‘Rutte bracht het stadionverbod met zoveel woede dat zelfs doventolk Irma ervan schrok’

Sportcolumnist Edwin Struis over hoe de premier met het stadionverbod waarschijnlijk zijn eigen jeugdtrauma heeft verwerkt.

In elke klas had je er wel een. Zo’n whizzkid die lachend de hoogste cijfers voor wis-, schei- en natuurkunde aaneenreeg, waar wij vooral de zesjescultuur huldigden. Vierenhalf van de vijf dagen had hij het hoogste woord en deed hij minderwaardig naar ons, gewone stervelingen, die de stelling van Pythagoras niet meteen paraat hadden en een half jaar deden over de kubus van een of andere Hongaarse hapsnurker.

Maar dan naderde de vrijdagmiddag en werd de slimmerik steeds een beetje minder spraakzamer, terwijl wij langzaam opveerden bij de gedachte aan twee uurtjes gym. Toen we los werden gelaten in de sportzaal, waren de rollen plots omgedraaid. Zelf kwam ik ook amper een wandrek over, het klimtouw in of de ringen uit, maar op het moment dat er een bal door het veld stuiterde, kwam ik tot leven en zag je de nerd ineenkrimpen. Weg was zijn zorgvuldig in de schoolbanken opgebouwde superioriteit, nu ging het om andere vaardigheden. Zijn hulpeloze zoektocht naar z’n bril die hij kwijtraakte nadat een keiharde smash z’n hoofd als eindbestemming had gekregen, zie ik nog zo voor me. Op de tast ging hij de vloer af, terwijl het kleinood een halve meter boven hem aan één pootje in het volleybalnet bungelde. Nee, deze lieveling van de leraren ging geen grote sportcarrière tegemoet.

Op de straat of op de club waren ze ook. Bleekneusjes die door hun ouders gepusht werden om te gaan voetballen omdat ze anders enkel hersencellen in beweging zouden zetten in plaats van lichaamsdelen. De onverbiddelijke wetten van de straat schreven voor dat deze bebrilde slapjanussen uiteindelijk als laatste gekozen werden bij het formeren van de partijen en ze onherroepelijk onder de lat of tussen de jassen die dienstdeden als palen werden gezet. Voor de zekerheid zette zo’n stijve hark dan zijn bril af, maar het maakte toch weinig uit of hij zicht had of niet. Elke op doel geschoten bal, hard of zacht, laag of hoog, verdween achter hem. De lachsalvo’s en de pesterijen waren niet van de lucht. ‘Gewoon je bek houden,’ voegde hij in een onbezonnen bui z’n kwelduivels weleens toe, maar het hielp niet veel. Hij bleef de risee van de buurt of van de club. Huilend vanachter z’n ziekenfondsbrilletje vervoegde hij zich na elke wedstrijd of training weer bij z’n ouders, die hem voorhielden dat hij dapper moest zijn. Dat hij ooit wraak zou nemen op zijn plaaggeesten.

Vorige week zag ik hem weer, nu achter een spreekgestoelte in Den Haag. Waar hij met een satanische grijns om de lippen de komende tijd iedereen verbood om naar een stadion te gaan zowel bij de profs als bij de amateurs, hoewel er geen enkel bewijs voorhanden was dat stadions fungeren als coronabrandhaarden. Hij bracht de mededeling met zoveel woede in z’n stem dat doventolk Irma van schrik in haar hand kuchte. Sporten is voor neanderthalers, een zinloze bezigheid waar bollebozen zoals hij zich verre van moeten houden. Het jeugdtrauma is verwerkt, de wraak van Mark Rutte is daar.

Laatste nieuws