Premium

Goed geboerd

Voordat Jaap Korteweg biologisch ging boeren, vegetariër werd en De Vegetarische Slager oprichtte, had hij een lange, lange weg van bewustwording te gaan.
De vegetarische slager in actie

Hoe de boerenopstand van 1990, de oprichting van een vakbond voor akkerbouwers en een bijna fataal ongeluk met landbouwgif de basis voor zijn vega-imperium legden. Een voorpublicatie van De Vegetarische Slager, dat deze week verschijnt.

Jaap was dertig en banjerde op kousenvoeten met een bord eten door de woonkamer. Hij liet het licht uit. Silhouetten om hem heen, de gestaltes van een paar oude fauteuils en een tv-meubel. Zijn vrouw Mirjam was naar een avondje van de plattelandsjongeren. Op het bord lagen een plukje opgewarmde boerenkool en een halve hoefijzer rookworst, waarover een spoor grove mosterd kronkelde. Pareltjes zweet op het snijvlak, de beloning voor een dag op het land. Vanuit zijn stoel zag hij door het grote raam het maanlicht in het water van de verse ploegvoren. Rijen zaaiuien stonden strak in het gelid, chemisch vrij van onkruid.

Terwijl de veertig hectaren floreerden, moest hij aan zichzelf toegeven dat er toch weinig beter was dan dit. Het gevoel goed bezig te zijn als boer, midden in de wereld te staan, op akkers die verder reikten dan het oog, een deltagebied dat tot de meest vruchtbare grond op aarde behoorde. Hier werd de basis gelegd voor het voedsel op aarde. De wereldbevolking groeide, de welvaart nam toe, in China kwamen er elke dag meer monden bij om te voeden.

Boerenoproer

Het leven begon bij niet-aflatende plantaardige productie. Bij granen en plantaardige eiwitten. Zelfs deze plak sappige worst aan zijn vork, gemaakt van Nederlands varken, was op deze grond begonnen. Met zaden en plantgoed, met koolzuur, water en zonlicht, dat nog nagloeide op zijn gezicht en zijn armen.

Hij knipte de tv aan. Het Achtuurjournaal. Trekkers op snelwegen, een beeld waar hij al wekenlang met een mengeling van opwinding en verbazing naar keek. Collega’s op trekkers bij het Binnenhof in Den Haag, collega’s die snelwegen blokkeerden, collega’s die het gebouw van de Rijksbelastingdienst bezetten, het hoofdkantoor van de Rabobank. Vandaag waren er zelfs twee lange optochten van trekkers op weg naar Schiphol. Opnieuw leken politie en ME machteloos te staan tegenover woedende boeren, maar bij Schiphol trok de regering een grens, met de inzet van tanks en pantserwagens van het leger.

Het was het voorjaar van 1990 en het boerenoproer ontwikkelde zich naar een kookpunt. Na het vertrek uit de politiek van Sicco Mansholt (boer, van 1945 tot 1958 minister van Landbouw en daarna tot 1972 Eurocommissaris voor Landbouw) was een einde gemaakt aan zijn onhoudbare beleid waarbij de prijs van Europees graan kunstmatig hoog werd gehouden. De voedseloverschotten die er het gevolg van waren, waren jarenlang met tientallen miljarden aan belastinggeld opgekocht, meer dan de helft van de EEG-begroting. Het werd opgeslagen in EEG-graansilo’s, EEG-opslaghuizen en EEG-koelcellen en van daaruit werd het tegen ramsjprijzen op de wereldmarkt gedumpt. Produceer maar raak, hadden ook Jaaps vader en grootvader te horen gekregen, we raken het wel kwijt. Goed tegen de honger in de wereld. In Afrika zaten mensen in een gat in de grond, maar we hoefden ze er niet uit te halen, we goten er gewoon in wat wij niet nodig hadden en dat noemden we ontwikkelingshulp. Onze schepen brachten 40 miljoen ton per jaar aan graanoverschotten naar de derdewereldlanden en als tegemoetkoming aan de boeren daar kwamen ze terug met 40 miljoen ton veevoer als soja en afval. Een gigantische mineralenkringloop, die zich tot trots van Mansholt had uitgestrekt over continenten en die akkerbouwers in derdewereldlanden de sloppenwijken in dreven. Niet zo slim allemaal. De miljarden die dit geintje had gekost wilde de Haagse politiek voortaan liever besteden aan meer beloftevolle sectoren, zoals de varkenshouderij.

Intussen was de vaste tarweprijs al losgelaten en gehalveerd, maar de productie daalde niet. Zoals elke andere boer zaaide ook Jaap gewoon door, want hij had geen alternatief. Collega’s vroegen waarom hij niet een keer meeging om te protesteren. Dáár lag de schuld, daar hadden ze van de boer een subsidievreter gemaakt.

De akkerbouw was in een vrije val terechtgekomen. Het duurde niet lang meer of het was uit Nederland verdwenen. Een vergezicht dat ook Jaap niet ontging. Toch piekerde hij er niet over om met zijn trekker het Malieveld om te ploegen, om hooibalen in de fik te steken, om de schuld te geven aan anderen. Maar aan wie dan precies? Aan Brussel of Den Haag? Aan Mansholt of minister Braks? Aan de consument, die voor een dubbeltje op de eerste rang wilde zitten? De supermarkt? De banken? En de boer dan? Had hij zelf ook misschien een verantwoordelijkheid?

Misdadig beleid

Op zijn gezicht f lakkerde spookachtig tv-licht. Sappen verspreidden zich over zijn tong en verhemelte. De licht pittige smaak van kinnebakspek, doorregen rundvlees, hamlappen uit de vleesmolen, in een varkensdarm. Kruiden en specerijen, witte peper, koriander, nootmuskaat vers van de noot, gemalen foelie en cayennepeper. Kon de boer er wat aan doen? De boeren die hij kende, waren overwegend eerlijke lui die hard werkten en hun best deden om goedkoop voedsel te produceren, al zaten er natuurlijk ook luilakken en flapdrollen tussen, niets menselijks was boeren vreemd. Oók tussen de varkensboeren, die hij weleens op bijeenkomsten sprak. Veel varkensboeren deden gewoon wat er van hen werd gevraagd. Monden voeden. Nederlandse en steeds meer buitenlandse. Miljarden monden, getallen waarvan Jaap zich op zijn sprankelend groene grond zonder één sterveling erop eigenlijk geen voorstelling kon maken. Tegelijk begreep hij dat in Azië en Afrika door overbevolking en droogte de tekorten toenamen. Terwijl wij ons druk maakten over de prijzen van ons graan en vlees en hoe we graan en vlees goedkoop over de wereld konden verspreiden, rees in verre landen elk dag opnieuw een andere vraag. Is er morgen iets te eten?

Jaap dacht: productie en gebruik moeten beter op elkaar worden afgestemd. Maar hoe, dat wist hij ook niet. Hijzelf produceerde ui, aardappel, tarwe, biet en knolselderij. Maar wat hij ook verbouwde, er was weinig mee te verdienen. Boeren kostte vooral geld en op de koop toe verpestte je de natuur. Dat was zelfs Mansholt gaan inzien. Op zijn oude dag hadden het Rapport van Rome en een affaire met een milieuactiviste hem de ogen geopend. Hij gaf toe dat zijn beleid ‘misdadig’ was. Hij had van de schepping een ‘catastrofe’ gemaakt. De laatste maanden van zijn leven mompelde hij over ‘de schoonheid van de natuur, de gebroken harmonie’. We moesten redden wat er nog te redden viel. Hoe zou de problemenfixer van weleer nu aankijken tegen vlees? Want ook vlees begon zoetjesaan een probleem te worden.

Afgehakte koeienkop

Vleesproducenten beantwoordden de almaar toenemende vraag met meer, sneller en goedkoper. Door de lage prijzen en buitenlandse concurrentie was de vleesmarkt een vechtmarkt geworden en Nederlandse producenten vochten mee. Ze brachten de kosten verder omlaag door ham te injecteren met een oplossing van water, kleurzout en fosfaat. Ook kwamen ze met steeds meer innovaties, want met alleen ham, rookvlees en gekookte lever trokken ze geen klanten meer. Ze verduurzaamden vlees door het te roken, stomen, grillen, braden en hapklaar te maken. Mensen moesten de hele dag vlees gaan eten. Als tussendoortje, borrelhapje, vlees als candybar.

De plak leverworst op een prikkertje voldeed niet langer, met de toenemende maatschappelijke zorgen over vleesconsumptie moest vlees meer ‘gecamoufleerd’ worden gebracht. Verpakt als ‘broodje met knak’, zodat mensen zich er niet meer van bewust waren dat ze vlees aten. Vlees werd steeds kleiner gehakt en verstopt in snacks en eenpansmaaltijden, in chili con carne, hutspot, babi pangang, flink gekruid en gemarineerd en voorverpakt in vershoudfolie. Gruwelden veel kinderen van vlees? Als de plak boterhamworst op de boterham was voorzien van een vrolijk lachend gezichtje, ging het er toch wel in. De keurslager verpakte bloederige plakjes rosbief niet langer in het toegevouwen papieren zakje met opdruk, hij sealde ze voor een langere houdbaarheid zuurstofarm in plastic. Dan zag het er meteen ook een stuk fraaier uit. Wie de maag wilde bereiken, moest eerst het oog bevredigen. En nu werkten we vlees weg als water.

Hij piekerde er niet over om met zijn trekker het Malieveld om teploegen, om hooibalen in de fik te steken, om de schuld te geven aan anderen. Maar aan wie dan precies?

Bij de snackbar wachtte een keur aan kalfskroketten, frikandellen, viandellen, eierballen, bamischijven, nasiballen, broodjes speklap, berenklauwen, sjaslieks en Knoeperds, vlees op een stokje. Ook pizzaboeren, cateraars en leveranciers van kant-en-klaarmaaltijden boden anoniem, verstopt vlees. Laatst, in Breda, zag Jaap voor het eerst een echte shoarmatent vanbinnen. Naast de Chinees kwam ook het Argentijns steakhuis op, de Joegoslaaf, de Griek en de Turk, als gezellig bedoelde plekken met exotisch beschilderde muren en vriendelijke bediening en de geur van hoog opgetaste schotels gyros waarvan het water je in de mond liep.

De journaalbeelden van brandschattende boeren bleven komen. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Terwijl hij met zijn vork in iets zachts prikte, zag hij tussen de gezichten van de plunderaars een afgehakte koeienkop. Boven de meute: een doodgeboren biggetje op een stok gespietst. Vroeger keken mensen tegen de boer op. Hij zag hoe een brandweerman, die een in de hens gezette tram probeerde te blussen, dekking moest zoeken voor de dode kippen die naar zijn hoofd werden geslingerd. Dit ging niet over de akkerbouwer. Toch? Met zijn uien en bieten had Jaap hier niks mee te maken. Prikkend tastte hij zijn bord af. Krassend geluid van ijzer op aardewerk. In het tv-schijnsel staarde hij naar zijn lege bord. Hij kon er de vinger nog niet op leggen, maar hij had de indruk dat iets in de wereld niet helemaal goed ging.

[...]

Graag op zichzelf

Een paar jaar later. Het loof van de aardappelen schoot op, gelijk met het onkruid. De hele dag zat Jaap op zijn trekker zonder cabine. Achter de trekker hing een spuitkar met daarop een frame en een polyester tank van 600 liter, aan de voorzijde hing een tweede tank. Een pomp met zuigarmaturen en persarmaturen leidde het gif, liever gezegd gewasbescherming, via slangen naar de spuitboom, een gevaarte van 21 meter breed dat als een gigantische spoiler achter de tank werd meegedragen. Werveldoppen sproeiden de vloeistof in een patroon van 42 elkaar overlappende kegels over de rijen gewassen. De gele douche van onkruidverdelger DNOC, het wit van insecticide Parathion. Behalve onkruid baarden organismen hem zorgen. Springerige insecten, gulzige mijten, microscopisch kleine aaltjes, waarvan er duizenden in een vingerhoed pasten en aan de wortels van zijn aardappelen zogen en openingen vormden voor schimmels die in de bodem hun kans afwachtten en ziekteverwekkers overbrachten. Hij bestreed ze met insecticiden, nematiciden, fungiciden. Sommige gechloreerd, andere waren verwant aan het zenuwgas dat in de oorlog was gebruikt. Het werd opgenomen door de huid, door inademing of oraal. Maar voor de mens, dacht hij, kon het geen kwaad. Wel was het effectief tegen die beestjes, langdurig werkzaam en goedkoop. De stof drong door de huid, eenmaal binnen werd hij door het vetweefsel opgenomen en bereikte hij de zenuwbaan. Eerst vertoonde het insect hyperactiviteit, dan algehele verlamming, waarop de dood volgde. Nadeel was wel dat het middel ook nuttige insecten als bijen en natuurlijke vijanden van de plaag vernietigde.

Als een schip op zee bokte hij door de rijsporen. Af en toe ranselde een grilligheid zijn banden. Bij zo’n smakker verlegde de trekker zijn spoor iets en moest hij bijsturen. Hij voelde hoe de wind door het sproeigordijn trok. Nevel op zijn gezicht. Hij tuurde omhoog. Of toch regen? Zonnestralen prikten door het wolkendek. Hij keek achter zich, zag ook daar niets vreemds. Hij voelde alleen het zuchtje wind in zijn rug, ervoer de wervelende waaier van rond stuivende druppeltjes, hoe ze door de lucht zweefden en op hem neerdaalden en zich over hem verspreidden, van zijn handen tot achter in zijn hals.

Met zijn vakbondswerk was hij alweer gestopt. Na één jaartje voorzitterschap was er onrust in hem gegroeid; niet lang erna had hij de voorzittershamer neergelegd. Officiële reden: de ziekte van Pfeiffer, gedwongen rust op last van de dokter. Ook beleefde hij een moeilijke periode, zo werd gefluisterd, na de scheiding van Mirjam, de moeder van zijn dochters, de tweeling Myrthe en Sanne. Maar in het dorp en bij de bond zagen ze zijn afscheid al langer aankomen. Jaap was graag op zichzelf. Hij was goed in het bedenken van plannetjes, maar hij hield dingen nooit zo lang vol. Het ging hem gewoon niet snel genoeg en dan ging hij liever iets anders doen. Zelf had hij een andere verklaring. Hij had zijn punten vaak genoeg toegelicht, meer kon hij er niet aan toevoegen. Bovendien had de bond alle doelen bereikt. Het gehate Landbouwschap was weg, de verzuiling was doorbroken. En de veehouder werd nog altijd voorgetrokken, maar de akkerbouwer stond al wel wat sterker. Als Jaap zijn land braak liet liggen, kreeg hij nu een braakpremie die hoger was dan zijn aow-uitkering. Het was hem met zijn bond alleen niet gelukt om uit te groeien tot een Europese organisatie. Laten we onszelf dus maar weer opheffen, vond hij. Andere bestuurders wezen op de leden die ze zouden teleurstellen. Hij stond alleen, droeg de hamer over aan Joop. Ergens kwam het hem ook wel goed uit, hij had tijd nodig om na te denken over iets anders. Hij dacht erover om zonder insecticiden te gaan boeren. Hij was er alleen nog niet uit hoe.

Midden in het veld zette hij de trekker stil. De zon brak door de wolken. De akkers leken te pulseren. De wind blies gezang door de elektriciteitskabels boven zijn hoofd. Hij keek op de drukmeter van het sproeisysteem. De druk leek iets te zijn teruggevallen. Vreemd. Als in een droom draaide hij zich om naar de spuitboom. Uit enkele werveldoppen drupte de vloeistof. Hij sprong van de trekker. Voelde aan de leidingen. Blijf altijd uit de buurt van leidingen, stond ergens in een handleiding. Maar handleidingen, die las hij niet. Lekkage kan ernstige en levensgevaarlijke verwondingen teweegbrengen. Hij rammelde aan de pomp. Morrelde aan de aansluitingen van de slangen. Hij vond geen breuk, geen scheur. Koppelingen smerig? Filterdeksel niet goed gemonteerd? Hij draaide de zuigklemmen vaster, veegde zijn handen af aan zijn broek, sprong weer op de trekker en vervolgde zijn weg door de spuitsporen.

Intensive care

Biologisch boeren. Geen pesticiden meer, geen kunstmest. Nederland telde nog maar tweehonderd biologische akkerbouwbedrijven, in West-Brabant was zelfs nog geen enkele akkerbouwer overgeschakeld. Best gek, als je bedacht dat deze streek bekendstond als vooruitstrevend. De vruchtbare zeeklei was er ook bijzonder voor geschikt, maar als Jaap over biologisch nadacht, leek hem dat vooral moeilijk. Hij teelde al in een ruimere vruchtwisseling, één op zes. Dat leverde ook wat op, minder ziekten dan toen hij nog één op drie teelde.

Opnieuw zette hij de trekker stil. Glitters op het loof, er leek een huivering doorheen te trekken. De warmte van de zon, de verkoelende broesnevel op zijn huid. Zijn blik lag op de drukmeter. De druk was ineens hoog opgelopen. Met zijn knokkels tikte hij op het glas. Was het metertje op hol geslagen? Of was de filter verstopt? Hij sprong van zijn stoel, begon weer de leidingen van het gevaarte achter de trekker af te tasten. Geduld was niet zijn kwaliteit. Ook als bij het sleutelen aan machines iets niet snel genoeg ging, kon er ineens een hamer door zijn werkplaats vliegen en een ruit uiteenspatten. Hebbes. Een slang die niet goed zat. Zonder te kunnen zien wat hij deed begon hij te wrikken. Hij voelde hoe vloeistof over zijn hand liep, gaf er toch nog een harde ruk aan.

Wat hij ook verbouwde, er was weinig mee te verdienen. Boeren kostte vooral geld en op de koop toe verpestte je de natuur

Een dag later, op de intensive care, lag hij tussen mensen die doodgingen. Zijn ogen gingen half verborgen achter een mondmasker. Uit het masker staken witte slangetjes die zijn neus in en uit gingen. Hij hoorde zichzelf ademen. Het was alsof hij in water dreef. Hij durfde zich niet te bewegen. Zelfs zijn ogen lagen stil in de kassen, als door een snorkel staarde hij naar wat nog wel bewoog. Mensen die op wolken liepen. Groene douchemutsen, groene mondkapjes, groene handschoenen. De hoofdpijn waarmee hij wakker was geworden zakte, ook de kramp in zijn nek leek af te nemen. Het zicht was nog wazig, maar zijn hoofd werkte alweer. Zijn gedachten veegden langs het besluit dat hij had genomen, gedachten die hem terugbrachten bij herinneringen, die hem steeds verder terugbrachten in de tijd, terug naar het foutje dat hij gisteren had gemaakt. Eerst het wit weggetrokken gezicht van de huisarts aan zijn bed, vanmorgen vroeg. Toen de 41 graden koorts die hem vanaf de thermometer aanstaarden. Volgden de kletsnatte lakens waartussen hij was wakker geworden, de kortademigheid waarmee hij in slaap was gevallen.

De jazz en de biertjes op het festival in Breda die avond, dat hij eerder dan normaal voor gezien hield. De douche die hij nog had genomen om het gif af te spoelen. De onwillige slang die hij maar in zijn hand bleef houden. De kuil die zompig werd en waarin hij stond weg te zinken. De door zonlicht doorschoten fontein waaronder hij stond. En niemand in de buurt. Hij stond daar maar en hij hoorde het kloppen van de pomp met het gif.

[...]

Het duurde nog tot het jaar 1998 voor hij echt om was. Hij was 36, en zijn verblijf op de intensive care had hem aan het denken gezet.

De Vegetarische Slager, Jeroen Siebelink, Xander Uitgevers, €21,99

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws