'Compassie is geen misdaad'

Sinan Can (42) is een van de rijzende sterren van de NPO. Onverschrokken dompelt hij zich onder in de verschrikkingen van de gevaarlijkste plekken op aarde, waar menselijk leed niet te vermijden is.
Sinan Can

Begin januari zond BNN-VARA zijn serie over Nederlandse Syriëgangers, De Lokroep, uit. ‘Ik ben opgegroeid met het idee dat er in elk mens goedheid zit, maar ik ben door mijn reizen zelf tot andere inzichten gekomen. Hoe kan iemand met een geweten een kind van acht onthoofden?’

Je zoekt de gevaarlijkste oorlogsgebieden op en ziet de meest verschrikkelijke dingen tijdens je reizen. Wat is er in je jeugd gebeurd dat je dit jezelf blijft aandoen?

‘Ik heb een hele fijne jeugd gehad! Ik ben opgegroeid in een liefdevol gezin van Turkse gastarbeiders in Nijmegen. Ik heb links-activistische ouders, daar komt het denk ik vandaan. Ze kunnen niet tegen onrecht, dat heb ik meegekregen.’

Waar stonden je ouders zoal voor?

‘Ze zijn gelukkig pacifistisch, maar ze deden wel vaak mee aan demonstraties. Ze hebben op het Malieveld geprotesteerd tegen kernwapens, daar was ik als kind ook bij. We tankten niet bij Shell want die steunde de apartheid. Groente en fruit uit Israël was ook uit den boze. McDonald’s deden we ook niet aan, want die maakten de regenwouden kapot. Het is me met de paplepel ingegoten dat je iets voor de samenleving of de wereld moet doen.’

Hoe was je als kind?

‘Ik was altijd al groot, dus ik werd niet echt gepest. Ik was een sociaal mannetje dat altijd opkwam voor de underdog, want ik kan niet tegen onrecht. Degene die gepest werd, daar werd ik dan vrienden mee. Dan kwam mijn lengte ook goed van pas tegen de pestkoppen, soms werd er dan iemand klem tegen de muur gezet.’

Wilde je een held zijn als kind? Mensen redden?

‘Nee, ik heb meer met antihelden. Wat we vooral vanuit ons gezin hebben meegekregen, is een moreel kompas. Misschien dat ik daar vanuit mijn alevitische islamitische achtergrond ook een stukje barmhartigheid bij heb meegekregen. Alevieten zijn altijd onderdrukt geweest, dus ik denk dat we ook zoiets hadden van: we willen anderen beschermen tegen het leed dat ons is aangedaan. Mijn ouders en grootouders hebben me meegegeven dat we moeten proberen zo integer mogelijk te leven.’

Wat deed je besluiten om journalistiek te gaan studeren?

‘Dat kwam van huis uit. Ik wilde me inzetten voor de samenleving en besloot dat dat kon door journalistiek te gaan doen. Daarbij ben ik ontzettend nieuwsgierig, dat hoort daar ook bij. De journalistiek is gewoon een heel mooi vak, maar het heeft wel negen jaar geduurd voordat ik echt kon maken wat ik heel graag wilde maken. Je moet soms ook geluk hebben, of de gunfactor.’

Heb je moeten vechten om te komen waar je nu bent?

‘Ja, ook. In ons vakgebied is het soms erg moeilijk om aan de bak te komen. Ik denk dat ik vooral een beetje geluk had. Ik kreeg de kans om als een researcher met nul documentaire-ervaring iets te gaan maken. Het was een item over de eerste tien jaar na 9/11. Dat was samen met de teams van Zembla en Tegenlicht. Mooier kan je niet krijgen!’

Voelde je geen immense druk op dat moment? Of dacht je: ha, nu kan ik me bewijzen.

‘Het was voor mij vooral een kijkje in de beste keukens. Ik probeerde zoveel mogelijk te absorberen. Ik wilde alles weten over hoe je zo’n programma nou kan opbouwen. Het was een zeer waardevol leerproces, dus alles wat ze me meegaven, nam ik nederig aan.’

Ik kan wel honderd docu’s maken, maar voor dat kind in Raqqa, Mosul, Falluja maak ik het verschil niet. Dat vind ik het moeilijkste aan mijn werk

We weten nu waar het je heeft gebracht. In je programma’s zoek je situaties op waar de verschrikkingen van oorlogen te zien zijn. Je zegt zelf: mijn links-activistische ouders hebben ons altijd ingepeperd dat we ons moeten inzetten voor anderen. Maar het gevaar opzoeken, zit dat niet een beetje in de aard van het beestje?

‘Misschien ook een beetje, ja. Mijn ouders hebben me meegegeven dat de mens in wezen niet slecht is. Mensen kunnen mentaal ziek zijn, omstandigheden kunnen bepalen hoe mensen zijn, mijn ouders geloven daar heel erg in. Ik ben opgegroeid met het idee dat er in elk mens goedheid zit. Alleen, door al mijn reizen ben ik erachter gekomen dat niet alle mensen door omstandigheden slecht zijn, maar dat sommige mensen gewoon ronduit slecht zijn. Gewetenloos, sadistisch, gemeen of gewoon ziek in hun hoofd. Ik ben dus wat dat betreft wel zelf tot andere inzichten gekomen. Ik ben nu dus wel van mening dat er slechte mensen op de wereld zijn. Hoe kan iemand met een geweten een kind van acht onthoofden? Ongeacht de situatie waar je uit komt. Kan niet. Al heb je alle drugs van de wereld op, is er dan geen enkel moment dat je denkt: waar ben ik mee bezig? Maar om terug te komen op mijn ouders: die zijn er wel van overtuigd dat je je moet blijven inzetten voor anderen, al is het maar het kleinste gebaar in een mensenleven. Alle beetjes kunnen het verschil maken, en daar zoek ik graag het gevaar voor op.’

Wil je door het maken van je programma’s het verschil maken voor mensen?

‘Ja, zo probeer ik mijn steentje bij te dragen. Dat doe ik door wat ik daar in die gebieden zie de Nederlandse huiskamers in te stralen, en de mensen bewust te maken. Maar wat ik wel sterk merk, is dat ik het verschil voor mensen die in die oorlogsgebieden wonen niet maak. Als er een moment komt dat ik stop, dan is de reden waarschijnlijk omdat ik het verschil niet maak voor de slachtoffers. Ik reis in al die gebieden en dan kom ik constant kinderen tegen in meest ellendige situaties. Vaak bouw je daar dan ook een band mee op, maar ik moet die kinderen als ik klaar ben daar weer achterlaten. Eigenlijk wil ik ze allemaal meenemen. Ik kan wel honderd docu’s maken, maar voor dat kind in Raqqa, Mosul of Falluja maak ik het verschil niet. Dat vind ik denk ik het moeilijkste aan mijn werk. Mensen zeggen in Nederland wel dat mijn programma’s ze de vluchtelingen beter doen leren begrijpen, maar het levert de mensen daar echter niets op.’

Wat levert het jou dan op?

‘Wat ik belangrijk vind, is dat ik hun verhalen kan vertellen. Mensen moeten weten wat er aan de hand is. Het is goed dat die verhalen gehoord worden, maar vooral ook dat ze niet meer vergeten worden. Wat ik heel mooi vond, was een gesprek dat ik met een man in Irak had, ik zei hem: “Ik denk dat ik niet heel lang kan doorgaan met dit werk.” Toen zei hij: “Weet je wat pas echt de hel is? Hel is als niemand meer ziet dat je pijn lijdt. Wanneer jullie niet meer met gevaar voor eigen leven onze verhalen komen halen, dan ziet niemand in de wereld meer dat wij pijn lijden. Dat zou pas de hel zijn...” Dat is dan wel een beetje de ondankbare taak van ons als journalisten, dat wij die verhalen moeten gaan halen, maar daar haal je dan wel voldoening uit wanneer dat lukt.’

Je nieuwste serie De Lokroep is nu op NPO Start te zien. Het gaat over Nederlandse uitreizigers naar Syrië en Irak die zich aansloten bij IS. Is het niet moeilijk om compassie en begrip voor die mensen op te brengen, met alles wat je hebt gezien?

‘Met dit onderwerp en voor deze mensen... Ja, ik heb daar echt moeite mee. Tijdens het maken van In het Spoor van IS mocht ik een IS-commandant interviewen die verantwoordelijk was voor alle aanslagen in Kirkoek. Ik heb zelf in Kirkoek een bomaanslag meegemaakt waar ik misschien tien of vijftien meter vandaan stond. Daar kwamen dertig mensen bij om het leven en raakten er negentig gewond. En dan sta ik daar fucking oog in oog met de man die daar verantwoordelijk voor was. Dan denk je: eigenlijk moet ik hem gewoon de keel dichtknijpen.’

Of een ram op zijn bek geven.

‘Weet je, ik zag daar gewoon de ledematen op de straten liggen, ik zag een dood kind met een dode moeder... Dat was allemaal door hem veroorzaakt. Dan gebeurt er toch iets geks met je als journalist. Je denkt: nou, ik heb het overleefd, eigenlijk zouden de echte slachtoffers boos moeten zijn op deze man, de mensen die hun dierbaren hebben verloren. Het is dan een heel dun lijntje bij mij tussen objectief journalist blijven of iemand even vragen om de deur achter ons dicht te doen en dat ik hem dan een hele dag een pak rammel geef.’

Je sprak in je nieuwe programma wederom met IS’ers. Hoe ging dat?

‘Het waren meestal Nederlandse IS’ers, waar je dan de hele dag naar zit te luisteren in hun cellen. Op een gegeven moment ben je er echt helemaal klaar mee. Ze zitten constant te ontkennen, hun eigen rol te bagatelliseren. Iedereen bakte broodjes daar tijdens het strijdtoneel als ik ze moet geloven. Maar als iedereen brood zat te bakken, waar waren al die strijders dan? Wie onthoofdde dan al die mensen? Wie vermoordde, folterde en verkrachtte dan al die onschuldige vrouwen, mannen en kinderen? Naarmate zo’n interview vordert, begint mijn irritatie steeds meer door te schemeren. Ik heb daar weleens een interview met een IS’er gehad en dat de regisseur zei: “Dit was niet goed Sinan, dit leek wel een verhoor.” Je moet het proberen zakelijk te houden als journalist. Maar op een gegeven moment – en dan heb ik veel gezien van wat IS heeft aangericht – zit je weer tegenover zo’n figuur die daar met een spottende glimlach zit met een houding zo van: jullie kunnen toch niets bewijzen, je kan me niks maken, jullie moeten me wel terughalen en ik ontken alles.’

Is er überhaupt genoeg bewijs tegen de meesten van hen?

‘Er is wel bewijs, maar dat verdwijnt nu. De meeste bewijzen tegen de Nederlandse IS’ers zijn Twitter, Facebook en WhatsAppberichten. Dat is dus niks, daar ga je mensen niet lang mee achter slot en grendel krijgen in Nederland.’

Op een gegeven moment ben je echt klaar met IS’ers die hun eigen rol bagatelliseren. Iedereen bakte broodjes daar, als ik ze moet geloven

Ben jij er dan voor dat ze daar blijven?

‘Laat ik als eerste zeggen wat de Koerden vinden die ze daar in Syrië en Irak gevangen moeten houden. Die zeggen: het is jullie rotzooi en jullie moeten deze mensen op komen halen, wij willen niet meer voor ze zorgen. Ik begrijp dat standpunt goed. De Koerden hebben tegen ze gevochten en ze verslagen. Ik persoonlijk sta niet te trappelen om die mensen naar Nederland te halen. Laten we eerlijk zijn, we kunnen niet in de hoofden van die mensen kijken, we weten niet wat we hier dan binnenhalen. Maar wat ik wel vind, is dat daar ook ontzettend veel kleine kinderen bij IS-moeders zitten, veelal jonger dan 6 jaar. Van hen vind ik echt: kinderen zijn kinderen en die verdienen altijd een tweede kans. Bovendien is compassie geen misdaad. Het verschil tussen ons en die IS’ers is namelijk dat wij wel een geweten hebben en barmhartig kunnen zijn. Wij geloven in de rechtsstaat, democratische waarden, mensenrechten... Maar ook in kinderrechten.’

Vind je dat wanneer wij IS’ers repatriëren, zij dan nog wel het ouderschap in Nederland over hun kinderen verdienen?

‘Ik vind van niet. Als ze terugkomen, gaan ze allemaal naar de terreurafdeling in de gevangenis in Vught. Daar worden ze al gescheiden van hun kinderen, dus voelen ze het ook hoe het is om gescheiden te leven van je kinderen.’

De terreurafdeling in Vught is geen pretje, met volledige afzondering en nauwelijks menselijk contact.

‘Klopt, dat mag ook geen pretje zijn. Ik zat toevallig net te denken: wat ga je nou over tien jaar aan je kinderen vertellen? Ik maakte deel uit van die organisatie? Of schaam je je dood eigenlijk dat je hoorde bij een club die een pikzwarte pagina heeft geschreven in de geschiedenis van de mensheid? Het klinkt misschien hard wat ik nu zeg, en ik hou niet van ouders van kinderen scheiden, maar kinderen horen niet op een terreurafdeling te zitten.’

De Nederlandse Staat moet de IS-kinderen opvangen?

‘Ja, dat moet de Staat doen. Er zijn waarschijnlijk familieleden of lieve pleeggezinnen... Er is hier genoeg mogelijk voor die kinderen.’

Er komt een moment dat deze mensen weer zullen terugkeren in de samenleving. En dan?

‘Ja, ze zullen onvermijdelijk ooit terugkeren. De vraag is: hoe gaan ze terugkeren? Wat zijn de voorwaarden van die vrijlating?’

Moeten ze tbs krijgen?

‘Wat ik vind is dat de Nederlandse Staat echt moeite moet doen om bewijsmateriaal te vinden tegen deze mensen. Ik heb daar in Syrië en Irak de massagraven gezien en getuigen gesproken. Ik was bij een massagraf waar dagelijks vijftien mensen werden opgegraven. Ik vroeg of deze mensen werden geïdentificeerd, of dat er een internationaal team dna-bewijs aan het verzamelen was. Ze zeiden: “Nee joh, het enige wat wij doen is die mensen weer fatsoenlijk begraven.” Toen dacht ik: kut, al dat bewijsmateriaal verdwijnt dus gewoon. Het wordt dus – in het kader van gerechtigheid – heel moeilijk om die lui straks gepast te straffen in Nederland. Stel, we weten van een aantal van die mensen dat ze actief hebben meegedaan aan de gruweldaden, zoals die jongen uit Almere die in Raqqa bij dat hek poseert waar hoofden op gespiest zijn. Hij is gesneuveld, maar stel dat hij was teruggekeerd naar Nederland? Zo’n man moet je volgens mij gewoon levenslang geven. Het zal je broer of je kind maar zijn die daar op een hek is gespiest.’

Je beweegt je met je documentaires veelal in het Midden-Oosten, wellicht komt dat door je Turks-Koerdische roots. Ben je door je eigen achtergrond weleens met jezelf in conflict gekomen tijdens het maken van een programma?

‘Ja, tijdens het maken van Bloedbroeders, over de Armeense genocide, omdat ik achter een stukje donkere geschiedenis van mijn familie kwam. Iets klopt er niet aan vaderszijde, dat waren landheren van allerlei landerijen waar ook Armenen zaten. Ik kwam erachter dat die Armenen waren verjaagd en dat hun land was ingenomen. Tijdens het maken van die serie werd mijn mentale last steeds zwaarder. Telkens wanneer er een puzzelstukje werd gelegd, werd de rol van mijn vaders familie steeds duisterder. Toen ik mijn vader vertelde wat ik had ontdekt, moest hij van de schrik twee weken bijkomen. Je denkt: opa is oké, overgroot-opa is oké... Maar het was niet oké. Aan het eind was de mentale last zo zwaar, dat ik toen ik in Armenië was een enorme drang had om me te verzoenen met deze mensen. Het was het verzoenen met een stukje geschiedenis van meer dan honderd jaar geleden dat gewoon echt moest gebeuren. Dat was absoluut het moeilijkste moment voor mij.’

Je hebt het journalistieke platform Synaps opgericht. Wat ga je met dat platform anders doen dan de huidige gevestigde journalistiek?

‘Ik merkte dat als ik van de reizen terugkeerde, ik zoveel mooie verhalen had verzameld die door tijdgebrek gewoon niet in de documentaires konden, of omdat het simpelweg een ander verhaal was. Dat vind ik gewoon zonde; er zijn zulke mooie verhalen die niemand kan zien, en er was ook geen platform waarop ik die verhalen kwijt kon. Toen ben ik naar de NPO gestapt en heb ik gezegd dat ik een platform zou willen creëren voor buitenlandjournalistiek, voor mooie verhalen van ver weg. Met Synaps wil ik ruimte bieden aan andere makers die ook gebruik kunnen maken van het platform om zichzelf te ontwikkelen. Synaps moet creëren voor televisie, web-docu’s, podcasts, YouTube, social media, geschreven journalistiek, noem het maar op. Ieder medium is welkom. Ik wil gewoon een mooie vijver creëren waarin mensen de kans krijgen en zich kunnen ontwikkelen.’

Je doet ontzettend veel, je staat nooit stil. Wat vinden de mensen in je omgeving daarvan? Je zei in je column in De Gelderlander dat je het niet leuk vindt als mensen je zeggen dat je het rustig aan moet doen. Waarom?

‘Ik heb geprobeerd om een maand vakantie te nemen, maar ik vind dat helemaal niet leuk. Na een week wilde ik gewoon werken. Ik accepteer gewoon dat ik een workaholic ben. Sterker nog: ik wil zelfs nog meer mijn impulsen volgen.’

Wat is het randje van Sinan Can?

‘Dat ik graag over de rand van het ravijn wil kijken. Daar ben ik in het verleden weleens roekeloos in geweest, bijvoorbeeld door onnodig naar gebieden te gaan waar het echt levensgevaarlijk was. Maar ja, als ik die impuls niet had, zou ik niet kunnen maken wat ik maak.’ 

Laatste nieuws