‘Ik zag ineens dat ik fucking intelligent was’

Darine el Houfi groeide op in een slechte buurt in Zeist. De lokroep van het criminele circuit was nooit ver weg, maar Darine koos voor een andere kant en ging zijn best doen op school.
Darine el Houfi

Nu is hij 22 en runt hij zijn eigen stichting. De Toekomst geeft bijles aan kinderen uit hetzelfde soort achtergestelde wijken als waar hij vandaan komt.

Laten we beginnen bij je jeugd in Zeist. Je bent opgegroeid in de L-flat, een van de grootste galerijflats van Europa. Hoe was dat?

‘Zeist klinkt heel chic, maar destijds was Vollenhove, de buurt waar ik dus woonde, een lastige wijk. Veel criminaliteit, armoede, laaggeschoolde mensen, jongens die vervelend waren. Ik was zelf ook best wel vervelend. Ouders die geen grip hadden op hun kinderen, dat zag je ook heel erg. Het was wel echt chaos. Mensen die van de flat naar beneden sprongen. Ik heb dat zelf ook weleens gezien. Ik werd ’s ochtends wakker en keek van het balkon naar beneden en dan zie je gewoon een lijk liggen. Het was een depressieve hoek van Zeist. Vechtpartijen, schietpartijen, schuren en kelders waar werd ingebroken. De auto van mijn vader is een keer gestolen. Maar ondanks de chaos en de jungle die het daar was, hebben we toch wel leren overleven op de een of andere manier.’

Weinig blanke Nederlanders in de wijk, gok ik?

‘Nee, gewoon helemaal niet. Nou ja, er waren er misschien een paar. Die noemden wij de tokkies van de flat. Er woonden weinig mensen van wie je iets kon leren. Niet dat je alleen van Nederlandse mensen iets kunt leren... Het gemiddelde inkomen lag daar op 1500 euro in de maand, misschien. Dan heb ik het over de tweeverdieners, hè.

En ging je daar naar school?

‘Er zat een basisschool achter onze flat, die heette Op Dreef. Daar werken we nu met onze stichting ook mee samen. Mijn ouders hebben er bewust voor gekozen om ons daar niet op te zetten. Ik ben de oudste van vijf, ik heb twee broertjes en twee zusjes. Wij zijn allemaal naar een christelijke basisschool gegaan in het centrum van Zeist. Mijn moeder bracht ons elke dag op de fiets heen en weer.’

Wat deden je ouders?

‘Inmiddels is hij wiskundeleraar, maar in die tijd deed mijn vader niks. Hij had een uitkering nadat hij een whiplash had overgehouden aan een auto-ongeluk. Hij werkte toen bij Overtoom. Nadat hij het parkeerterrein van zijn kantoor uitreed, knalde er een Jeep bovenop hem. Door die whiplash kon hij niet te lang stilzitten en niet te lang staan. En hij had ook veel psychische schade. Hij was niet zelfverzekerd. Daar heeft hij veertien jaar mee thuisgezeten. En mijn moeder werkte ook niet. Zij heeft bekkeninstabiliteit. Als je vijf kinderen op de wereld hebt gezet, functioneert je lichaam niet meer zoals je zou willen. Maar ze stond dus wel elke ochtend op om ons naar school te fietsen.’

Waarom wilden je ouders je niet op de school achter jullie flat hebben?

‘Van alle kinderen daar is 85 procent niet-westers, en ze komen bijna allemaal uit de buurt. Mijn ouders, vooral mijn vader, wisten toen eigenlijk al dat hun kinderen daar niet veel zouden leren. Want op de school achter onze flat hadden de leerlingen een taalachterstand, ze spraken met een accent, hun ouders hadden zelf weinig kennis over school en onderwijs en waren niet echt betrokken. En begrijp me niet verkeerd: het is nu echt een goede school, maar destijds was het alles bij elkaar niet een omgeving waar je als kind veel zou kunnen leren.’

En die witte school, hoe was dat?

‘De Damiaanschool was een katholieke basisschool. Daar zat ik ineens met alleen maar Nederlandse kinderen in de klas. Maar ik kon prima mijn plek vinden tussen die kids. We hadden wel een eigen clubje hoor, Mohammed en ik en de paar andere niet-westerse jongens. Maar een van mijn beste maatjes toen was Bart. Hij was op de basisschool echt mijn mattie. En juf Bernadette en juf Mirjam, mijn juffen in groep 7 en 8, daar heb ik echt heel veel aan gehad. Vooral juf Bernadette, zij heeft in groep 7 echt een knopje bij me om weten te zetten. Tot groep 6 was ik echt drama. Cito-scores waren niet goed, gedrag was niet goed. En daarna ging de knop om. Vanaf toen kreeg ik het gevoel: oké, Darine kan wel wat gaan bereiken. Ik mocht in routeboekjes gaan werken, dat was voor de kinderen die heel goed waren in rekenen. Ik had mijn werk altijd heel snel af, ik haalde hoge cijfers voor mijn toetsen, ik nam mijn schoolboeken stiekem mee naar huis om extra te leren.’

Vertel eens over juf Bernadette.

‘Ze was de overbuurvrouw van Bart, bij wie ik vaak thuis speelde. Ze was een strenge juf, maar wel rechtvaardig. Ze wist hoe ze me onder controle moest houden. Als ik met de jongens zat te klieren, pakte ze me direct aan. Maar ze motiveerde me ook echt: je kan het wel, je doet het echt goed. Ze was heel scherp en dat maakte me ook scherp. Juf Mirjam was juist weer heel zacht en lief. Zij was begripvol en gaf alle kinderen heel veel individuele aandacht.’

Wat was behalve juf Bernadette voor jou nog meer een trigger om beter je best te doen?

‘Ik heb best wel een lastige vader. Heel streng, echt heel streng. Hij wil dat we thuis allemaal top presteren. En dat begrijp ik, maar hij brengt dat nog wel over op de old school Marokkaanse manier, zeg maar. Niet met klappen, maar hij kan woorden gebruiken waar je dagen niet van slaapt. Dat blijft echt in je zitten. Als jij als jongetje van acht hoort van je vader dat je boer gaat worden omdat je schoolcijfers niks zijn, dat doet pijn. Dat heeft me geraakt, het knaagde aan mij. Ik móet hem bewijzen, maar ook mezelf, dat ik het wel kan. Dat was een van mijn grote drijfveren.’

En de andere?

‘Ik wilde niet meer in armoede leven. De eerste vijftien jaar van mijn leven zijn we in armoede opgegroeid. Armoede is de koelkast opentrekken en alleen een fles azijn vinden. Heb je weleens cornflakes met water gegeten? Ik wel. Snap je? Kleding van de kringloop. Ik kon daar niet tegen. Ik wilde iets bereiken. Toen ik tien was, wist ik al dat er een paar manieren waren om uit de armoede te komen. En dat was, zoals veel jongens uit de buurt, met drugs aan de slag gaan. Of gaan inbreken. Of je gaat je best doen op school. Ik heb twee linkerhanden, dus ik zag mezelf ook niet als loodgieter of in een garage werken. Dus ik ging gewoon mijn best doen. En toen zag ik ineens dat ik gewoon fucking, sorry voor mijn taalgebruik, intelligent was. Ik haalde echt zieke cijfers. Op een gegeven moment alleen maar negens en tienen. Dat is lekker voor je zelfvertrouwen hoor, als je 10 jaar bent en altijd de jongen was die er niks van bakte. Ik vond het zelfs leuk om de andere jongens te helpen met huiswerk maken.’

Armoede is de koelkast opentrekken en alleen een fles azijn vinden. Heb je weleens cornflakes met water gegeten? Ik wel

Naar wat voor middelbare school ben je gegaan?

‘Juf Bernadette adviseerde mijn ouders om me naar het Jordan Montessori Lyceum te laten gaan. Ik ging naar een open dag, maar vond het er eerst helemaal niets. Blank en elite, de top notch van de samenleving zat daar. Maar hoe de lessen gingen, met veel zelfstandigheid voor de leerlingen, dat sprak me wel aan. Toen dacht ik: hier zie ik me wel mijn vwo-diploma halen. Nee, ik vond het geen intimiderende omgeving. Ik vind overal mijn plekje wel. Ik pas me overal goed aan. Bovendien, mijn mattie Bart zat nog steeds bij me in de klas, de eerste drie jaar.’

Had je ook bijbaantjes?

‘Ja, vanaf mijn elfde al. Ik heb een folderwijk gehad, bij de Albert Heijn gewerkt, afgewassen, kranten gelopen. Op mijn zestiende heb ik mijn scooterrijbewijs gehaald en voor 3000 euro een Vespa gekocht. Zodat ik pizza’s kon gaan koerieren. Al mijn geld maakte ik op aan kleding. Omdat ik aan de kinderen in mijn klas niet wilde laten zien dat we thuis arm waren. Gucci, Louis Vuitton, Dolce & Gabbana, prijzige merken. En ik was 15,16 jaar. Als ik zaterdagochtend klaar was met mijn kranten, ging ik naar huis om te douchen en om te kleden en ging ik in m’n eentje naar Amsterdam. Shoppen in de P.C. Hooftstraat. Soms kocht ik ook nepkleding in vanuit China. Bijvoorbeeld vijf riemen voor 35 euro, en die verkocht ik hier dan voor 100 euro per stuk. Als 16-jarige snotaap is dat wel lekker. Maar ik hoefde dus nooit het criminele circuit in om aan mijn geld te komen.’

En de andere gasten uit de buurt? Die zagen jou niet als loser?

‘Oh, jawel. Dat begon er al mee dat ik op een witte school zat. Ik werd echt wel gepest vroeger. Ik was een zachte jongen. Ik was niet hard. En alle jongens uit de wijk werden getraind om hard te worden. Met elkaar op de vuist gaan, elkaars moeder uitschelden. Misschien nog het woordje kanker erbij. En dan gingen ze matten met elkaar. Ik was niet zo. Ik heb drie, vier jaar gekickbokst, maar ik heb daar nooit misbruik van gemaakt. Maar als je niet wilde vechten, dan was je in de wijk een mietje. Ik had het zwaar. Maar ze waren ook gewoon jaloers. Ik was een van de weinige jongens uit de flat die vwo deed. En op een eerlijke manier aan zijn geld kon komen. Die afgunst, dat is tot op de dag van vandaag zo. Nu misschien nog wel meer dan vroeger. De kleintjes uit de buurt kijken naar me op. Die vinden me een held. Maar de jongens van mijn eigen leeftijd, die vinden het niet leuk dat ik het aan het maken ben.’

Als je niet wilde vechten, dan was je in de wijk een mietje. Ik had het zwaar. Maar ze waren ook gewoon jaloers

Hoe werd je destijds gepest?

‘Ze probeerden me uit de tent te lokken om te vechten. Of ik mocht niet meedoen met voetballen, of alleen maar keepen. Ik had destijds een scheve rug en daardoor best een groot achterwerk. Dan noemden ze me homo of Jennifer Lopez. Ik was ook een van de weinigen met een Playstation. Ik nodigde vrienden uit om bij me thuis te komen spelen, maar er kwamen er steeds minder opdagen. Maar ik heb altijd sterk in mijn schoenen gestaan. Alleen in mijn vierde schooljaar had ik een moment van zwakte. Toen ging ik wel om met de verkeerde jongens en heb ik misschien wat dingen gedaan die niet mochten. Maar na een paar maanden zag ik al in dat het een doodlopende weg was. Ik had heel andere ambities en dromen.’

Wat voor rol speelt schaamte in een wijk zoals Vollenhove in Zeist?

‘Mijn ouders wilden niet aan de buitenwereld laten zien dat ze arm waren. Van de kids die we nu met onze stichting huiswerkbegeleiding geven, zijn er ook zat met ouders die te laat betalen. Ik zeg dan altijd: “Als je het niet kan betalen, laat het me gewoon weten. Ik kom er zelf ook vandaan. Ik ben niet een of andere elite-mongool die niet weet hoe dat allemaal in elkaar zit. Ik wil jullie juist helpen zodat de gemeente het voor jullie betaalt.” Ik heb van de Nederlanders geleerd dat voor niets de zon opgaat. Wij Marokkanen schamen ons hoor, als het gaat over geld verdienen. Neem zoiets als aangeven wat voor salaris je zou willen. Wat moet je nou vragen dan? Ik zou bij een sollicitatiegesprek nooit vragen wat het salaris is. Natuurlijk is geld belangrijk, maar ik zou nooit zeggen dat het te laag is. Terwijl een gepolderd iemand zou zeggen: “Wacht eens even, waarom krijg ik dit en dit er niet bij?” De meeste Marokkanen onderhandelen niet en zijn vaak tevreden met een degelijk salaris.’

En veel van die ouders kennen de weg naar de juiste instanties niet?

‘Instanties en gemeentes maken het veel te moeilijk. Hoe kun je ouders die slecht Nederlands spreken en niet weten hoe het werkt, laten zien waar ze terechtkunnen? Die ouders raken verdwaald in zo’n bureaucratisch oerwoud. En doen het dan maar niet. Ik heb een voorbeeld. Als je geen contributie voor de voetbalclub kunt betalen, kun je een aanvraag doen bij de gemeente. Op het formulier moet je invullen wat je overhoudt van je uitkering als je alle vaste lasten en andere kosten ervan aftrekt. Dus niet wat er binnenkomt, maar wat er nog in je portemonnee zit als je alles hebt betaald. Als je daar 500 euro invult omdat je niet snapt wat het woordje ‘overhoudt’ betekent, dan is het klaar. En gaat zo’n jongen niet op voetbal. Het zijn kleine dingetjes die enorme gevolgen kunnen hebben.’

Hoe vond jij je weg door die bureaucratische jungle?

‘Met vallen en opstaan. Ik heb heel veel nee te horen gekregen. Nee, er is geen subsidie voor zulk soort projecten. Maar de aanhouder wint. Nu zijn we in Utrecht het eerste huiswerkbegeleidingsinstituut dat subsidie heeft gekregen. In Zeist en Gouda ook. Maar je wilt niet weten hoe vaak ik op mijn bek ben gegaan. De belastingdienst, rechtsvormen, facturen die niet op tijd worden betaald, problemen met de cashflow, contracten die je niet afsluit omdat je denkt dat iedereen wel te vertrouwen is, een wortel voor je neus gehouden krijgen en uiteindelijk toch een nee horen. Dat heb ik de afgelopen twee jaar allemaal meegemaakt. Ik had niet iemand die me kon helpen met het opzetten van mijn stichting. Ja, mijn oom leende me 1000 euro. Daar heb ik tafels voor het eerste leslokaal van gekocht en flyers van laten drukken.’

Zo ben je gestart, gewoon met flyers door de brievenbus duwen in je oude buurt?

‘Na mijn vwo ben ik bedrijfskunde gaan studeren in Amsterdam. Studeren is duur, dus ik moest geld verdienen. Mijn vader kwam met het idee om bijles te gaan geven. Toen zag ik de prijzen. Studenten van mijn leeftijd vroegen 25,30 euro per uur. En ik kreeg een flashback naar mijn vader. En het antwoord dat hij gaf toen ik een keer vroeg of ik huiswerkbegeleiding kon krijgen: “Het is óf bijles óf eten.” Hoeveel kinderen zullen er in precies dezelfde situatie zitten? Zodoende ging ik een ruimte zoeken in Zeist. In 2017 vond ik een plek die ik tot aan de zomervakantie gratis mocht gebruiken. De eerste les was op 14 mei. We sloten dat schooljaar af met acht kinderen. Ik had hogere verwachtingen, ik had gerekend op dertig leerlingen. Maar het was mooi. Je bouwt een band op met elkaar. Je bent niet alleen maar bezig met sommetjes uitleggen. Je leert ze ook echt dingen over het leven. “Ga eens op die school kijken. Gedraag je. Probeer het eens zo te doen.” Van alles. Ik zag me als een broer. Hang je jas op als de les begint, zit rechtop. Kleine dingetjes. Ga lezen, verbreed je woordenschat. Daarna kreeg ik een telefoontje van het AD. Toen stonden we met een groot stuk in de krant. Na de zomervakantie hadden we ineens een club van 45 kinderen. En dan zien gemeentes en instanties ook dat die Marokkaanse jongen van twintig die kwam vertellen dat hij bijles ging geven, blijkbaar wél veel leerlingen weet te bereiken.’

Moest je vaak tegen vooroordelen opboksen toen je bij gemeentes en welzijnsinstanties aanklopte voor subsidie?

‘Ik heb één keer van iemand van de gemeente gehoord dat ik te goed was in praten. Dat mijn babbel te gladjes was. Ik zei: “Wat willen jullie dan, dat ik niet kan praten?” En ik heb natuurlijk helemaal geen onderwijsachtergrond, ik ben bedrijfskundestudent. Nu prijst iedereen me de hemel in en willen ze allemaal met me samenwerken, maar in het begin was het moeilijk, hoor. De wethouder van Welzijn in Gouda was de eerste politicus die op gemeenteniveau zei dat in deze jongen geïnvesteerd moest worden. Die kijkt niet naar je kleur of je leeftijd, maar naar je plannen. In mijn eigen gemeente Zeist ben ik anderhalf jaar bezig geweest om subsidie te krijgen. Dus je moet een lange adem hebben. Het Oranje Fonds, het VSB Fonds, die hebben mijn aanvragen ook meerdere keren afgewezen. Dan kan je wel in de slachtofferrol gaan zitten en roepen dat ik ’t niet heb gekregen omdat ik een Marokkaan en jong ben, maar zo werkt het niet. Als de ene deur niet opengaat, moet je een andere deur proberen. Daar ben ik heel goed in. Ik ben geen opgever, ik zet altijd door. De gemeente Zeist heeft mij ook een paar keer afgewezen. Maar uiteindelijk, met de ondersteuning van een aantal beleidsmedewerkers, is het toch gelukt.’

Waarom vind je dit belangrijk?

‘Ik kan heel goed zelf de motivatie en discipline opbrengen om door te gaan. Maar heel veel kinderen hebben een extra zetje in de rug nodig om dat te bereiken. Die hebben niemand nodig die ze dat zetje kunnen geven. Los van mijn vader, die er altijd voor me was, had ik toen ik opgroeide ook niet zo’n figuur. Een coach, een broer, iemand naar wie je kon opkijken. Ik pepte mezelf op voor de spiegel: “Over tien jaar ben je dit, en dit ga je allemaal doen om dat te bereiken.” Heel veel jongens en meiden hebben die discipline niet. Ga jij op je zestiende maar eens je huiswerk maken in plaats van hangen met je vrienden. Dat is moeilijk, hoor.’

Wat zijn je plannen voor de toekomst?

‘Na de zomervakantie hebben we zeventien locaties, daarmee bereiken we zeshonderd kids. En dan wil ik na de kerstvakantie buiten de Randstad gaan opereren. We hebben aanvragen gekregen vanuit Groningen, Enschede, Zwolle, Roermond, Eindhoven, Doetinchem. Over twee, drie jaar wil ik in heel Nederland zitten. Ik ben trots op mezelf en wat ik heb neergezet. Als ik nu ’s ochtends voor de spiegel sta, zeg ik: “Klootzak, je hebt het wel gedaan.” Soms mag je de stappen die je hebt gezet, even koesteren.’ 

NIEUWE REVU ­ONTMOET DARINE EL HOUFI

Darine el wie?

Darine el Houfi (22) staat in de Top 40 onder de 40 van 2019 vanwege het werk dat hij doet met zijn stichting De Toekomst. Die geeft voor een appel en een ei (dankzij subsidies van welwillende gemeentes en instanties) huiswerkbegeleiding aan kinderen uit achtergestelde wijken. Waar? In de skybar van het Fletcher hotel in Amsterdam. Nog iets genuttigd? Een paar cappuccino’s. Met extra koekjes, omdat Darin nog niet had ontbeten en de keuken nog niet open was. Verder nog iets? Dat het opengaan van de keuken geen enkele positieve invloed had op het op tafel verschijnen van de door ons bestelde en zo vurig gewenste tosti’s.

window._taboola = window._taboola || []; _taboola.push({ mode: 'alternating-thumbnails-a', container: 'taboola-below-article-5df11c9294542', placement: 'Below Article Thumbnails 2', target_type: 'mix' });