net als bij andere shows moesten de mensen lachen, maar het voelde anders.’

‘Het is prima als jullie alle jonge mensen proberen over te halen om naar Suriname te lopen, maar ik ben te oud, ik ga met dat vliegtuig’

Misschien omdat de dingen die je bespreekt jou daadwerkelijk heel erg dwars zitten?
‘Absoluut. Ik ben over de vijftig, te oud voor bullshit, ik ga er niet meer in mee. Veganisten bijvoorbeeld. Onder elke Instagram-post van mij waarop ik vlees eet, schrijven mensen dat ik dat niet meer moet doen, dat ik vegan moet worden. Hou op met me, want ik eet al vijftig jaar vlees en ik blijf vlees eten tot aan mijn dood. Klimaatactivisten, ook zoiets. Ik blijf reizen met het vliegtuig, wat jullie ook zeggen, hoe vaak jullie ook reageren op mijn posts over de trips die ik maak. Prima als jullie alle jonge mensen proberen over te halen om naar Suriname te lopen, maar ik ben te oud, ik ga met dat vliegtuig. En ik wil jouw mening daarover niet horen, zoals ik me ook niet zal bemoeien met wat jij allemaal vindt en denkt. Want ik heb geen problemen met jou, maar wel met het feit dat jij mij dingen door de strot probeert de duwen. Daar ben ik niet van gediend. Dat was zo’n beetje de lijn van die eerste try-outs en dat heeft zich ontwikkeld tot deze show.’

Een prestatie op zich, want je try-outproces werd drastisch verkort vanwege het overlijden van je moeder, afgelopen april.
‘Klopt. Ik zou er vijftien doen, maar de laatste zeven konden niet doorgaan. We hebben mijn moeder op woensdag begraven in Suriname, ik vloog terug op donderdag, kwam aan op vrijdag en moest zaterdag mijn eerste officiële show doen in Den Haag. Grote zaal. Bam. Maar het lukte. En toen kwam die nominatie ook nog.’

Was je nerveus tijdens de uitreiking?
‘Nee, want die nominatie was voor mij dus al de prijs. Er was een longlist en die werd door al die juryleden net zo lang uitgedund tot er een shortlist was. Eentje met drie mensen erop, onder wie ik. Dus blijkbaar ben ik bij elke vergadering blijven hangen. Wie hem uiteindelijk zou winnen, maakte voor mij niet meer uit. Dan gaat het niet om goed, beter, best, dan gaat het om belangen. Kiezen ze voor die jonge vent aan het begin van zijn carrière of voor de oude rot vanwege zijn staat van dienst? Ik dacht nog wel even dat ze hem misschien aan mij konden gaan geven vanwege mijn roots. Zo van: die Roué heeft een kleurtje, wel chic om hem de prijs eens te geven. Want dat is al een tijdje de kritiek, dat weinig mensen van kleur die prijs winnen. Neem Najib Amhali: nooit genomineerd, zelfs niet in zijn topjaren. Zal ook te maken hebben met dat ‘ze’ vaak vinden dat zijn humor te gemakkelijk is, wat over mij ook vaak wordt gezegd. Het is niet kleinkunsterig genoeg, wij gaan voor ‘de makkelijke lach’. Weet je hoe moeilijk dat is, een zaal aan het lachen maken? En hoe nodig? Want waar cabaretiers er vroeger ook waren om het nieuws te duiden, is dat nu anders. De mensen willen lachen als ze een avondje uit zijn, want het nieuws en de achtergronden horen en zien ze de hele dag al op tv, internet en in de krant. Ze zitten er niet op te wachten dat ik daar ’s avonds ook nog een keer over ga beginnen. Ze komen bij mij om juist even weg te zijn van alle ellende. Maar goed, vanwege die ‘makkelijke lach’ had ik het dus nooit voor mogelijk gehouden dat ik nog eens voor die prijs genomineerd zou worden.’

In het juryrapport stond dat dit je meest kwetsbare show was. Voel je dat zelf ook zo?
‘Dat kan wel kloppen, wat niet wil zeggen dat die andere shows niet kwetsbaar waren. De show hiervoor liet ik ondanks corona doorgaan, met QR-codes. Dat viel bij veel mensen niet goed. Ik werd voor alles en nog wat uitgemaakt, ik moest kanker krijgen, net als de rest van mijn familie. Dat heb ik ook besproken, op het podium gedeeld. Dat was dus net zo kwetsbaar. Al merk ik wel dat ik steeds meer durf dan vroeger. Als beginnende comedian durf je geen stiltes te laten vallen. Tak-tak-tak, alleen maar grappen, continu blijven praten. Dat is nu anders. Ik durf nu alles te zeggen, en niet elke zin hoeft te eindigen in een lach.’

Je wekt sowieso de indruk dat het je niet boeit wat anderen van je vinden. Je verdient goed, je reist veel, draagt mooie kleding en je bent niet bang om dat te laten zien.
‘Ik heb altijd gevonden dat je er als cabaretier goed uit moet zien. Mensen kopen een kaartje voor je show, gaan een avond uit, zien er netjes uit. Dan is het bijna disrespectvol als er iemand op het podium staat die eruitziet als een slons. Ik had ook geen idee dat er in Nederland anders naar gekeken werd, omdat ik hier als volwassen man naartoe emigreerde vanuit Suriname. Ik wist niks van het Nederlandse cabaret, ik kende niemand, kwam er blanco in. Dus ik dacht: als je op het podium staat, kleed je je netjes. Sowieso houd ik van mooie kleding.’

Naast je werk, ben je ook druk met social media.
‘Valt wel mee. Nienke Plas, die is er pas druk mee. Ik post elke dag iets, meer is het niet. Iets grappigs, iets over de show van die avond, een verhaaltje vanuit de kleedkamer.’

Het gaat daarbij vaak over je vrouw Farah en je twee zoons, Randy en Julian. Geef je niet te veel weg?
‘Ik vind van niet, en de rest van het gezin ook niet, volgens mij. We hebben gewoon niks te verbergen, de dingen die ik laat zien kunnen geen kwaad. Sterker, ik krijg heel veel berichtjes van mensen die me vertellen dat wij hen inspireren, dat ze genieten van hoe wij in het leven staan. Dat we niet alleen praten over een fijn leven, maar het daadwerkelijk hebben. En dat mijn vrouw en ik zo geweldig bij elkaar passen. Ik zei het van de week nog tegen Farah: “Wij kunnen nooit uit elkaar gaan, dan maken we de dromen van al die mensen stuk.”’

Jij en Farah zijn al meer dan dertig jaar bij elkaar. Hoe verklaar je dat?
‘Er zijn veel mensen die zeggen dat we zoveel gemeen hebben, dat dat hetgeen is wat ons bindt. Ik heb een andere theorie. Op de belangrijke plekken hebben we inderdaad overeenkomsten, maar op de plekken waar het kan zijn we totaal anders. Als ik iemand ontmoet bijvoorbeeld, begint diegene voor mij op tien. Leuke vent, we kijken later wel of dat daadwerkelijk zo is. Bij mijn vrouw is het anders. Als jij Farah ontmoet, sta je op min tien. Als je je best doet kun je je opwerken tot een nul. En als je je vervolgens naar een vijf worstelt ben je binnen en kun je niks meer verkeerd doen. Daarin verschillen wij, maar we vullen elkaar ook aan: ik zeg haar dat ze iets minder achterdochtig moet zijn en zij vindt dat ik soms een tandje minder goedgelovig mag zijn.’

Jullie reizen veel, maar Suriname lijkt een steeds minder belangrijke plek in te nemen. Klopt dat?
‘Ik denk het wel… Ik merk in ieder geval dat ik steeds verder van Suriname af kom te staan naarmate ik ouder word. Want mijn kinderen zijn in Nederland geboren en getogen, mijn hele carrière heb ik hier opgebouwd. Het blijft speciaal, Suriname is het land waar ik geboren ben, maar de noodzaak om er te zijn wordt steeds minder. Mijn vader en moeder zijn overleden, mijn favoriete tante, eigenlijk heb ik niemand meer daar. Dus de drang om elk jaar te gaan, wordt minder. Ook omdat Nederland mijn land is geworden. Dat is voor sommige Surinamers die in Nederland wonen bijna vies om te zeggen, maar ik vind dat je ook daarin gewoon eerlijk moet zijn. Je woont hier al heel lang, je kinderen wonen hier, je gaat hier met pensioen. Het is schattig dat je nog steeds roept dat Suriname het allerbelangrijkst is, maar je weet diep van binnen dat de behoefte om daar te zijn steeds kleiner wordt. Het zou dus zomaar kunnen dat we volgend jaar gewoon een keertje overslaan.’

Dus geen tweede huis daar, straks, na je pensioen?
‘Zeven, acht jaar geleden hebben we daar wel even over nagedacht, maar vervolgens ging het bergafwaarts met de economie en hebben we dat plan in de vriezer gestopt. Volgens mij ligt het nu helemaal achterin, diep bevroren.’

Dat pensioen is nog ver weg, maar je bent inmiddels wel 51. Hoe voelt dat?
‘Toen ik veertig werd kon ik al weken daarvoor niet meer slapen. Ik zei het tegen iedereen: “Ik word veertig! Geweldig!” Toen ik vijftig werd, had ik hetzelfde. Ik vind elke leeftijd prima. Waarom niet, je kunt er toch niks aan doen, beter omarm je die leeftijd. Ouder worden, grijs, kaal, ik heb er geen probleem mee. Ik draag die leeftijd met trots.’

Is er iets wat jou van je stuk kan brengen? Je motto is ‘leef en lach’, maar er wordt toch weleens lekker gejankt in huize Verveer?
‘Nee man.’

Ook niet bij de dood van je moeder?
‘Niet bij de dood van mijn tante en zelfs niet bij de dood van mijn moeder. De dood heeft bij ons een plek in het leven, ook bij mijn kinderen. Als er verdriet is, moet je janken, daar is niks mis mee. Maar als je rekening houdt met de dood, helpt dat met het verwerken. Natuurlijk mis ik de mensen die zijn overleden, maar ik kan het een plaats geven.’

Je zoon Randy noemde de begrafenis van jouw moeder in Suriname ‘een soort festival’.
‘Hij was acht toen mijn vader overleed. Randy snapte er niks van: opa is dood, waarom zijn we blij? En nu was hij zelf een van de mannen die met de kist van mijn moeder door de straten dansten. Hij snapt het nu, ook omdat ik gaandeweg twee goede vrienden heb verloren, mannen die Randy en Julian ook goed kenden, mannen die ze oom noemden. Randy heeft van dichtbij meegemaakt hoe een van die mannen twee jaar lang sukkelde met kanker. Hij bezocht hem elke dag, zag hoe het voor die kinderen was om een ouder te verliezen. Dat dat erg is, maar niet het eind van de wereld hoeft te betekenen. Ze hebben gezien hoe die mensen ermee omgaan, hoe Farah en ik ermee omgaan. Ze hebben gezien dat je verder kunt.

En we praten er veel over, het is een onderwerp dat we niet uit de weg gaan. Al eindigt het altijd in humor, dat wel.’

Helpt het ook dat je gelovig bent?
‘Ja, al moet ik zeggen dat ik wel geloof, maar niet in de Here ben. Ik ga bijvoorbeeld wel naar de kerk, maar niet geregeld. Mijn levensstijl is dus niet hoe het helemaal hoort in de christelijke wereld, denk ik, maar dat maakt me niet uit. Ik doe het op mijn manier, ik pas het toe op mijn leven, laat het voor mij werken. Zo geloof ik dat mijn vader, moeder en tante nu in het hiernamaals zijn. Ze zitten daar samen op het balkon, zoals ik ze vroeger als kleine jongen zag zitten, babbelend over van alles. Dat beeld geeft me rust. Zoals het ook mijn moeder rust gaf toen mijn vader overleed. Ik vroeg haar of ze het aan zou kunnen, want wij woonden in Nederland en zij in Suriname. Ze zei: “Ik ben nooit alleen, God gaat mij helpen.” En zelfs als straks blijkt dat dat niet klopt, heeft mijn moeder daar zestien jaar lang profijt van gehad. Haar geloof heeft het behapbaar gemaakt.’

‘Ik heb nog nooit wakker gelegen van een grap die minder werkte, een show die iets minder flowde. Daarom heb ik ook nog nooit een depressie gehad’

Je vriend Najib Amhali vertelt in zijn biografie hoe zwaar het soms kan zijn om na een show alleen thuis te komen, vol adrenaline, een gezin dat slaapt. Het kan eenzaam zijn, dit vak, zeggen ook veel andere cabaretiers. Volgens mij zie jij dat anders.
‘Ja man, ik ben de ambtenaar van het cabaret: ik neem mijn werk nooit mee naar huis. Ik zat ooit bij een collega in de zaal en zag het publiek helemaal uit z’n dak gaan. Meteen na de show ging ik naar zijn kleedkamer. Hij zat daar droevig te zijn, had het alleen maar over het ene stuk dat hij niet goed genoeg vond, dat hij meteen moest gaan herschrijven. Zo iemand neemt zijn werk mee naar huis, die ligt de hele nacht wakker van die ene grap. Bij mij gebeurt dat niet hoor. Ik doe de show, soms is ie scherper dan anders, maar morgen is er weer een dag. Ik heb nog nooit wakker gelegen van een grap die minder werkte, een show die iets minder flowde. Daarom heb ik ook nog nooit een depressie gehad. Paniekaanvallen, burn-outs, je hoort het veel in mijn wereld. Hele seizoenen worden gecanceld. Niet omdat ze het zo druk hebben – want ik werk minstens zo hard, zo niet harder – maar omdat ze vinden dat het altijd maar beter moet. Dat hoeft niet. Je wordt ouder, wijzer, je geeft mooie inzichten, maakt goede grappen en dan gaan de mensen weer naar huis. Er is niemand die na afloop zegt: ik hoop dat hij volgend jaar beter is. Ze hebben zin om hard te lachen en volgend jaar willen ze opnieuw hard lachen. Om nieuwe grappen, niet om betere.’

Dus jouw tiende show is net zo goed al je eerste?
‘Zo kijk ik er niet naar. Op dat moment was het wat het was. Ik was jonger, had bepaalde dingen al meegemaakt, andere nog niet. Dit was wat ik wist, waar ik het mee moest doen. Nu is het anders. Nu durf ik een verhaal te vertellen zonder grap, want die komt straks wel. Maar ik houd mezelf niet voor de gek. Als mijn shows slechter gaan worden, zit ik diezelfde dag nog bij Humberto of Jinek. Dan zeg ik: “It was a fucking good ride, maar dit was het.”’

Dat moment denk je zelf te kunnen aanvoelen?
‘Jawel. Ook omdat ik echt niet in een zwart gat ga vallen. Met wat ik kan zal ik heus wel een andere baan vinden – iets achter de schermen, mensen helpen bij het schrijven van hun programma. Ik ga in ieder geval niet door tot mijn zeventigste, zoals Youp van ’t Hek. Op een gegeven moment ga ik stoppen. Reizen, genieten, dat soort dingen. Terwijl ik meteen als ik dat zeg, denk: als Najib belt om samen een paar shows te doen, zal ik daar waarschijnlijk altijd voor openstaan. Maar dat toeren zoals ik nu doe, blijf ik niet altijd doen.’

Tot slot: wat is dat met jou en Kerstmis? Ik ken geen mens die rond deze tijd blijer wordt dan jij.
‘Veel mensen denken dat ik kerst leuk vind vanwege Jezus en al die verhalen, de kerkelijke kant van kerst. Dat is niet zo. Ik houd ervan hoe mensen met elkaar omgaan rond die tijd. Ik houd niet van confrontatie, niet van ruzie. Als twee vrienden een heftige discussie hebben, spring ik er altijd tussen. Howard Komproe noemt mij altijd Maizena, de grote verbinder. Ik wil dat de sfeer goed is, dat iedereen blij is. En in die twee weken rond kerst lijkt dat overal het geval te zijn. Ik had vroeger twee buurmannen die altijd ruzie hadden, behalve met kerst. In het extreme: er zijn rond kerst vaak wapenstilstanden. Maar rond 2 januari is het klaar, doet iedereen weer naar. Ik zou het ‘t liefst het hele jaar zo willen, maar dat gaan mensen me niet geven. Daarom wil ik elk jaar echt genieten van die tijd. Misschien ben ik een beetje een struisvogel, maar dat is dan maar zo.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Showbizz
  • ANP, NL Beeld