Premium

‘Ik heb dat applaus gewoon nodig’

Dries Roelvink (61) nam vorige maand afscheid bij 1 op 1, het radioprogramma van Sven Kockelmann waar de Amsterdamse zanger zo’n 2,5 jaar dagelijks commentaar gaf op het nieuws. Inmiddels vragen beiden zich af of dat eigenlijk wel de juiste beslissing is geweest.
Dries Roelvink

Een interview over tranen, succes, imagoschade en Dave & Donny, zijn twee zonen.

Op 17 juli, toen je bij Sven Kockelmann voor het laatst je visie gaf, was je vrij emotioneel. Verraste dat jou?

‘In zekere zin wel. Maar dat begon eigenlijk al toen ik in de auto zat, op weg naar het Mediapark. Je sluit toch een hoofdstuk van je leven af.’

2,5 jaar, ruim zevenhonderd columns...

‘Dat bedoel ik. En kom je ineens de redactieleden tegen die je al die tijd vrijwel dagelijks aan de telefoon had. Dat doet natuurlijk wat met je.’

En dan word je ook nog eens toegesproken door je idool.

‘Ja, Sven had van tevoren al gezegd: het laatste kwartier schuif je aan en dan hebben we een aantal verrassingen voor je. Prachtig natuurlijk. Maar dat was niet makkelijk. Toen ik Hans de Boer, de voorzitter van VNO-NCW met wie ik inmiddels een goede band heb opgebouwd, iets hoorde zeggen, moest ik al wat slikken. En toen moest Mart Smeets nog komen.’

Ik tik elke keer onder mijn voet en op mijn hoofd als ik een ambulance zie rijden. Dat betekent namelijk dat je nooit in zo’n auto terechtkomt

Toen brak je.

‘Ik ben een enorme sportfanaat. Ik geloof dat ik de laatste vijftig jaar alle sportprogramma’s wel heb gezien. Programma’s die veelal door Smeets werden gepresenteerd. En dan hoor je zo’n grootheid zeggen dat hij contact had gehad met Jean Nelissen die ergens in de hemel in een café zat. En dat Nelissen tegen hem had verteld dat ze tegenwoordig de gekste mensen uit elkaar halen die goed zijn. Nou, dan kun je mij opvegen, hoor.’

En klopt het dat je toen dacht: heb ik er wel goed aangedaan om te stoppen?

‘Soms neem je iets te overhaast een beslissing. En dat besefte ik inderdaad op dat moment. Zoals Sven dat later ook had, hè? Toen we na af loop van ons bezoek aan Op1, waar we een dag voor mijn laatste column samen te gast waren, naar onze auto liepen, vroeg hij letterlijk of we wel de juiste beslissing hadden genomen.’

Maar dan is een terugkeer toch zo geregeld?

‘De beslissing is genomen, hè. Al betekent dat niet dat de deur helemaal in het slot zit. Want Sven heeft al aangeven: als hij vanaf september, wanneer zijn programma weer begint, merkt dat ik word gemist en dat het publiek ook zo denkt, kan het zomaar zijn dat hij in december zegt dat ik terugkom. Dus het is niet geheel onmogelijk. Ik zie het in ieder geval wel zitten.’

Waarom besloot je dan te stoppen?

‘Omdat ik niet wilde meemaken dat mensen zouden zeggen: “Ach, Dries Roelvink, die heb ik nu zevenhonderd keer gehoord, nu is het welletjes.” Dat gaf ik ook aan tijdens het gesprek dat ik zo’n eerder met onder meer Sven had. Dat het daarom misschien wel beter was om te stoppen.’

Hoe werd daarop gereageerd?

‘Nou, zeiden ze, daar zat wel wat in. En dat zou enorm zonde zijn, ook omdat ik ondertussen zo’n monument had neergezet. In de geschiedenis van de Nederlandse radio was er namelijk nog nooit iemand geweest die zo lang elke dag een column had.’

Ze namen niet de moeite om je over te halen?

‘Nee, en dat versterkte mijn keuze. Kijk, als ze nou zouden schrikken of hadden gezegd dat ik absoluut door moest gaan, had ik er probleemloos een seizoen aan vastgeplakt. Zo had ik dat ook in mijn hoofd. Maar als ik bij hen ook dat idee proefde, was het beter om te stoppen.’

En wat ook meespeelde: je bijdrage mag dan wel maar een paar minuten zijn, het was wel loeizwaar, de druk was groot.

‘Zodra ik wakker werd, dacht ik al: wie zou de gast zijn? En als ik dan nog niks had gehoord, appte ik zelf de redactie. Elke tien minuten was voor mij meegenomen.’

Wat niet iedereen had gedacht.

‘Toen bekend werd ik dat dagelijks op Radio 1 commentaar zou geven over bloedserieuze zaken vonden heel wat luisteraars dat inderdaad een krankzinnig idee. Maar dat sloeg vrij snel om, moet ik zeggen. Natuurlijk, als ik iets zei wat feitelijk niet klopte, stond dat al snel op Twitter. Maar over het algemeen was iedereen altijd heel positief. Helemaal op straat. Was wel grappig: vroeger kwamen ze naar me toe omdat ze een mooi liedje van me hadden gehoord, nu klopten ze op mijn schouder omdat ze het fantastisch vonden wat ik op de radio had gezegd.’

Wat doet dat met je?

‘Dat is natuurlijk mooi. Maar het allermooiste was een tweet waarin iemand zich afvroeg wie nou precies die fucking goede columns van Dries Roelvink schreef ? Nou, een groter compliment kun je toch niet krijgen?’

Sven Kockelmann zei: ‘Dries vertaalt het naar het menselijke niveau.’ Heeft hij daarin gelijk?

‘Zonder meer. Neem die keer dat Jaap de Hoop Scheffer te gast was, niet alleen voormalig minister van Buitenlandse Zaken, maar ook oud-secretaris-generaal van de NAVO. Dan kan ik wel op dat niveau gaan meepraten, maar het is toch veel leuker om daar iets kleins van te maken. Dus ik vroeg of hij kon uitleggen hoe een gesprek tussen Donald Trump, Vladimir Poetin of Kim Jung-un begint. Hebben ze dan ook smalltalk? Zegt Poetin dan: “Jongens, ik heb gisteren gejudood en ik heb me nu toch een pijn in mijn onderrug.” En zou Kim op zijn beurt aan Trump vragen of zijn vrouw soms ook zo chagrijnig is? “Nee,” zei De Hoop Scheffer serieus, “dat laten ze allemaal achterwege. Ze komen meteen to the point.” “Nou,” zei ik, “wat ongezellig.” Kijk, zoiets zou Sven natuurlijk niet zeggen, maar ik kan dat wel. En dat werd gewaardeerd.’

Je noemde de Albert Cuyp vaak als referentiekader.

‘Zo stak ik die columns meestal in, ja. Zo van: wat zou de groenteman, de haringman of de sinaasappelboer daar nou van vinden? Wat zouden die zeggen? En zo kwam ik meestal tot mijn ding.’

Wat was de mooiste?

‘Onmogelijk om te zeggen. Daarvoor waren het er te veel. Maar die ik sowieso niet vergeet: de keer met Mart Smeets, toen ik begon over de Tour de France van 1979. Jean Nelissen vertelde toen zo enthousiast over een restaurant, maar werd toen bruut door Smeets onderbroken omdat Bernard Hinault was gedemarreerd. En dat ik deed zo gedetailleerd dat niet alleen Smeets, maar ook Sven er van onder de indruk was.’

Kockelmann roemde ook je gedicht over Wim Kok.

‘Klopt. Net als Kees Boonman, de politiek verslaggever die toen te gast was. Qua toon en qua inhoud vond ie ’m heel sterk.’

Weleens gedacht: nu ben ik te ver gegaan?

‘Nee. Ik ben geen afzeiker. Dat heeft ook geen nut. Waarom zou ik in vredesnaam in die anderhalve minuut iemand neersabelen? De enige keer dat ik misschien wat te hard ben geweest, was tegen Freek de Jonge. Dat deed ik omdat hij kort daarvoor op het Boekenbal zo hard begon te schreeuwen. Dat viel me zo van hem tegen. Zo kende ik Freek ook helemaal niet. En dat zei ik ook tegen hem. En dat vond hij niet leuk. Maar of dat echt afzeiken is?’

Respect was er van twee kanten. Zo sprak Mart Smeets je aan met meneer Roelvink...

‘En wat te denken van Hans de Boer? Die waardeerde het echt wat ik zei. Dat liet hij regelmatig ook middels een appje weten. Maar zo zijn er nog wel meer die het goed met me voorhebben, hoor. Neem Kees van der Staaij, voorman van de SGP. Omdat hij voelde dat ik angst heb voor de dood en ermee worstel, nodigde hij me meteen uit om een keer naar Den Haag te komen. Zodat hij me kon uitleggen dat ik nergens bang voor hoef te zijn.’

Wáár ben je dan precies bang voor?

‘Dat we op een gegeven moment allemaal dood zijn. Die gedachte vind ik zo erg. En dan krijg ik angstaanvallen. Zolang ik bezig ben, gaat het wel goed, maar dat verandert als ik niks om handen heb. Niet dat ik automatisch een paniekaanval krijg, maar dan denk ik vaak wel aan de vreselijkste dingen. Om mijn gedachten te verzetten, ga ik dan maar even lopen of zo. Het is niet voor niets dat ik elke keer onder mijn voet en op mijn hoofd tik als ik een ambulance zie rijden. Dat betekent namelijk dat je nooit in zo’n auto terechtkomt.’

Wanneer is die angst dan ontstaan?

‘Op mijn zeventiende. Op dat moment werkte ik bij Steve Brown, in buurthuis De Knooppunt, als barkeeper annex sportleraar. Daar werkte ik samen met Franklin, toen aanvoerder van De Zwarte Schapen. Een beer van een vent. Een soort Frank Rijkaard. Zo zag ie eruit. En voetballen dat ie kon! Zegt mijn vader ineens op een maandag, nadat ie De Telegraaf van de mat had geplukt: “Is die collega van jou gisteren overleden op het voetbalveld?!” Bleek dat er een embolie naar zijn hart was doorgeschoten. Toen wist ik: je hoeft niet oud of ziek te zijn. Je kan elke minuut omvallen. En dan is het dus over. Bam, uit. Donker. Want je komt daarna nooit meer terug, hè. Ook niet over tien miljoen jaar. Man, als je daaraan denkt, dan word je toch helemaal gek?’

Bezocht je daarom ook een psycholoog?

‘Als je merkt dat dat de overhand gaat krijgen, moet je er met iemand over praten. Alleen, het hielp voor geen meter. Niemand kan je daarmee helpen. Ook zo iemand niet.’

Sommigen beweren dat er wél wat is na de dood.

I know. Maar ik weet zeker: er is niks. Helemaal niks. Daarom kwam ik er ook niet uit met Van der Staaij. “Als je overlijdt, kom je in iets veel mooiers,” zei hij. Maar dat geloof ik niet. Nu wil ook Gert-Jan Segers van de ChristenUnie met mij in gesprek. Die uitnodiging neem ik wel aan, maar ik weet nu al dat hij me niet kan overtuigen.’

En dan vroeg het CDA je ook nog eens om plaats te nemen in de Amsterdamse gemeenteraad.

‘Aanvankelijk dacht ik dat het een grap was, maar ze waren bloedserieus. Maar dat heb ik natuurlijk nooit overwogen. Ik moest meteen denken aan de woorden van Lee Towers toen ik hem ooit tegenkwam op de toiletten van Old Dutch, het restaurant in Rotterdam waar ik op dat moment met Pim Fortuyn aan het eten was.’

Met Fortuyn?! Waarom?

‘Omdat – en nu geef ik je even een scoop – Fortuyn mij had gevraagd om het LPF-lied te schrijven en te zingen.’

Wanneer was dat dan?

‘Een week of drie voordat hij werd vermoord. Hij vertelde dat hij van meerdere mensen had gehoord dat ik prachtige liedjes kan maken. Wat natuurlijk ook zo is. Laat mij een liedje voor je verjaardag maken en je hebt de tranen in je ogen staan. Zoiets wilde Fortuyn ook, maar dan over de partij, voor hun campagne. Hij zag het al helemaal zitten. Niet alleen miljoenen mensen zouden het liedje omarmen, ik zou er ook mee de hitlijsten bestormen.’

Maar je deed het niet.

‘Nee. Ik zei dat ik het heel lief vond dat hij aan me dacht, maar ik dacht meteen: dat lijkt me niet verstandig.’

En dat bevestigde Lee Towers in de wc?

‘Ja, want dan had ik de rest van Nederland tegen me. En dat is voor een zanger natuurlijk niet handig. Je moet als artiest geen kleur bekennen. Daarom zei ik ook nee tegen het CDA. Een lieve partij, hoor, maar niet voor mij. En al helemaal niet voor iemand die niet eens gelovig is.’

Had je het wel gekund?

‘Natuurlijk. Ik ga nu al ook goed met politici om. Dat zie je wel als ik namens RTL Boulevard naar Den Haag ga. Ik hoor Mark Rutte alweer zeggen: “Ah, daar heb je professor doctorandus Roelvink!” Door enkele verkeerde beslissingen – denk onder meer aan die gele zwembroek – heb ik weliswaar wat imagoschade opgelopen, maar inmiddels nemen ze me echt wel serieus. Ook de politici. Dat zie je wel als ze na af loop naar buiten komen. Dan kunnen ze kiezen voor Eén Vandaag of het NOS Journaal, maar ze kiezen voor mij.’

Je hebt inmiddels al weken geen column meer. Merk je dat de druk er vanaf is?

‘Jawel, al word ik er nog altijd wel dagelijks mee geconfronteerd. Want wat ligt er beneden op tafel, op de plek waar het al 2,5 jaar ligt? Mijn blocnote en mijn Montblanc-pen waarmee ik altijd die columns schreef. Mijn vrouw Honoria ruimt het hele huis op, maar dat laat ze liggen. Bewust, denk ik. Ik denk dat zij ook hoopt dat ik terugkeer. En dat kan natuurlijk zo. Ik ben altijd die nieuwsslurper gebleven. Zo ben ik niet alleen een echte Radio 1-man, maar heb ik thuis ook De Telegraaf en Het Parool. Dus ik mis niks.’

Ik schat in dat ik momenteel de op twee na Bekendste Nederlander ben. Op Rutte en Joling na

Dus heb je ook meegekregen hoe je zoon Dave laatst werd aangepakt, naar aanleiding van zijn optreden bij Op1.

‘Ja, die werd op Twitter helemaal afgebrand. Maar Dave is ook geen gladde prater. Ik bedoel: er was weliswaar geen speld tussen te krijgen wat hij zei, toen hij daar te gast was om als influencer over corona te praten. Alleen, hij had het anders en zorgvuldiger moeten verwoorden.’

Om aan te tonen dat niemand de corona-regels meer snapt, zei Dave dat hij het raar vond dat er wel dertig man over een prostituee heen mag, maar dat je je moeder nog niet eens kan knuffelen.

‘Ik zou zeggen: “De prostitutie is weer open, maar in het café moet je afstand houden.” Dan zeg je in feite hetzelfde, maar had het een stuk minder gezeik opgeleverd.’

Dave kwam recent wel vaker negatief in het nieuws, onder meer toen hij de Lamborghini van een vriend in de prak reed. Weleens gedacht om een column over hem te maken?

‘Nee, maar toen Dave werd aangehouden, wilde Sven het wel aankaarten. En dat vond ik natuurlijk vervelend. Helemaal omdat ik een vraag kreeg die ik niet had verwacht. Zo zei Sven letterlijk: “Zeg, Dries, voordat je begint. Die zoon van jou leert niet snel, hoe ga je daarmee om?”’

Wat zei je toen?

‘Dat ik soms uren met hem zit te praten. Dat ie dan hemel en aarde belooft. En zegt: “Ja pa, vanaf nu ga ik het anders doen. Beter ook.” En dan gebeurt dit. Dan ben ik wel teleurgesteld. Ook omdat hij zo’n lieve gozer is. Iemand met humor en ook veel goede kanten. Dave heeft niet voor niets bijna 600.000 volgers op Instagram. Alleen, hij heeft dat randje. Heel anders dan Donny, mijn andere zoon. Over hem heb ik minder zorgen. Die is stabieler en zie je minder in het uitgaansleven. En Donny heeft een vaste relatie. Dat helpt ook.’

In hoeverre beperkt corona je leven?

‘Man, het is vreselijk. En nu geef ik je wederom een scoop: op 4 januari zou ik een concert geven in het Concertgebouw in Amsterdam. Maar dat heeft op dat moment natuurlijk geen zin. In plaats van tweeduizend man mogen er nu maar vierhonderd in. Dus dat hebben we maar gecanceld.’

Je denkt niet: dan maar met minder man?

‘Nee, dan moet er geld bij. En zingen in een lege zaal is niks voor mij. Ik weet zeker dat ik dan minimaal 30 procent minder zing. Dat komt omdat ik dan de adrenaline en de endorfine mis. Ik heb dat applaus gewoon nodig.’

Ben je bang dat het nooit meer terugkomt?

‘Nee, maar leuk is anders. Ook omdat het nog wel even kan duren, als ik de deskundigen mag geloven. Zo vertelde Ab Osterhaus, die viroloog, mij na afloop bij Op1, toen ik hem vroeg wanneer hij denkt dat ik weer zou kunnen optreden, dat we de komende twee jaar nog wel te maken hebben met die anderhalve meter. Maar dat betekent niet dat ik tot die tijd stilzit, hoor. Zo neem ik binnenkort onder meer een nummer op met Ben Cramer, mijn andere grote voorbeeld. Amigos Para Siempre heet dat nummer.’

Kortom, met of zonder columns: voorlopig blijf je nog wel even in beeld.

‘Dat sowieso. Ik schat in dat ik momenteel de op twee na Bekendste Nederlander ben. Op Rutte en Joling na. Dan vergeten ze je echt niet zomaar.’

Met dank aan die columns van je?

‘Dat heeft daar zeker aan bijgedragen. Voordat ik daarmee begon, zagen ze me veelal als die man van de sportschool. In ieder geval niet de man met wie je heel diepzinnig kon praten. Dat beeld is nu gekanteld. Door die column heb ik een andere kant van mezelf kunnen laten zien. Of andere kant... Degenen die me al jaren kennen, waren nauwelijks verbaasd. Die zeiden: “Dries, zo kennen we jou, zo ben je.” Alleen, dat wist de rest van Nederland nog niet.’

NIEUWE REVU ONTMOET DRIES ROELVINK

Waar? Op het terras van het Apollo Hotel in Amsterdam, aan de rand van De Pijp waar Roelvink vrijwel dagelijks zit. Met een wijntje? Uiteraard. ‘Die heb ik gewoon nodig,’ aldus Roelvink. ‘Een paar glazen per dag. En dat is niet alleen omdat ik het lekker vind. Ook omdat ik in vaste patronen denk. Mijn vrouw noemt me niet voor niets een autist.’

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws