Onze man in Wageningen, op de Dag van de Hoed

De hoed is steeds meer aan het verdwijnen uit het straatbeeld, en dat is misschien maar goed ook. Wie een hoed draagt, w...

De hoed is steeds meer aan het verdwijnen uit het straatbeeld, en dat is misschien maar goed ook. Wie een hoed draagt, wil daar tegenwoordig vooral wat mee zeggen: dat hij een singer-songwriter is, of een lekker gekke vrouw van 63. De laatste categorie organiseert jaarlijks de Dag van de Hoed, in Wageningen. Onze man zocht de dames op.

Fotografie Clemens Rikken

Wageningen is de stad van de wetenschap, vertelt een ongetwijfeld peperdure reclameslogan van de afdeling citymarketing me, en dat is maar goed ook, want van heel veel andere zaken hoeft Wageningen het niet te hebben. Ja, misschien had de slogan ook kunnen zijn ‘Wageningen, hoedenhoofdstad van Nederland’. Waar was het niet geweest, want de stad lijkt amper in de gaten te hebben dat een aantal hoedendragers zich in een van de Wageningse parkjes verzameld heeft, maar het was een mooie binnenkomer geweest. Ja, ze hadden bij citymarketing natuurlijk ook kunnen gaan voor ‘Wageningen is de zoveelste totaal ingedutte stad met een Kruidvat, een Hema en een Bakker Bart’. Dat had ongetwijfeld minder publiek getrokken, maar waar was het wel geweest.

Terwijl ik het park waar de festiviteiten van de Dag van de Hoed plaatsvinden oploop, valt me meteen al op dat er eigenlijk alleen maar zestigers en zeventigers op afgekomen zijn. En, bij nadere inspectie, niet zomaar wat zestigers en zeventigers, maar alleen diegenen die nog lekker vief en lekker gek zijn. Op de dag van de hoed is geen plek voor bittere mensen, lijkt het credo. Iedereen zet een gezellig gek hoedje op en lacht eens wat met elkaar. Het leven kan soms zo eenvoudig zijn. Terwijl ik rondloop, is er een modeshow gaande, waar een stuk of hon- derd mensen naar zitten te kijken. Een mevrouw van middelbare leeftijd op de catwalk, met een microfoon in haar hand, roept om. Het publiek lijkt amper in vervoering te komen. Er komen modellen aan en af lopen in de meest uiteenlopende, belegen creaties, maar aan de gezichten van het publiek lijkt er amper wat af te lezen.

‘En het volgende model heeft niet alleen een lekker vrolijke hoed op, zoals jullie zien, maar ook een paar stoere laarzen, waar je lekker de uiterwaard mee in kan. Of het bos. En een mooie sjaal, met vogeltjes erop, zoals jullie zien.’

Het model met de sjaal, de hoed en de stoere laarzen stopt voor het publiek, dat apathisch blijft zitten, en een laf applausje geeft. Ik ga bij Gerda zitten, een van de welgestelde vrouwen vooraan in het publiek, terwijl de omroepster een mevrouw aankondigt die ‘een hoed en een sjaal met een verhaal’ draagt.

Wat een spektakelshow, hè?

‘Wat? Hier?’

Een sjaal met een verhaal, stoere laarzen waar je het bos mee in kunt, het kan niet op, hier in Wageningen. ‘Oh, maar ik vind het héérlijk! Ik ga zo nog even een hoedje kopen ook, hoor. Heb jij al een hoed gekocht?’

Ik heb geen hoedenhoofd.

‘Ach, nonsens!’ verzekert de vrouw me, terwijl ze even mijn arm vastpakt en begint te lachen. ‘Dat is nou zo’n f lauw excuus. Jij hebt gewoon de juiste hoed nog niet gevonden.’

Even draait Gerda haar hoofd in de richting van de catwalk. Samen kijken we naar een vrouw die, ogenschijnlijk met lichte tegenzin, een hoedje, een sjaal en een jurk showt.

‘Oh, heerlijk,’ mompelt Gerda. ‘Echt hoor. Ja, ik zou het zelf nooit aantrekken, maar het is wel een heerlijk setje.’ Weer lacht ze enthousiast en pakt mijn arm nog maar eens vast.

Gewoon lekker leuk

Een kwartiertje later raak ik aan de praat met Wil en Greetje, twee lekker gekke vrouwen van een jaar of 60. Greetje heeft een soort rood kersengebakje op haar hoofd, Wil heeft een soort kroon van zwarte punnikslierten op.

Wat een extravagant hoedje, als ik dat mag zeggen. Dit zijn echt bouwwerken.

‘Ik maak ze zelf,’ antwoordt Wil enthousiast. Ze glimlacht een beetje schuchter. ‘Dit is een diadeem, eigenlijk.’

Welke? Die met de slierten? Oh, ja, nu zie ik het.

‘Zij maakt ze zelf,’ zegt Greetje nog maar eens, voor de zekerheid.

Helder. En het gebakje heb jij ook gemaakt, Wil?

‘Nee, nee,’ antwoordt Greetje, ‘deze heb ik net gekocht, bij het kraampje van Linda. Ja, nou ja, ik ben lid van de Red Hat Society.’

De Red Hat Society. Nou dat weer. Vertel.

Dat hoef ik Greetje geen twee keer te zeggen. Ze gaat er even goed voor staan en begint dan over haar rodehoedenclub te vertellen. ‘Dat is een club van 50-plusvrouwen, die het leuk vinden om gewoon lekker leuk met elkaar sociale dingen te doen, onder het motto van: ik heb al die tijd voor mijn gezin gezorgd en nu ga ik met vriendinnen af en toe wat leuks doen.’

Maar waarom die rode hoed dan?

‘Ja, die zetten we dan allemaal op. Daardoor vergeet je alle dagelijkse zorgen.’

Wat handig.

‘Ja, nou, je laat het meisje eigenlijk in je terugkomen. Want meisjes vonden het vroeger vaak leuk om zich te verkleden.’

Ah, kijk aan! En jongetjes niet? Die haten verkleden? Wil breekt even in, om haar vriendin bij te vallen: ‘Nou, die moeten dan maar een ander clubje oprichten, hoor.’

‘Precies,’ beaamt Greetje. Eén ding is duidelijk: jongens zijn niet welkom bij de Red Hat Society. Kom daar anno 2017 nog maar eens om.

‘Ja, nou, en ik ben dan dus lid van de chapter in Wageningen.’

Pardon? De chapter? Net als bij de Hells Angels en Satudarah?

‘Ja! Die hebben ook chapters, ja! Ja, wij zijn dan alleen zonder motorfietsen, natuurlijk.’

Nee, dat begrijp ik. En wat zijn die sociale activiteiten dan? Hebben we het dan over riviervissen? Ringsteken? Karaoke? ‘Nee, we doen lekker culturele dingen, culinaire dingen. En soms een wandelingetje. En soms een fancy fair, natuurlijk.’

Maar als ik erbij wil heb ik een probleem dus, even los van dat ik geen hoedenhoofd heb.

‘Ja, nee, dan zul je toch echt zelf iets op moeten richten. Dit is alleen voor dames. En hier in Wageningen hebben we trouwens twéé chapters, hè!’

Pardon? Twéé?

‘Ja, ik zit bij de Rhine Town Roses. Er is er nog een, die zaten eerst ook bij ons, maar die hebben zich afgesplitst.’

Oh?

‘Ja, er was na verloop van tijd een aantal vrouwen dat ook de baas wilde zijn in onze chapter, maar dat ging natuurlijk helemaal niet, dus dat werd een beetje vals allemaal. En nu hebben ze een eigen chapter.’

En die andere chapter heet?

‘Oh, ja nee, die hebben niet echt een leuke naam. Die heten gewoon Red Hat Chapter Wageningen of zo.’

Oké.

‘Oh ja, en we helpen dus ook soms mensen die ziek zijn, of zo. Of zoveel jaar getrouwd zijn.’

Oké.

Een paar kraampjes verder staat Jan, een wat pafferige welgestelde man op leeftijd, met een grote bruine hoed op zijn hoofd en een glas bier in zijn hand. Meteen als hij mij en fotograaf Clemens met zijn camera ziet, gaat hij wat rechter staan, en begint hij te lachen.

‘Ach, kijk! De vrienden van de pers! Ik ben dus de man van de baas van de Dag van de Hoed!’ Kijk aan. En daar gaat u best behoorlijk lekker op, hoor ik?

‘Oh, maar daar ben ik best een beetje trots op, hoor. Dat mag gewoon lekker gezegd worden.’ Gelijk heb je! Ben je een hoedenman, Jan?

‘Nee, ik ben nou niet direct een hoedenman.’ Maar u heeft wel een hoedenhoofd, hoor, als ik zo vrij mag zijn.

‘Zo vrij mag u zijn, meneer. Ik heb natuurlijk af en toe wel een hoedje op hoor, met de vacances en zo, tegen de zon. Maar, de rest van de tijd valt het alles mee, hoor.’

Uitermate geschikt apparaat

Even valt Jan stil in zijn betoog. Hij neemt een slokje van wat ambachtelijk plaatselijk lekker gezellig en gek Wagenings bier. ‘Ja, nu natuurlijk wel,’ voegt hij er dan aan toe.

Ja, nee, oké.

‘Ik ga u vertellen, als je wat kalend bent, zoals ik tegenwoordig toch met de jaren wat meer ben geworden...’

Ja, ga door. ‘Nou, ter voorkoming van, ehh, nou ja, huidkanker, is zo’n hoed natuurlijk een uitermate geschikt apparaat.’

Ah ja, natuurlijk.

Weer valt Jan even stil. Alsof hij van zijn eigen woorden lijkt te schrikken. Alsof hij ineens aan zichzelf merkt een toch wat zwaarder onderwerp aangesneden te hebben, op een dag die vooral moet gaan over lekker vrolijke hoedjes en hoofddecoraties.

‘Nou ja, en het ziet er natuurlijk ook gewoon leuk uit.’

Ja. ‘Waarvoor is dit gesprekje eigenlijk?’ probeert hij alweer de volgende stilte te verbreken.

Voor de Nieuwe Revu.

‘Ach! De Nieuwe Revu! En komen we dan ook op de centerfold, ha ha?’

Ik vrees van niet.

‘Oh.’

Een paar minuten stilte later loop ik terug naar de ingang van het parkje, langs kraampjes met gezellige hoeden, lekker gekke sjaaltjes met motief en heerlijke schapenkleedjes. Op een randje van zo’n kleedje zit een paar lekker gekke vrouwen hard te lachen.

Ik durf het bijna niet te vragen, maar wat is er hier gaande?

‘Ach,’ verzucht een van de vrouwen nog nahikkend, ‘er was hier net een man die recht voor onze neus een enúrme scheet liet!’

Weer beginnen alle vrouwen hard te lachen.

‘Dat dóe je toch niet?’ gilt een van hen. ‘En dat op zo’n nette bijeenkomst!’ lacht een ander.

Ah, de scheet, natuurlijk.

‘Ja,’ vult een van de vrouwen aan. ‘Dat kan toch niet, op zoiets als dit? Hou er dan in élk geval een hánd voor.’