James Worthy

‘Gamen is nooit echt cool geweest’

‘Ik was de beste, de snelste en de dodelijkste. Ik kreeg e-mails uit Zweden en Albanië. Een energiedrankje belde of ik een sponsor nodig had’

James Worthy

Op het internet kom ik een foto tegen van een professioneel gamer die een huis voor zijn zus heeft gekocht. Het is een groot huis. Hij staat met zijn zus in de voortuin. De zus heeft een baby in haar handen.

De foto raakt me. Naar alle waarschijnlijkheid omdat ook ik een gamer ben. Niet professioneel zoals de jongen op de foto, maar ik ben het. Ik ben namelijk maar drie dingen. Vader, gamer en schrijver. Meer ben ik niet. En van die drie dingen kwam het gamen als eerste in mijn leven. Ik game al meer dan dertig jaar, ik schrijf al meer dan twintig jaar en sinds acht jaar ben ik vader.

‘Hier ga je echt niets mee bereiken, jongen,’ zei mijn moeder vaak als ik aan het gamen was.

‘Hier leer je helemaal niets van,’ zei mijn vader.

‘Je bent al zes uur bezig, wanneer ga je volwassen worden?’ vroeg een ex.

Een paar weken geleden zag ik nog zo’n soort foto. Er stond een professioneel gamer voor een onbetaalbare sportauto. Zijn ogen waren vierkant en hij droeg Crocs. Zijn supermodelvriendin stond naast hem. Ook die foto wist me te raken.

Gamen is nooit echt cool geweest. Als tiener werd ik veelvuldig nerd genoemd. En iedereen vond het maar tijdverspilling. Daarnaast kwamen er elk jaar berichten uit Amerika dat kinderen gewelddadig konden worden van games. Iets wat nooit bewezen is.

‘Ga eerst maar geld verdienen, en daarna mag je weer gamen,’ mopperde een andere ex een keer.

Dat professioneel gamers tegenwoordig stinkend rijk zijn en ze door de jeugd als de nieuwe rocksterren worden gezien, vind ik wonderschoon. En terecht. Gamen is namelijk hard werken. Een professioneel gamer maakt werkdagen van meer dan tien uur. En tijdens deze tien uur kijken duizenden mensen met hem of haar mee. De druk is enorm. Het blijft een spelletje, en toch is het al heel lang geen spelletje meer. Het is een levensstijl. Een geloof.

Ik ben een zeer belangrijk schrijver met een rijk oeuvre, maar niets komt in de buurt van die ene dag in 1999 dat ik voor twee uur lang de beste Unreal Tournament-speler van Europa was. Ik had maandenlang geoefend en opeens stond ik op de top van de berg. Ik was de beste, de snelste en de dodelijkste. Ik kreeg e-mails uit Zweden en Albanië. Een energiedrankje belde of ik een sponsor nodig had. Maar toen was daar opeens een jongen uit Noord-Ierland. Hij was nog beter. Hij had nog meer vlieguren gemaakt. Hij had nog meer opgeofferd. Ik had weleens van eendagsvliegen gehoord, maar nooit van tweeuursvliegen. Nog voor ik de kroon kon passen, paste deze al niet meer.

Ik kijk naar mijn zoon die aan het gamen is. Hij is al vier uur bezig, maar ik laat hem. Zijn ogen zijn vierkant en zijn duimen zijn lam, maar ik begrijp hem. Ik steun hem. En ooit zal hij een huis voor zijn ouders kopen.

Ben jij ook zo iemand die graag haantje de voorste is? Mooi. Volg Nieuwe Revu dan op Facebook, dan krijg je de columns altijd als eerste te zien. Of abonneer op onze nieuwsbrief. Sturen we onze beste artikelen gewoon naar je toe.

Column
  • Twitter