Premium

'Herzlich willkommen in Ravensbrück'

In Ooggetuigen van de Bevrijding worden tien verhalen verteld over de nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Bram Grisnigt (1923-2019) uit Zeist werkt als geheim agent voor het leger, als hij begin 1944 door de Gestapo wordt opgepakt.
Foto uit de Tweede Wereldoorlog

In Kamp Vught wordt hij op transport gesteld naar Duitsland, waar hij in vernietigingskamp Ravensbrück belandt.

NEUENGAMME, DUITSLAND Zaterdag 30 maart 1945, 13.00uur

Voetje voor voetje schuifelt Bram Grisnigt mee in de lange rij uitgemergelde mannen. Zijn buik speelt op, weer die pijn. Helemaal vooraan staat een Duitse arts, een witte jas over zijn SS-uniform, met naast hem een kapo uit Letland. Als een gevangene vooraan in de rij oog in oog met de arts staat, bekijkt die hem even en stuurt hem dan naar rechts of naar links. De linkergroep groeit sneller dan de rechter.

In Neuengamme en haar buitenkampen zitten eind maart 1945 nog ongeveer veertigduizend mannelijke en elfduizend vrouwelijke gevangenen. De omstandigheden zijn inmiddels erbarmelijk. Er zijn nauwelijks nog voedsel en medicijnen. Sinds begin januari dat jaar zijn er meer dan zesduizend mensen aan uitputting gestorven.

Bram zit in het hoofdkamp, waar zo’n veertienduizend mensen vechten om te overleven, bij een groep mannen die niet hoeven te werken, met als voornaamste reden dat ze ziek zijn geweest en nog te verzwakt. Vandaag vindt er onder hen een selectie plaats. Zij die nog van nut kunnen zijn voor de Duitsers moeten naar de rechtergroep, zij die tot last zijn geworden naar links. Niemand uit de linkergroep weet dat hij op transport gaat naar het beruchte concentratiekamp Bergen-Belsen, waar het de bedoeling is dat ze omgebracht zullen worden.

Als Bram aan de beurt is, kijkt de arts hem nauwelijks aan. ‘Links,’ zegt hij. Hij wil naar de groep toe lopen, als de Letse kapo hem bij de arm pakt en hem naar de rechter rij duwt. Bram heeft de man nog nooit eerder gezien. Pas later beseft hij dat de man wellicht zijn leven heeft gered.

Op de trein gezet

De dagen erna arriveren er verschillende transporten uit andere kampen, het wordt steeds voller in Neuengamme. Omdat Britse troepen naderen, krijgt kampcommandant Pauly de opdracht om het hoofdkamp Neuengamme te evacueren. Gevangenen op wie medische experimenten zijn uitgevoerd, dienen geliquideerd te worden om niet als bewijs van de onmenselijkheid van de nazi’s in geallieerde handen te vallen. Bram wordt begin april met een grote groep van zo’n tweeduizend mannen op een trein gezet die zuidwaarts rijdt. Hij heeft geluk. Op de 15de van die maand vertrekken bijna 2500 mannen die geselecteerd zijn voor Bergen-Belsen en weer later gaan de bijna tienduizend overgebleven mannen op transport noordwaarts. Deze laatste groep gaat te voet of per trein naar de havenstad Lübeck, waar ze in schepen worden geladen. Veel van hen komen om als het schip waarop ze zich bevinden, de Cap Arcona, op 3 mei per vergissing wordt gebombardeerd door de RAF. Daarbij vallen ruim zevenduizend slachtoffers; degenen die niet verdrinken, worden door de bemanningen van de Duitse reddingsboten doodgeschoten. Wie zwemmend de kust haalt, wordt daar neergemaaid door de Hitlerjugend die het gebied bewaakt.

Bram Grisnigt

De trein met Bram gaat zuidwaarts en stopt als eerste in Braunschweig, een middelgrote stad, circa 175 kilometer ten zuiden van Hamburg. Het station is een grote ruïne, maar de treinen rijden er nog. De stad wordt bijna dagelijks door de geallieerden gebombardeerd. Ze worden allemaal naar een lege vrachtwagenfabriek in de buurt van het station gebracht, nog geen kilometer van het inmiddels verwoeste prachtige middeleeuwse centrum van de stad. Bij een bombardement half oktober 1944 brak een dagen durende vuurstorm uit die 150 hectare historie in de as heeft gelegd. In een lege fabriekshal slaapt Bram op de stenen vloer.

Midden in de nacht klinkt het luchtalarm. De bewakers sluiten de grote deuren van de fabriekshal af en zoeken zelf een goed heenkomen in de schuilkelders. De gevangenen blijven onbeschermd achter. Het spoorwegemplacement, waar ze zich tweehonderd meter vandaan bevinden, is opnieuw het doelwit. De fabriekshal wordt tijdens het bombardement ook getroffen. Gewonde gevangenen schreeuwen en kermen, enkele mannen zijn gedood. Bram heeft het geluk dat hij zich aan een andere kant van de ruimte bevindt.

Het recht van de sterkste

De volgende dag worden ze uit de loods gejaagd en moeten ze terug naar het station. Overal smeult het nog. Er staat een locomotief op het perron met daarachter een rij van een stuk of twintig open wagons. Er moeten tachtig mannen in één wagon. De randen zijn zo hoog dat ze er niet overheen kunnen kijken. Overheen klimmen gaat ook niet, want er is prikkeldraad over gespannen. Op de grond ligt stro, in een hoek staat een tonnetje waarin ze hun behoefte moeten doen. Veel mannen zijn aan de diarree. Ze zijn nog niet vertrokken of de vloer ligt al bezaaid met zure drek.

Het transport gaat naar het oosten. In de verte horen ze aan het dreunen dat daar gevochten wordt; de geallieerden zijn waarschijnlijk dichtbij. Het gedreun wordt echter steeds minder luid. Een paar dagen later, op 10 april, begint de Amerikaanse artillerie met het beschieten van de stad Braunschweig, twee dagen later geeft de stad zich over. Zes dagen rijdt de trein met de gevangenen uit Neuengamme oostwaarts. Soms stapvoets, soms staan ze uren stil. Een keer worden ze aangevallen door geallieerde vliegtuigen, een andere keer moeten ze terug omdat de rails voor hen zijn vernield door een bombardement. Ze krijgen niets te eten en slechts drie eetlepels water per dag om te drinken, terwijl het voor de tijd van het jaar erg warm is. Een enkele keer zet een Duitse bewaker een emmer in de wagon als ze stilstaan en dan geldt het recht van de sterkste. Bram is niet de sterkste.

Op de vloer is het een en al viezigheid, maar het is zo vol dat toch niemand kan liggen. En dus blijven ze staan. Mannen gebruiken hun etensblikken om in te plassen en te poepen en kieperen dat over de rand naar buiten. Steeds meer mannen zakken in elkaar en sterven. Ze blazen in de drek op de grond hun laatste adem uit. Maar Bram houdt vol. Hij sluit zich af voor de wereldomhemheen.Alsdelaadkleppenvande veewagons eindelijk geopend worden, tuimelen de mannen eruit. Iedereen is vies, uitgedroogd en kapot. Duitsers schreeuwen ‘Schweinhunde!’ en sommeren iedereen uit de wagons te komen. Ze worden behandeld als vee. Niet iedereen is in staat op eigen kracht uit de wagons te komen. Wanneer ook zij er met hulp uit zijn gehaald, liggen er tweehonderdvijftig stoffelijke overschotten in de trein.

Kapo’s leiden de overlevenden met knuppels naar de appelplaats. Een van hen zegt met een minachtend lachje op de mond: ‘Herzlich Willkommen in Ravensbrück.’

Verbrand mensenvlees

In 1938 liet Reichsführer-SS Heinrich Himmler aan de overkant van de Schwedtsee bij het dorpje Fürstenberg/Havel, 85 kilometer ten noorden van Berlijn, het kamp Ravensbrück bouwen door gevangenen uit het concentratiekamp Sachsenhausen. In eerste instantie is het bedoeld als een kamp voor vrouwen, maar vanaf 1941 is er ook een klein deel van Ravensbrück ingeruimd voor mannen; ze worden gebruikt als arbeiders voor de uitbreiding van het vrouwenkamp en de bouw van nevenkampen. Ruim 153.000 mensen zitten er tussen 1938 en 1945 vast, onder wie zo’n 850 vrouwen en driehonderd mannen uit Nederland. Geschat wordt dat bijna dertigduizend gevangenen zijn omgekomen of omgebracht, onder wie 2550 van de in totaal circa twintigduizend hier verblijvende mannen.

Als de laadkleppen van de veewagons eindelijk geopend worden, tuimelen de mannen eruit. Iedereen is vies, uitgedroogd en kapot

In januari 1945 zitten er 46.000 vrouwen en bijna achtduizend mannen in Ravensbrück en haar sub-kampen; daarbij zijn veel mensen uit het inmiddels ontruimde, beruchte vernietigingskamp Auschwitz gekomen. Het is er overvol en smerig en er breekt tyfus uit. Honderden sterven eraan.

Omdat het Rode Leger vanuit het oosten steeds dichterbij komt, krijgt kampcommandant Fritz Suhren het bevel om alle gevangenen ten oosten van de Oder ook in het hoofdkamp onder te brengen, waardoor de populatie verder stijgt. Daarnaast krijgt Suhren opdracht om gevaarlijke gevangenen om te brengen. Het kamp heeft een gaskamer en een deel van de gevangenen komt hierin om het leven, anderen krijgen een nekschot. In de laatste maanden van de oorlog wordt Ravensbrück zo een vernietigingskamp. Zo’n zesduizend mensen worden in het zicht van hun bevrijding vermoord. Het crematorium van het kamp werkt de klok rond en verspreidt de verschrikkelijke lucht van verbrand mensenvlees. De as van de doden wordt in de Schwedtsee gegooid, waar de inwoners van Fürstenberg/ Havel recreëren. Op een mooie dag varen er tientallen bootjes met witte zeilen.

Op een stapel met lijken gegooid

Vanwege de zorgelijke voedsel- en sanitaire situatie grijpt de Zweedse diplomaat Folke ‘Graaf’ Bernadotte in. Als vicepresident van het Zweedse Rode Kruis sluit hij een overeenkomst met Himmler: begin april mogen alle Scandinavische vrouwen en driehonderd Franse en enkele Nederlandse vrouwen, bijna 7500 in totaal, met witte bussen en vrachtwagens uit het kamp worden gehaald en naar Zweden vervoerd. Op 21 april staat Himmler ook toe dat duizend Joodse vrouwen naar Zweden mogen; hij probeert zo in een goed blaadje te komen bij de geallieerden, met wie hij van plan is afzonderlijk vredesbesprekingen te beginnen. Ook Himmler twijfelt inmiddels aan de geestelijke gesteldheid van zijn Führer die wil doorvechten tot de laatste man. Maar uiteraard probeert hij ook het vege lijf zo te redden. Naar de mannensectie van Ravensbrück wordt door het Zweedse Rode Kruis echter niet omgekeken.

Op de appelplaats worden Bram en de andere mannen na de vreselijke treinreis geteld. Het moet weer een paar keer opnieuw. Na het appel horen ze met hoeveel man ze naar een bepaalde barak moeten. Als ze de barak binnenkomen, zegt de kapo: ‘Drie man per bed!’ En dus deelt Bram zijn strozak met twee andere gevangen. Hij denkt dat hij inmiddels al iets gewend is, maar zo smerig als hier heeft hij het nog niet meegemaakt. Hij is op het eind van zijn krachten, maar hij is niet de enige. Overal ziet hij uitgemergelde, vervuilde mannen.

Een van de jongens met wie Bram zijn slaapplek deelt, heet Boy Idema. Boy is op 18 juli 1924 in Batavia geboren en woont in Putten. In 1943 duikt hij in Groningen onder als hij een oproep voor de Arbeitseinsatz heeft gekregen. Als hij in het laatste weekend van september 1944 een bezoek brengt aan zijn ouders, vindt daar juist de razzia plaats naar aanleiding van de aanslag op de auto met Duitse officieren. Boy is een van de ruim zeshonderd Puttense mannen die wordt afgevoerd. Boy is er slecht aan toe. Net als Bram heeft hij in Neuengamme gezeten en tussendoor een tijdje in een buitenkamp bij Meppen, waar ook hij tankgrachten moest graven. Terug in Neuengamme is hij geselecteerd voor medische experimenten. Hij komt in een aparte barak terecht, waar een SS-arts zonder verdoving zijn hals opensnijdt. Elke dag komt de man kijken hoe het geneest, terwijl Boy helse pijnen lijdt. Omdat de arts constateert dat hij het niet zal halen, wordt hij alvast buiten op een stapel met lijken gegooid. Een paar dorpsgenoten uit Putten ontdekken hem en knappen hem een beetje op.

Als Bram eindelijk een keer een stukje brood heeft bemachtigd, duiken er drie Polen op hem en pakken het af

‘Het is bijna voorbij’

Boy heeft net als Bram een vreselijke reis achter de rug voor hij in Ravensbrück arriveert. Die ging via Watenstedt, Sachsenhausen en Bergen-Belsen. Onderweg is zijn trein door Engelse jagers beschoten, waardoor veel mannen uit zijn wagon omkomen. Hij heeft een enorme hekel aan de Duitsers gekregen, vooral omdat ze zelfs stervende mannen niet met rust laten: hij heeft meerdere malen gezien hoe Duitse kampbewaarders gouden tanden van de stervenden uittrekken en niet kunnen wachten tot die hun laatste adem uitblazen. ‘Ik zal dit volk nooit vergeven,’ zegt hij tegen Bram.

Met Boy sluit Bram zich aan bij een stel andere Nederlanders. Ze noemen hem, vanwege zijn verleden als geheim agent ‘Bram de Parachutist’. Er zitten ook een paar oudere mannen in hun groepje zoals Simon Goede uit Landsmeer. Simon is 45, in de ogen van Bram en Boy een oude man. Hij is als verzetsstrijder opgepakt; hij is een van de organisatoren van de LO (de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers), en heeft in de kampen Vught en Oranienburg gezeten, voor hij in Ravensbrück komt. Net als hen is hij erg verzwakt, maar vanwege zijn leeftijd ontfermt hij zich een beetje over de jongens. Hij straalt rust uit en dat spreekt Bram en Boy aan. Ze moeten nog even geduld hebben, zegt Simon. ‘Het is bijna voorbij.’

Bram Grisnigt overleed vorig jaar op 95-jarige leeftijd

Eten krijgen ze nauwelijks meer. Dagelijks moeten ze één brood met z’n tienen delen en het is altijd zwaar beschimmeld. Al snel krijgen ze helemaal geen brood meer, de driekwart liter waterige soep wordt een halve liter nog wateriger soep per dag. Als de grote soepketels de barak binnen worden gebracht, vliegt de hele horde erop af. In het kamp heerst complete anarchie. Er zitten veel uit de oostelijke kampen overgebrachte Poolse en Sovjet-krijgsgevangenen en in groepjes terroriseren zij de anderen. Als Bram eindelijk een keer een stukje brood heeft bemachtigd, duiken er drie Polen op hem en pakken het af. Hij heeft geen kracht om zich te verweren.

Die krachten nemen met de dag af. Zo erg, dat hij ook zijn hygiëne begint te verwaarlozen. Als hij aan zijn kruis krabt, zit zijn hand vol luizen. En de maagpijnen worden heviger. Hij heeft ontzettende last van diarree. Als hij op een avond met vreselijk krampen zijn bed uitklimt en zich naar de latrine buiten haast, heeft hij geen controle meer over zijn sluitspier. De dunne ontlasting druipt langs zijn benen op de grond. Een Duitse kapo ziet hem in zijn eigen vuiligheid staan – de Nederlanders noemen de kapo’s in Ravensbrück vanwege hun groene driehoek ‘groenlappen’; het is het teken voor ‘beroepsmisdadiger’. ‘Drecksack!’ schreeuwt hij Bram toe. ‘Sauber machen!’ Bram kijkt om zich heen of er iets is waarmee hij dat kan doen. Niets. De man dwingt hem op zijn knieën en het met zijn blote handen te doen. Het is voor Bram de ultieme vernedering. Maar hij kan niet anders. Hij heeft maar te gehoorzamen en doet het. Er is geen water om zijn handen te wassen. Hij heeft zich nog nooit zo vies gevoeld. Voor het eerst voelt ook hij echte haat tegen de Duitsers. Het zal nooit meer goed komen. 

Ooggetuigen van de Bevrijding, Bram de Graaf, AmboAnthos, €20,99

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws