googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_header'); });

‘De man kijkt diep in de bolle ogen van m’n keffer: “Nee, deze heeft geen boze geesten”’

Op pad voor tepelhoedjes en kolfzakjes raakt Jerry Hormone buiten de Kruidvat aan de praat met een man over zijn hondje.
googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_inarticle'); });
@media (max-width: 679px){#fig-60d58cfe75803 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-60d58cfe75803 img{#fig-60d58cfe75803 img.lazyloading{width: 480px;height: 480px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 1000px){#fig-60d58cfe75803 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-60d58cfe75803 img{#fig-60d58cfe75803 img.lazyloading{width: 740px;height: 740px;}}@media (min-width: 1001px){#fig-60d58cfe75803 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-60d58cfe75803 img{#fig-60d58cfe75803 img.lazyloading{width: 160px;height: 160px;}}

Mijn vriendin, onze meisjesbaby, de hond en ik deden boodschappen in het dichtstbijzijnde plaatsje met een winkelcentrum. Zo’n oer-Hollandsch autoloos straatje naoorlogse laagbouw met een Miss Etam, Specsavers, Primera, Livera en Zeeman. Bere-ongezellig, zeker op een druilerige middag in januari, maar we waren er ook niet om te ‘funshoppen’, nee, er moesten bij het Kruidvat broodnodige zuigelingparafernalia als tepelhoedjes en kolfzakjes worden aangeschaft.

Mijn vriendin met de baby in de draagzak naar binnen, ik buiten wachten met de hond, een guitig ogend chihuahua-misbakseltje. Een wat oudere man met halflang wit achterovergekamd haar en een joekel van een haviksneus blijft staan en wijst naar m’n hond. ‘Heeft hij het niet koud?’

‘Nee, hoor,’ zeg ik. ‘Hoezo?’

‘Nou, hij trilt zo.’

Chihuahua’s trillen om alles en niets. Uiteraard als ze het koud hebben, maar ook als ze nodig moeten poepen, hun brokjes lekker vinden, fijn mee mogen met de auto, hun eigen scheten ruiken of als ze even met het baasje buiten voor het Kruidvat moeten wachten op het vrouwtje die zoogkompressen kopen is.

‘Dat is het ras,’ zeg ik dus. ‘Wilt u hem even aaien?’

Dat wil de man wel. Ik til de hond op zodat de grijsaard niet door z’n ouwe knieën hoeft. Hij kroelt het dier over z’n koppie en zegt: ‘Ik heb ooit eens bij een hond de boze geesten uitgedreven.’

‘Oh?’ zeg ik.

‘Ja, ik was bij een boer en die had een Duitse herder en die bleef maar blaffen. En ik zag het meteen, hè? Die hond was bezeten door het kwaad.’ De ouwe baas zegt het heel matter-of-factly, alsof het de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld betreft. ‘Dus ik ging bij die hond zitten en begon te bidden. Zo doen we dat ook bij ons in de kerk als we bij mensen de boze geesten uitdrijven. En in die hond zaten er wel drie, hè! Drie boze geesten! Dat hoorde ik aan hoe hij steeds weer anders blafte. De een na de ander heb ik eruit gebeden en toen was dat beest eindelijk stil. Zegt die boer: “Ik heb ook nog een haan die maar niet stopt met kukelekuen.” Of ik daar ook niet even naar wilde kijken, ha!’

‘En?’ vraag ik.

‘Ja, ook bezeten, natuurlijk, maar dit was maar één boze geest, dus die had ik er zo uit.’

‘En mijn hond?’

De man kijkt even diep in de bolle ogen van m’n keffer en zegt dan: ‘Nee, deze heeft geen boze geesten.’

‘Gelukkig maar.’

‘Och,’ zegt de man en hij legt geruststellend een hand op mijn schouder. ‘Ik zou ze er zo voor je uit bidden.’

Op dat moment komt m’n vriendin het Kruidvat uit met op haar buik een hels krijsend kind. Boze geesten? Nee, een vieze luier. Ik groet de man en we haasten ons huiswaarts voor verschoning.

Laatste nieuws