Premium

Ex-maffioso Catello Romano doet boekje open: lak aan de omerta

Ex-maffioso Catello Romano (33) zit een straf van dertig jaar uit voor de moord op een politicus. Achter de tralies schreef hij een proefschrift over zijn gangsterleven en de Italiaan werd wereldnieuws omdat hij drie onopgeloste liquidaties bekende. ‘Het is mijn doel bij te dragen aan het begrijpen van het fenomeen criminaliteit en de mogelijke preventie ervan.’

Catello Romano

De bekeerde moslim zat achter een computer in de gevangenis en schreef: ‘Mijn naam is Catello Romano. Ik ben 33 jaar en zit al bijna de helft van mijn leven in de gevangenis, veertien jaar achtereen. Ik heb verschrikkelijke misdaden begaan en ben veroordeeld voor moord namens de Camorra. Wat volgt is mijn criminele geschiedenis.’ Dit zijn de eerste woorden van het spectaculairste Italiaanse proefschrift ooit. De auteur: ex-Camorra-lid en seriemoordenaar Catello Romano. Hij zit momenteel vast in Padua en zal voorlopig niet meer vrijkomen. Zelfs niet nu hij de omerta doorbreekt en openbaart hoe de Camorra in zijn stadje opereerde.

Catello Romano werd in 2001 geboren en groeide op in Castellammare di Stabia, een stadje met 14.000 inwoners bij Napels. Zijn wijk Scanzano is een bolwerk van de Camorra. Winkeliers moeten protectiegeld betalen. De afvalindustrie wordt volledig door de maffiosi gecontroleerd. Veel politici en gemeenteambtenaren werken met ze mee. Agenten krijgen geld als ze wegkijken bij hun misdaden of informatie uit geheime documenten doorgeven. Catello’s doodgewone ouders haatten de Camorra en ook hun zoon moest volgens hen toch inzien dat de maffiosi op hun scootertjes canaglia was, tuig. Hij leek eerst te luisteren en nam zich voor politieman te worden. Het ging volgens hem mis na de scheiding van zijn ouders. Op straat werd hij uitgelachen en uitgescholden. Waren de Romano’s wel echte katholieken?

Gestoorde maffiabaas

Catello raakte in de ban van de Camorra. Zijn favoriete film werd Il camorrista uit 1986 van Giuseppe Tornatore, over de gestoorde maffiabaas Raffaele Cutolo. Catello noemt hem in zijn proefschrift ‘O Prufessore’ (de Professor) en hij schrijft: ‘De Professor bezette als eerste mijn binnenwereld.’

De Professor was de leider van Nuova Camorra Organizzata, een bende die de oude glorie van de Napolitaanse maffia moest herstellen. Hij was door God op aarde gezet om het Napolitaanse volk te redden, kon de doden tot leven wekken en mensen zonder benen weer laten lopen. Psychiaters verklaarden hem na zijn arrestatie psychotisch en krankzinnig, de rechter veroordeelde hem in 1963 tot levenslang wegens vele moorden en hij stierf in 2021 achter de tralies.

Op een middag ontmoette Catello een achttien jaar ouder Camorra-lid genaamd Renato Cavaliere. Catello omschrijft hem in zijn proefschrift als ‘mijn onderwereldmaatje’. Renato stelde hem voor aan andere Camorra-leden en legde uit hoe de organisatie in hun stadje werkte. De clanleider was Vincenzo D’Alessandro. Hun clan heette daarom de D’Alessandro-clan. Catello trad toe tot de Camorra, hij ging stelen, bedreigen, had ineens budget zich goed te kleden, kocht laarzen van het merk Paciotti, een jasje van Prada en een Rolex. Hij koesterde zijn jasjes en dasjes, had er hard voor gewerkt en er ‘vele opofferingen voor gedaan door nederige en zware baantjes aan te nemen’.

Niet-criminele stadgenoten waren bang voor hem, de mooiste meisjes uit zijn stad gingen plotseling in op zijn avances

Catello beschrijft in zijn proefschrift waarom de Camorra extra aantrekkelijk voor hem werd. Hij kreeg een steeds slechtere relatie met zijn vader, zag zijn moeder bijna nooit meer na de scheiding en vulde de ‘leegte’ door echte familie te vervangen door ‘een nieuwe familie’. Hij zocht naar rolmodellen en dat waren de maffiosi ‘die bovenaan de hiërarchie stonden’. Catello wilde helemaal niet meer lijken op zijn vader of in zijn voetsporen treden, waarom zou hij? Zijn leven als Camorra-lid leek ook eerst alleen maar voordelen te hebben. Niet-criminele stadgenoten waren bang voor hem, de mooiste meisjes uit zijn stad gingen plotseling in op zijn avances, zelfs in de clubs van Napels kwamen ze door zijn ‘nieuwe criminele identiteit’ naar hem toe.

Cruciale datum in zijn leven: 3 februari 2009. Renato en Catello spraken die dag af met twee andere Camorra-leden: Salvatore Belviso en Raffaele Polito, de volle neef van clanbaas Vincenzo D’Alessandro. Hun opdracht was het doden van Luigi Tommasino, een gemeenteraadslid voor de Democratische Partij in Castellammare. Catello kreeg niet te horen waarom, hij wist alleen dat Tommasino rond de veertig was en hij zag op een foto dat Tommasino een bol rond hoofd had met alleen aan de zijkanten nog wat haar.

Catello kreeg de taak het raadslid te volgen en zijn schema op papier te zetten. Dat deed hij en op 3 februari 2009 kon de aanslag bijna niet misgaan. Het doelwit reed rond half vier in de middag in zijn Lancia Musa door de Viale Europa in zijn stad Castellammare di Stabia. Naast hem zat zijn 13-jarige zoon Raffaele. Tommasino passeerde de Unieuro-winkel toen Renato en Catello langsreden op een Piaggio Beverly-scooter. Ze vuurden dertien keer met een 9 kaliber Luger-pistool van Tsjechische makelij. Kogels belandden in Tommasino’s hoofd. Het raadslid viel op het stuur van de Lancia, de auto zwenkte naar links en botste tegen de etalage van Unieuro. Zijn zoon Raffaele werd niet geraakt, dat was ook niet de bedoeling, Camorra-leden doden geen familieleden. Journalisten en carabinieri reisden naar de Viale Europa. De burgemeester barstte in huilen uit toen hij het nieuws hoorde en maande alle inwoners van zijn stad in opstand te komen tegen de Camorra ‘om aan te tonen dat Castellammare di Stabia niet bang voor de maffia is’.

Rechercheurs concludeerden dat de schutters professionele sicari (huurmoordenaars) waren. Wat was het motief en wie gaf de opdracht? Tommasino werd eerst omschreven als ‘niet erg zichtbaar’ en ‘een niet-sterke persoonlijkheid’. Hij had een blanco strafblad en werd door collega’s in het gemeentehuis beschreven als ‘een onberispelijk politicus’. Tommasino had een kantoor boven de boetiek waar zijn vrouw achter de toonbank stond. Agenten gingen daarheen om dagboeken, dossiers en computers in beslag te nemen. Tommasino’s broer Giovanni gaf een interview aan zender TG1 en zei: ‘Luigi werd vermoord omdat hij de infiltratie van de Camorra in zijn partij had veroordeeld.’

Spijtoptant

Catello keerde na de moord terug naar zijn wijk Scanzano, Raffaele dook onder in een boerderij die de clan huurde in de provincie Siena. Een paar weken na de moord belde Raffaele de politie. Hij weigerde zijn naam te zeggen, maar zei wel: ‘Ik ken de namen van degenen die Tommasino hebben vermoord.’ De schutters waren Catello Romano uit Castellammare en Renato Cavaliere uit dezelfde stad, in de D’Alessandro-clan bekend als De Oom. Salvatore Belviso had geholpen bij de voorbereiding. De drie verdachten werden gearresteerd.

Catello vertelde de politie dat hij pentito wilde worden, spijtoptant. Carabinieri brachten hem naar een hotel en dicteerden Catello wat er als pentito van hem werd verwacht. Hij zou in een beschermingsprogramma komen, in ruil moest hij wel volle openheid geven. Namen, plekken, moorden, misdaden. Catello deed of hij alles vertelde toen hij bekende Luigi Tommasino te hebben vermoord, maar hij wist niet dat hij gemeenteraadslid was. Hij beschreef tot in detail hoe de voorbereiding was gegaan en hoe hij Tommasino eerst twee weken had gevolgd. Andere moorden had hij niet gepleegd, dit was echt zijn eerste liquidatie.

Catello had alleen maar gedaan alsof hij met de politie wilde meewerken, klom uit het raam en vluchtte naar zijn vriendin

Twee dagen later openden een agent zijn kamerdeur. Waar was de pentito? Catello had alleen maar gedaan alsof hij met de politie wilde meewerken, klom uit het raam en vluchtte naar zijn vriendin. Hij overnachtte bij haar en zocht daarna een schuilplek. Agenten vonden hem pas na een maand in de regio Caserta en toen kon hij niet meer doen alsof hij een pentito was. Dat wilde Catello ook helemaal niet, hij was er trots op bij de Camorra te horen en vertelde de rechercheurs vol bravoure dat hij al zijn zogenaamde bekentenissen introk.

Eerste hypothese over de moord op Tommasino: hij was inderdaad vermoord wegens zijn anti-Camorra-houding. Na een grondig onderzoek bleek het gemeenteraadslid toch minder deugdzaam dan gedacht. Een rechercheur wees op de ‘gevaarlijke band’ die de politicus had met ‘prominente leden van de familie D’Alessandro’. Tommasino was een jeugdvriend van Pasquale D’Alessandro, de broer van clanleider Vincenzo. Het gemeenteraadslid zorgde er namens de D’Alessandro-clan voor om familie van Camorra-leden een baan te geven bij bedrijven die werkten voor de gemeente. De samenwerking liep lang goed, maar begin 2009 hield hij zich niet aan een afspraak. Tommasino had een paar weken voor de moord een gesprek met twee ondernemers over een parkeergarage in het centrum van de stad. De clanleden waren hier boos om, de ondernemers hadden geen contact gezocht met de D’Alessandro’s en die parkeergarage moest wel door hen worden gecontroleerd. Tommasino moest waarschijnlijk om deze kwestie dood, als een waarschuwing voor andere politici die afspraken verbreken.

Levenslang

Het proces tegen Catello en de anderen begon op 23 november 2010. Hij was 21 jaar en kreeg levenslang. Zijn onderwereldmaatje Renato was 39 jaar en kreeg dezelfde straf. Salvatore werd veroordeeld tot achttien jaar, Raffaele tot twaalf jaar omdat hij de moord door zijn telefoontje had opgelost. De rechter schreef in het oordeel: ‘De moordenaars handelden met onbedekt gezicht, in het stadscentrum en in naam van de D’Alessandro-clan. Het bevel om Tommasino te vermoorden, kwam rechtstreeks van de baas Vincenzo D’Alessandro, wiens toestemming nodig was om de liquidatie uit te voeren.’ De aanslag was midden in het centrum gepleegd, ‘voor de doodsbange ogen van honderden mensen’. Dat maakte het extra kwalijk en traumatisch.

Catello zat eerst zes jaar gevangen in Catanzaro, de hoofdstad van Calabrië. De gevaarlijkste maffiosi van Italië worden daar zo zwaar mogelijk bewaakt. Zijn hoger beroep was in 2016. Renato was inmiddels een oprechte pentito en zei: ‘Ik was de leider. Ik kreeg de opdracht van baas Vincenzo D’Alessandro om mensen uit te schakelen die onze belangen belemmerden, zoals Tommasino. Ik vraag zijn familie om vergeving voor wat ik heb gedaan. En ze hebben er recht op de waarheid te weten.’

De rechter verlaagde zijn straf tot dertig jaar en ook Catello kreeg in hoger beroep dertig jaar. Ze keerden terug naar hun cel. Catello werd daar op een ochtend bezocht door een man genaamd Charlie Barnao, een professor van de Universiteit van Catanzaro die de deelstudie Sociologie van het Overleven sinds vijf jaar in Italiaanse gevangenissen onderwijst. Ex-criminelen moeten lessen leren door hun criminele geschiedenis op te schrijven. Barnao hielp eerder de tot levenslang veroordeelde Siciliaanse maffiabaas Salvatore Curatolo met zijn proefschrift over overlevingsstrategieën in de gevangenis en hij werkte samen met Camorra-Godfather Sergio Ferraro, die twintig jaar de tijd had om achter de tralies zijn proefschrift over ‘socialisatie tussen maffiaclans’ te schrijven. Beiden kregen een sociologiediploma uitgereikt en daar waren ze net zo blij mee als met een geslaagde huurmoord.

Het proefschrift van Catello kreeg de titel: Criminele Fascinatie. Hij beschreef hoe zijn vader vaak zijn moeder sloeg en legde uit hoe de maffia zijn nieuwe familie werd. Hij wilde volledig eerlijk zijn en daarom bekende hij misdaden die hij nooit eerder aan de politie had verteld.

Op 27 oktober 2008 werden er om iets voor twaalven twee mannen beschoten voor een verlaten barretje aan de Via Castellammare bij Castellammare di Stabia. Ze waren op slag dood. Lokale journalisten noemden het ‘een brute dubbele moord’. Zat de Camorra erachter? Daar had het wel alle schijn van.

Rechercheurs zetten de omgeving af en hoorden getuigen. Twee sicari leken de twee slachtoffers vanaf een motor te hebben geliquideerd. Dat deden ze ‘in perfecte Camorra-stijl’, stond de dag erna in de Corriere del Mezzogiorno. Volgens carabinieri uit Castellammare waren er meer dan twaalf schoten afgevuurd. De namen van de slachtoffers werden na een paar dagen bekend gemaakt. Carmine D’Antuono was 58 jaar oud en woonde in Castellammare. Zijn bijnaam was O Lione, De Leeuw. Hij had een hoge functie als luitenant bij de maffia. Zijn clan kreeg een conflict met de D’Alessandro-clan en dat escaleerde tot een bloederige oorlog.

Naam van het andere slachtoffer: Federico Donnarumma. Hij was 42 jaar oud, werkte als chauffeur en kwam uit Pimonte. Geen agent leek te begrijpen waarom ook hij was doodgeschoten. Donnarumma had wel een strafblad, maar dat was voor fraude en andere relatief kleine delicten. Verkeerde tijd op de verkeerde plek? Daar leek het op. De daders konden nooit worden gevonden, tot Catello openheid gaf in zijn proefschrift.

Gat in de ziel

De andere schutter en hij bereidden zich twee weken op de moord voor. Catello kreeg een foto van D’Antuono en leerde de kenmerken van zijn toekomstige slachtoffer uit het hoofd. Donnarumma had hij nooit eerder gezien, die hoefde ook eigenlijk helemaal niet dood van de Camorra. Na afloop had Catello een ‘gat’ in zijn ziel dat nooit meer is geheeld. In zijn proefschrift omschrijft hij het als ‘de meest gewelddadige, traumatische en onherstelbare gebeurtenis’ in zijn leven. Carmine D’Antuono moest dood omdat hij een rivaal was, dat kon hij nog wel verwerken, maar Donnarumma stierf alleen omdat hij toevallig in de buurt van D’Antuono was en Catello schreef: ‘Ik begreep het vlak erna niet en ik kan het nog steeds niet begrijpen. Maar ik heb hem ook neergeschoten.’

Volgende moord die hij bekende: op Nunzio Mascolo, een lid van hun eigen clan. Hij werd op 6 december 2008 ’s nachts vermoord in Castellammare. Het commando bestond uit twee personen. Ze reden op een motor naar het doelwit toe en hadden helmen op. Mascolo zag pas op het laatst dat hij werd achtervolgd. Hij liet zich vallen, maar dat was te laat: ‘een regen van lood werd op zijn lichaam losgelaten’. Catello vuurde negen schoten af met een 7.65 kaliber-pistool. De 36-jarige Mascolo was op slag dood.

In zijn proefschrift schrijft Catello: ‘Hoewel ik het niet kan bewijzen, weet ik zeker dat hij niets deed waardoor hij de dood verdiende. In de beruchte logica van de Camorra en van de onderwereld in het algemeen werkt het als volgt: het is niet eens nodig dat het slachtoffer iets heeft gedaan. Ik heb ter plekke geleerd dat je in die wereld kunt sterven door afgunst van iemand die, helaas voor het slachtoffer, enige invloed heeft om een doodvonnis op te leggen.’ Catello maakt ook duidelijk dat het zijn rol was om de trekker over te halen en niet om vragen te stellen. Zo werkte het nu eenmaal bij de Camorra.

Catello werd na zijn bekentenissen en ogenschijnlijke bekering tot moslim overgebracht naar een iets minder zwaarbewaakte gevangenis in Padua. Daar maakte hij zijn proefschrift af. Catello ging naar eigen zeggen ‘door een zeer moeilijk proces heen’ door alles te herleven. Hij mocht niets achterhouden, er werd totale eerlijkheid van hem verwacht en dat deed vaak pijn.

Het eindresultaat is volgens zijn professor een Mario Puzzo-waardige autobiografie van 170 pagina’s geworden vol ‘ijzingwekkende beschrijvingen van de criminele omgeving, alsook mijmeringen over familie, educatie, kindertijd, puberteit, scheiding, verlatingsangst, drugs, geweld en maffiageschiedenis’. In het voorwoord staat: ‘Mijn doel is het bijdragen aan het begrijpen van het fenomeen criminaliteit en de mogelijke preventie ervan. Ik ben ervan overtuigd dat woorden belangrijk zijn en deze auto-etnografische tekst streeft ernaar de wereld te veranderen.’

Catello wilde onderzoeken waarom ‘misdaad zo’n diepe fascinatie uitoefent’ op jonge mensen en waarom de maffiaclan ‘het gezin van herkomst’ kan vervangen. Een van zijn verklaringen: ‘Het is hun manier om jezelf te emanciperen en sociale erkenning te krijgen. In deze context wordt geweld een taak en een manier om respect op te eisen.’

‘Ik had de idioot sterke wens om iemand te zijn, om te worden gezien en deel uit te maken van iets groters en belangrijkers, mezelf te bewijzen door wreedheid’

Roekeloos en dom

In het begin van zijn proefschrift beschrijft Catello zijn vriendschap met Renato en andere Camorra-leden: ‘Via hen bouwde ik een nieuwe alternatieve identiteit op als zware jongen, het was een masker waarmee ik mijn kwetsbaarheid als tiener wilde verbergen, om te overleven in een gewelddadige en extreme wereld.’ Hij was naar eigen zeggen ‘roekeloos’ en ‘dom’, had een ‘idioot sterke wens om iemand te zijn, om te worden gezien en deel uit te maken van iets groters en belangrijkers, mezelf te bewijzen door wreedheid en koudheid in het onderdrukken van andere mannen’.

Hij schrijft gedetailleerd over de eerste keer dat hij een pistool gebruikte. Dat moest omdat hij een clanlid moest beschermen die vrij was op borgtocht. Rivaliserende maffiosi wilden wraak en Catello had als taak dit te verhinderen. Hij moet bekennen lang van dit soort momenten te hebben genoten en daardoor deed hij dingen die hij zich nu niet meer kan voorstellen. Na zijn eerste moorden moest hij zijn net gekochte dure kleren weggooien ‘als voorzorgsmaatregel om sporen van geweerpoeder te verbergen’. Hij had de fout gemaakt gewoon zijn Prada-jasje te dragen en die moest hij nu vernietigen. Hij ‘leed enorm en ik klaagde lange tijd’. Zijn kleertjes waren zelfs zo belangrijk voor hem dat hij naar zijn opdrachtgever ging om hem ‘te dwingen’ een nieuw jasje voor hem te kopen, ‘iets dat hij niet deed’.

Ontboezemingen zoals dit waren niet eenvoudig voor Catello om op te schrijven, maar het moest. Op een van de laatste pagina’s citeert hij Aldo Moro, de Italiaanse oud-premier die werd geliquideerd door terroristen van de Rode Brigade en vlak voor zijn dood schreef dat ‘iemand die de waarheid spreekt daar nooit spijt van zou moeten hebben’. Catello is het met deze woorden eens en hij noemt het spreken van de waarheid ‘verlichtend’ . Hij doet een oproep aan alle deugdzame mensen om ‘moedig te zijn’ en hij schrijft: ‘Ik heb bovenstaande verteld in de hoop dat ik iets goeds heb gedaan voor degenen die ik onrecht heb aangedaan en voor mezelf.’

Catello wil na zijn vrijlating opnieuw beginnen ‘als de Catello die ik was vóór alles wat ik deed’ en hij ‘hoopt orde op zaken in zijn leven te stellen, voor eens en altijd’. Door het proefschrift ‘breng ik de waarheid aan de oppervlakte en ik betaal, in zekere zin, voor zover dat kan, een schuld aan de samenleving terug’.

Catello studeerde cum laude af en kreeg zijn diploma sociologie in een kleine ceremonie van zijn imam. Zijn professor noemt Catello ‘een briljante student’ die ‘gedurende zijn studie zeer goede cijfers behaalde’ en hij zei: ‘Hij heeft zijn leven voor eens en altijd op orde en analyseert de gebeurtenissen uit zijn verleden via een sociologische onderzoeksmethode, waardoor het ook een therapeutische functie heeft.’

Het proefschrift is momenteel in handen van de openbaar aanklager. De tekst wordt bestudeerd door rechercheurs en de lokale politiebaas zal het onderzoek naar de drie maffiamoorden in 2008 naar alle waarschijnlijkheid heropenen.

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct