googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_header'); });

‘We hebben alle tijd, tot er nog maar een beetje van over is’

‘Ik vind dat zo mooi. Dat je iets zo schoon probeert te houden dat het kapotgaat’
googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_inarticle'); });
@media (max-width: 679px){#fig-6337794ccb469 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-6337794ccb469 img{#fig-6337794ccb469 img.lazyloading{width: 480px;height: 480px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 1000px){#fig-6337794ccb469 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-6337794ccb469 img{#fig-6337794ccb469 img.lazyloading{width: 740px;height: 740px;}}@media (min-width: 1001px){#fig-6337794ccb469 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-6337794ccb469 img{#fig-6337794ccb469 img.lazyloading{width: 160px;height: 160px;}}

Het graf van mijn vriend ligt naast een boom die op een opgestoken middelvinger lijkt. Ik moet altijd lachen als ik die boom zie.

In zijn grafsteen zitten schrammen. Hij is al twaalf jaar dood, maar zijn moeder maakt nog steeds drie keer per week zijn grafsteen schoon. De schrammen komen van haar schuursponsje.

‘Hoe is het, jongen?’ vraag ik aan het graf.

Ik kijk naar de verkleurde foto op de steen. Het is een foto van zijn achttiende verjaardag. We gingen bowlen. Ik weet het nog goed. We waren met twintig man, maar het ging tussen ons tweeën. We wilden allebei zo graag winnen. Uiteindelijk won hij met één punt verschil. Ik was zo boos op hem. Ik denk dat ik hem die avond wel een paar keer dood heb gewenst. Acht jaar later werd hij ziek.

Een oude man loopt over het kiezelpad. Hij zwaait naar mij en ik zwaai terug.

‘Ligt je broer daar?’ vraagt de man.

‘Nee, een vriend.’

‘Vrienden zijn soms meer onze broers dan onze broers,’ zegt de man.

Ik leg mijn hand op de grafsteen. De zon schijnt en hierdoor is de steen een beetje warm. Niet heet, maar warm, als een tostiapparaat dat pas een paar tellen aanstaat.

‘Voor wie bent u hier?’ vraag ik aan de man die op Lex Goudsmit lijkt.

‘Ik ben hier voor Annemarie. Mijn vrouw. Ze ligt iets verderop. Als je tijd hebt, kan ik je straks aan haar voorstellen.’

‘Ik heb alle tijd, meneer.’

‘Dat dacht ik ook altijd. We hebben alle tijd, tot er nog maar een beetje van over is.’

Ik ga met de toppen van mijn vingers over de schrammen in de steen.

‘Die schrammen komen van het schoonmaken, hè? Leeft de moeder nog? Ik vind dat zo mooi. Dat je iets zo schoon probeert te houden dat het kapotgaat. Dat je zo hard poetst en boent dat dat wat je zo schoon probeert te houden uiteindelijk vergaat. Je kunt hard poetsen, maar je kunt ook te hart poetsen.’

‘De moeder leeft nog. Ze komt drie keer per week langs met natte doekjes en een schuursponsje. Ze zegt dat het haar aan het verschonen van een baby doet denken.’

Het graf van Annemarie ligt niet naast een boom die op een opgestoken middelvinger lijkt. Haar graf oogt überhaupt wat rustiger. Annemarie was oud genoeg toen ze stierf. Oud genoeg om in vrede te kunnen rusten. Mijn vriend was veel te jong. De middelvingerboom begrijpt dit. Zijn takken laten onvrede zien.

‘Haar graf is prachtig schoon. Hoe vaak komt u hier?’ vraag ik.

‘Elke dag, jongen. Elke dag. Zelfs op feestdagen.’

‘Bestaan die nog?’ vraag ik.

‘Ja, jongen. Elke dag is een feestje.’

Ben jij ook zo iemand die graag haantje de voorste is? Mooi. Volg Nieuwe Revu dan op Facebook, dan krijg je de columns altijd als eerste te zien. Of abonneer op onze nieuwsbrief. Sturen we onze beste artikelen gewoon naar je toe.

Laatste nieuws