googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_header'); });

'In de nacht zijn de grachten van niemand en kan iedereen de grachten kraken'

‘De kortste man van het stel trekt zijn jas omhoog en ik zie een mes glinsteren. Het is geen groot mes, maar het is een mes’
googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_inarticle'); });
@media (max-width: 679px){#fig-6392f11ac7753 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-6392f11ac7753 img{#fig-6392f11ac7753 img.lazyloading{width: 480px;height: 480px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 1000px){#fig-6392f11ac7753 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-6392f11ac7753 img{#fig-6392f11ac7753 img.lazyloading{width: 740px;height: 740px;}}@media (min-width: 1001px){#fig-6392f11ac7753 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-6392f11ac7753 img{#fig-6392f11ac7753 img.lazyloading{width: 160px;height: 160px;}}

Na een boekpresentatie op de minst mooie gracht van Amsterdam, loop ik naar huis. Ik woon al mijn hele leven in de hoofdstad, maar ik word nerveus van de grachten bij nacht. Noem het umheimlich. Een soort angst die Sigmund Freud erg interessant vond. Het is namelijk niet de angst voor het grote onbekende, nee, het draait in zijn geheel om het kortstondig verliezen van een vertrouwd gevoel.

Ik woon op de grachten. Dit is mijn thuis. Hier heeft mijn zoon leren fietsen. Op deze plek hebben zijn moeder en ik voor het eerst gezoend in de regen. Maar in de nacht zijn de grachten van niemand en kan iedereen de grachten dus kraken.

Ik word gevolgd door twee mannen. En het lastige van grachten is dat je niet snel naar de overkant van de straat kan rennen. Nee, als je op een gracht wordt achtervolgd, kan je eigenlijk maar één kant op. Naar voren.

Ik kan ze horen praten. Ze praten snel. Cocaïnesnel. Ze hebben het over Schiphol. Iets over dat een familielid cello speelt in de vertrekhal om de wachtenden rustig te houden. Dan komt de vraag. De vraag die ik kan dromen. De vraag die zo onschuldig klinkt, maar niet om 03.14 uur in de nacht.

‘Heb je misschien een vuurtje voor ons?’

‘Ik rook al een jaar niet meer, sorry,’ zeg ik. Ik haat het dat ik mijn zin met sorry eindig, want ik ben helemaal niet sorry. Waarom verontschuldig ik me voor iets waar ik niets aan kan doen? Naar alle waarschijnlijkheid omdat ik hoop dat beleefdheid me nog uit deze situatie kan redden. Maar het heeft niet geholpen. De kortste man van het stel trekt zijn jas omhoog en ik zie een mes glinsteren. Het is geen groot mes, maar het is een mes. Een mes hoeft helemaal niet groot te zijn, alleen maar scherp.

‘Heb je een pinpas bij je? We gaan even pinnen. Wat is je daglimiet?’ vraagt de lange jongen.

‘Volgens mij iets van 250 euro, maar ik weet het niet zeker.’

‘Dat zien we straks wel bij de pinautomaat. No worries. Zit er hier eentje in de buurt?’

‘Er zit er eentje op de Elandsgracht en er zit eentje op de Dam. Ze hebben de laatste jaren bijna alle pinautomaten weggehaald. In heel Nederland hebben ze zo’n duizend automaten weggehaald.’

‘Ze maken dit land langzaamaan kapot,’ zegt de messendrager.

De eerste pinautomaat is buiten werking en de tweede ook. De derde is helemaal kapot door een mislukte plofkraak van twee weken geleden. De gevel ziet eruit als aangebrande toast. ‘Dit gaat hem niet worden. We zijn al twintig minuten aan het lopen. Heb je iets anders waardevols bij je?’ vraagt de lange.

‘Eigenlijk alleen dit boek. Het is een nieuw boek. Ik was vanavond bij de feestelijke presentatie. Er waren borrelnootjes en flessen mineraalwater. Er staat een handtekening van de schrijver in.’

‘Waar gaat het over?’ vraagt de messendrager.

‘Over de liefde.’

Het tweetal loopt in de richting van Centraal Station. De lange leest de achterkant van het boek.

In de verte klinkt een cello. Nog even en ik ben thuis.

Laatste nieuws