'Jullie kunnen de tering krijgen!'

Columnist Stephanie-Joy Eerhart ziet dat de coronamaatregelen en de anderhalvemetermaatschappij niet altijd op evenveel begrip kunnen rekenen van bewoners in de daklozenopvang.

‘Het is corona, pik, we mogen het toch wel gezellig hebben,’ werd er gesnauwd tegen de nachtdienst. De breedgeschouderde George had zijn karaokeset aangesloten op de boxen en Ricardo, flink onder invloed, zong luidkeels mee. Het meisje dat George naar binnen had gesmokkeld, hield zich schuil achter de deur. De tweede keer was ze niet snel genoeg weggedoken, waardoor de nachtdienst bij het openen van de kamer een laatste waarschuwing gaf. ‘Goed maat, jij je zin. Ik ga wel weg met mijn chick!’ riep George geïrriteerd waarna hij het pand verliet. Ricardo zette het feestje voort in zijn eigen kamer totdat zijn buurman, een man met een agressieprobleem, hem dreigde te gaan vermoorden. 

‘Ik heb niks gedaan!’ zegt Ricardo als ik hem ’s morgens op kantoor roep. ‘Ik had geen stiekem bezoek. Ik deed alleen maar aan karaoke. En het was echt heel gezellig, vraag maar aan George.’ ‘Hoe laat kwam de nachtdienst voor het laatst?’ vraag ik hem. ‘Om 01.00 uur,’ verraadt Ricardo zichzelf. ‘En dat is de reden dat je nu geschorst bent. Je dronkenschap, je overlast, de andere bewoners die niet kunnen slapen door jouw gedrag.’ Over de tafel schuif ik hem een schorsingsbrief toe met het adres van de dag- en nachtopvang waar hij zich kan melden. ‘Jullie zijn hier echt alleen om ons te zieken, weet je!’ roept George als hij hoort van de schorsing van zijn mattie. ‘Je gaat nu bellen dat ze de huur terugstorten. Ik wil hier geen dag langer meer wonen, teringzooi,’ roept George door de telefoon. 

Even later stormt George naar binnen met Ricardo achter zich aan. We vragen Ricardo terug naar buiten te gaan. ‘Stephanie, luister, die jongen blijft daar gewoon staan,’ buldert George. ‘Hij heeft niks gedaan! Dat jullie nou zo kinderachtig zijn, stelletje flikkers die hier werken. Altijd wel wat om ons te zieken. Jullie kunnen de tering krijgen!’ 

Collega Alfred roept naar George dat het zo wel genoeg is als de lucht opeens vibreert. En dan gaat alles in slow motion. De grote reus wiens hand de keel van Alfred grijpt en omsluit. Mijn krachteloze arm die hem uit een soort van automatisme los probeert te trekken. Ik hoor mijn versnelde ademhaling, voel de hartslag in mijn nek. En dan laat hij los en gebied ik hem het pand onmiddellijk te verlaten. Ik kijk hem na terwijl ik hoor hoe mijn collega hijgend 112 belt.

Laatste nieuws