Voorpublicatie: hoe The Rolling Stones doorbraken dankzij The Beatles

'In een wereld vol neppe shit moet je echte dingen koesteren'

Columnist Jerry Hormone houdt van muzikaal amateurisme. Omdat de amateur zo onbeholpen is en/of niet beschikt over instrumenten en apparatuur van enige kwaliteit, kan zijn muziek zich niet beter voordoen dan zij is. Het is écht mooi, of écht lelijk.

Ik hou van amateuristische muziek. Verzamel-lp’s als Back from the Grave 1 t/m 10 en Teenage Shutdown!  (vijftien delen, als ik het goed heb) met daarop de mid-60’s baksels van Amerikaanse highschooltieners die op de radio een keer The Rolling Stones hadden gehoord en dachten: dat kunnen wij ook! Spaanplaatgitaar uit de Sears-postordercatalogus bestellen en hop, raggen in de garage van je vader. Ritmisch gestoord buurjongetje erbij op het drumstel (liefst een barrel van een derdehands slagwerk met een sound alsof je met een leverworst een natte kartonnen doos in mekaar mept) en gaan met die banaan. Lekker kwaaie jankliedjes blèren over dat die ene chick je niet zien staan.

Nu zongen de Stones natuurlijk ook weleens over meisjes die er geen zin in hadden, maar kom op, dat was alleen maar aanstelleritis voor de bühne. Die gasten hadden een supermodel aan elke vinger. Nee, Mick Jagger versleet ’m echt niet met pissen. Het gekrakeel van zo’n puisterige puber uit Longwood, Wisconsin mist misschien de glans van Ol’ Rubberlips z’n gouden stembanden, maar het joch weet tenminste wél waarover hij zingt. 

Hetzelfde probleem heb ik met beroemde blues-musici. Zo’n Eric Clapton die met z’n fris geknipte haartjes en een designer-spijkerbroek aan z’n slappe, witte reet een gitaar ter waarde van een nieuwe Mercedes klaarvingert. Iemand vroeg Howlin’ Wolf eens wat dat nou eigenlijk precies was, de blues. Met z’n ik-heb-net-een-slof-Marlboro-opgegeten-stem antwoordde hij: ‘When you ain’t got no money, and can’t pay yo house rent, and can’t buy you no food, you damn sure got the blues.’ Armoe, wat weet een rijke stinkerd als Clapton daar nou van?

Nee, dan de Mississippi-bluesmannen uit de docu You See Me Laughin’ uit 2002. Ouwe, zwarte gasten in ongewassen kleren, op afgetrapte schoenen. Uitgevallen tanden, roos op de schouders. Thuis in de stacaravan of in een tot kroeg omgebouwde houten schuur (kippenstront aan de muren) spelen ze de bejaarde ballen uit de rafelgatige broek, op de goedkoopste plank met snaren die ze in de lokale pawnshop konden vinden. Rauw, bezield, echt.

Ik denk dat dat is waarom ik zo van muzikaal amateurisme hou. Dat ik weet dat waar ik naar luister echt is. Ik bedoel, opgenomen in een studio van 10.000 dollar per dag klinkt zelfs de laatste kutscheet van je oma’s dooie hond ‘wel lekker’. Maar omdat de amateur zo onbeholpen is en/of niet beschikt over instrumenten en apparatuur van enige kwaliteit, kan zijn muziek zich niet beter voordoen dan zij is. Ze is écht mooi, of écht lelijk. En in een wereld vol neppe shit moet je echte dingen koesteren.

Laatste nieuws