Bas Hoeflaak over humor in tijden van woke

Al bijna 25 jaar heeft hij de lach aan zijn kont hangen met zijn absurde humor, onnavolgbare sketches, hilarische typetjes en fenomenale mimiek. Bas Hoeflaak (49) is één van de Sluipschutters en koestert de bijzondere chemie tussen het viertal: 'Soms zitten er scènes tussen waarbij iedereen van de stoel dondert van het lachen. Dan weten we al: die grap is goud.'

Bas Hoeflaak

Bas, je bent bekend van vele en zeer uiteenlopende rollen met als rode draad dat het om te lachen is. Wat was het moment dat je dacht: humor wordt mijn werk?

‘Eigenlijk al vrij vroeg. Op de basisschool had ik een leraar, Istvan Koning, die kon verschrikkelijk goed pianospelen. Die schreef nummers op bestaande melodieën of hij schreef eigen muziek. In de klas zongen we heel veel; op vrijdagmiddag hadden we helemaal geen les meer, gingen we gewoon lekker zingen. Met kerst zongen we dan voor bejaarde ouderen en je had natuurlijk de afscheidsvoorstelling die je moest spelen als je na de zesde klas van school af ging. Daar speelde ik stukjes en ontdekte ik dat ik het spelen echt te gek vond.’

Kreeg jij daar extra complimenten voor omdat je misschien toen al uitblonk?

‘Dat weet ik niet meer zozeer, maar ik voelde wel aan dat ik iets kon wat anderen blijkbaar minder makkelijk af ging. Op de middelbare school ben ik dat talent verder gaan ontwikkelen met toneelmeester Paul Rooyackers. Met hem maakten we ook kindermusicals; hij koos dan meestal een prijswinnend boek uit waarvan we met z’n allen een voorstelling gingen maken. Met een busje gingen we ook echt touren met die musical.’

Je schetst vooral de jeugdige stappen die je maakte in je groei naar acteur. Maar wanneer kwam nou voor het eerst die humor om de hoek kijken?

‘In die stukjes op school zat al heel veel humor. Als ik het speelde, zag ik hoe ik mensen aan het lachen kon krijgen. Ik wilde er na de middelbare school graag meer mee gaan doen en koos voor de Toneelschool. Maar dat was een vrij serieuze toestand, er was maar weinig ruimte voor humor in mijn spel. Ik werd daar onzeker van, het ging niet helemaal zoals het moest. Toen heb ik de overstap kunnen maken naar de kleinkunstacademie, waar ik meteen veel beter op mijn plek was.’

En waar je in de klas kwam bij Peter van de Witte, met wie je later het absurdistische duo Droog Brood zou gaan vormen.

‘Exact. Het klikte meteen tussen ons. Peter kwam uit Friesland, was een beetje boers en ik vond hem wel interessant met zijn lange grijze jas en zijn pet. Wat is dat voor een figuur? Die gedachte hadden we beiden over elkaar. Op de academie mocht je eenmaal in de zoveel tijd een etude maken, een voorstelling van een half uur. Dat gingen wij meteen met z’n tweeën doen, we vonden dezelfde dingen leuk. Humor was de rode draad. Dat leidde na de opleiding tot het oprichten van Droog Brood in 2000.’

Zestien jaar vol absurde scènes en geniale grappen later, stopten jullie in 2016. Waarom eigenlijk?

‘Voornamelijk omdat Peter geen zin meer had om op tournee te gaan. We hadden inmiddels beiden jonge kinderen en het gezinsleven valt nou eenmaal niet altijd even lekker te combineren met het theaterleven.’

Ben je daar zelf ook keihard tegenaan gelopen, getuige je scheiding in 2019?

‘Nee, dat had niks te maken met mijn werk. Onze relatie liep spaak doordat we te verschillend bleken. We ontdekten dat we toch niet samen oud wilden worden.’

Een stap naar het hier en nu: het succes met Sluipschutters is een belangrijk hoofdstuk in je huidige leven geworden.

‘Dat is zeker zo. Hoewel het theater veel meer van m’n tijd opslokt. Ik speel nu bijvoorbeeld de humoristische voorstelling Trapeze met Peter Blok. De oktobervoorstellingen zijn zo goed als voorbij, maar in mei 2023 gaan we verder touren. Het stuk wordt geregisseerd door Roel Bloemen en Kees Prins; laatstgenoemde zullen sommigen nog kennen van Jiskefet. De losse verhalen komen samen in de verhaallijn van onze trapeze in een circus. Peter is groot, ik ben klein en we hebben bijpassende showpakjes aan; het ziet er bij voorbaat al grappig uit. Maar we hadden het over tijd: dat het proces van wekenlang repeteren en het reizen voor een tournee heel veel tijd kost. Opnames voor Sluipschutters duren 23-23-24 draaidagen, maar dan staat er wel een heel seizoen op. Het meeste werk zit ‘m in het schrijfproces. Daar doen we wel een half jaar over.’

Neem ons eens mee in dat proces. Hoe gaat dat in z’n werk om al die zieke grappen van jullie te bedenken?

‘We schrijven eerst thuis. Ieder voor zich. Dus Jochen Otten, Ronald Goedemondt, Leo Alkemade en ik werken eerst individueel aan uitgeschreven grappen. Na zes maanden komen we bij elkaar met de regisseur. Dan gaan we voorlezen. Vaak valt de helft af. Soms zitten er scènes tussen waarbij iedereen van de stoel dondert van het lachen. Dan weten we al: die grap is goud. Vaak gebeurt het ook dat we elkaar kunnen aanvullen, helpen of sturen om een sketch of scène nog leuker of beter te maken. De finetuning ligt vooral vaak aan wat we ‘het eindje’ noemen, dus zeg maar de payoffvan de grap.’

Heeft één van jullie viertal de leiding?

‘Niet echt. Jochen en Ronald kwamen met het idee om een sketchesprogramma te gaan maken met heel korte scènes. De eersten aan wie ze dachten om erbij te vragen, waren Leo en ik. Toen zijn we bij elkaar gekomen en meteen gaan schrijven. Hoewel de oorsprong dus bij de eerste twee ligt, is er niet echt een leider nu. Iedereen heeft een beetje z’n eigen taak. We beslissen ook alles met z’n vieren.’

Wat maakt die chemie in dit groepje zo sterk?

‘Dat we zo verschillend zijn. En dat we door de jaren heen van elkaar hebben geleerd.’

Wat heb jij van de andere drie geleerd en wat hebben zij van jou geleerd?

‘Misschien kijken zij wat meer naar mijn spel. En ik heb veel geleerd op schrijfgebied.’

Waarom denk je dat zij wat hebben geleerd van jouw spel?

‘Omdat ik denk dat ik wat verder ben met acteren. Jochen bijvoorbeeld begon aan Sluipschutters terwijl hij volgens mij nog nooit had geacteerd. Ronald is echt een stand-upper, een cabaretman. Leo komt ook uit een iets andere hoek. We spelen samen, leren van elkaar en groeien samen. In het begin deden we alleen korte scènes, maar ook die worden soms iets langer. Zoals die sketch met de doodskist, ken je die nog? Nee? Dan spreekt de begrafenisonderneemster de uitdrukkelijke wens uit van de overledene om door zijn vier beste vrienden naar het graf te worden gedragen. Of die vier dan even naar voren willen komen? Ik sta dan gelijk op, maar alle anderen blijven zitten, want die beschouwen zichzelf niet als de beste vriend van de overledene. Dan moet ik dus in m’n eentje die kist naar het graf zien te krijgen, wat een enorm gesleep en getrek wordt: bijna een soort mime-scène. Er zit bijna geen tekst in, maar als langere scène werkte hij wel goed. Ook de editor vond ‘m dusdanig grappig, dat hij de scène zo lang mogelijk probeerde te maken. Dan ben je elkaar dus aan het versterken.’

Jullie, en vooral jij, vloeken nogal veel in de sketches. Overwegen jullie elke godverdomme en jezuschristus? Want daarmee sla je een gelovige groep mogelijke kijkers volledig over.

‘We overleggen dat soms. Het hangt van de scène af of vloeken en schelden functioneel is. Het moet grappig zijn, dat is altijd de overweging. Soms past een keiharde vloek beter dan een krachtterm. Maar soms vloeken we ook bewust niet, het is geen doel, maar altijd een middel. Sommige dingen doen we trouwens sowieso al niet meer, nu de samenleving zo woke is. We spelen bijvoorbeeld geen homoseksuele medemens meer, iets wat we eerst wel deden. Overigens geheel zonder kwade bijbedoelingen, maar gewoon omdat we het bedachte typetje dan geestig vonden. Het was nooit de opzet om mensen belachelijk te maken, het was altijd bedacht vanuit de humor, puur om de scène grappig neer te zetten.’

Humor moet toch vrij zijn en absurdistisch theater maken kan toch zonder oordelen of standpunten uit te dragen? Vind je het erg dat jullie geen gay types meer kunnen spelen door druk vanuit de samenleving?

‘Nee, dat is niet erg. Er blijft genoeg leuks over.’

Zijn er meer dingen die jullie niet meer spelen om dezelfde reden?

‘Ja, af en toe praten we daar kritisch over. We speelden bijvoorbeeld een Japanner met overdreven spleetoogjes, dat doen we niet meer. Ronald speelde een Indiër, die hebben we ook geskipt.’

Maar dan kun je toch bijna geen typetjes meer spelen? Als je een dikke man speelt, is het fat shaming en als jullie bedachte typetje een sigaret rookt, hangt verslavingsinstituut Trimbos of het KWF meteen aan de lijn?

‘Het is inderdaad de vraag waar dit allemaal heengaat, wat we nu beleven aan maatschappelijke bescherming. Is dit een tijdelijke modegril of waait het weer over? Dat laatste denk ik eigenlijk niet. Maar het is geen klacht van ons hoor, er blijft genoeg over om leuke sketches van te maken. Dat zul je wel zien in het nieuwe seizoen Sluipschutters dat we gaan opnemen en in 2023 te zien zal zijn. Er komt trouwens begin november een boek over ons op de markt, dat wil ik wel graag even zeggen. Het is een bladerboek over vijf seizoenen Sluipschutters voor liefhebbers. Er staan foto’s in, verhalen over scènes waar een QR-code bij zit zodat men meteen kan zien waar het over gaat, uitgeschreven dialogen, liedteksten, onze favoriete sketches en interviews met ons door Ronald Giphart.’

Er bestaat op Youtube een Bas Hoef-laak-compilatie met hoogtepunten uit jouw Sluipschutters-carrière waar ook de ziekenhuisgrap in zit. Hoe kwam die tot stand?

‘Het is een scène uit het eerste seizoen. Ik speel een arts die de familie vertelt dat ik hen even alleen laat, zodat ze in alle rust afscheid kunnen nemen van de zojuist overledene. Alleen bij het wegstappen struikel ik over een van de slangetjes die nog aan de patiënt vastzitten en daarmee flikker ik alles omver wat aan medische hulpmiddelen naast het bed staat. Eén grote puinhoop en vooral enorm veel kabaal, terwijl ik rust opteerde. De rouwende familie kijkt elkaar verdrietig en vragend aan terwijl de klunzige arts al strompelend vertrekt. Toevallig heb ik die grap verzonnen toen ik een ander programma aan het kijken was, waar iets gebeurde, maar in mijn hoofd dus iets heel anders ontstond wat er zou kùnnen gebeuren. Met name Leo heeft nog weleens moeite om zijn lachen in te houden, en dat is vaak geen probleem, dan doen we het even opnieuw. Maar juist bij deze scène had regisseur Albert Jan van Rees gezegd dat het belangrijk was dat het er in één keer goed op stond, omdat het een godgansgrote klus zou zijn om alles weer op te bouwen wat ik omver had gestruikeld. De regisseur werd echt streng en deed een extra groot beroep op onze concentratie, focus en professionaliteit. Het werd een one-taker, dus hij lukte in één keer. Maar het grappige is: ik heb die scène zelf al een keer of tien teruggezien en dan zie je steeds iets nieuws. Bijvoorbeeld: de arm van het lijk wordt meegetrokken omdat ik over een slang struikel. Je ziet dat Leo opeens heel goed zijn lach kan inhouden, hij zat er helemaal in. Dus wat doet hij? Hij gaat een beetje rondkijken, onder meer naar Ronald. Die trok het veel minder goed, dus je ziet hem zijn ogen sluiten als Leo hem aankijkt. Om maar niet te hoeven lachen. Godzijdank houdt iedereen zijn gezicht in de plooi daar.’

Toch gaat het ook geregeld mis. Die behind-the-scenes met giechelende acteurs zijn minstens even leuk als de uiteindelijk geslaagde opnames. Hoe vaak gebeurt zoiets?

‘De slappe lach? Daar is de regisseur heel streng in. Zo van: jongens, kóm op. Dat vinden wij dan weleens irritant, want wij willen ook gewoon lachen. Het is namelijk ook nog steeds gewoon heel leuk wat we doen, vinden we zelf. Je moet ook een beetje in een soort sfeertje komen, een soort modus om het goed te kunnen spelen. Niet lacherig, maar wel melig, of zo. Dat je in je humor zit. Maar wat was de vraag?’

Of het vaak gebeurt, die slappe lach op de set.

‘Laatst hebben we een scène opgenomen dat ik binnenkom bij Leo, in zijn woning. Zijn moeder is er ook en ik geef haar een hand. Leo vraagt dan waarom ik zijn moeder alleen een hand geef en geen zoen; ik kon zijn moeder toch wel even een zoen geven? Dat is ook in het echt gebeurd trouwens, dus daar hebben we een scène van gemaakt. Vervolgens ga ik tongen met zijn moeder, maar op het moment dat wij gaan zoenen, schiet Leo in de lach. Dat tongzoenen op zich is al een beetje gênant en niet per se iets dat je twintig keer over wil doen… Hetzelfde had ik met een boksscène met Jochen. In plaats van te boksen, gingen we kusjes geven. We schoten wel tien keer in de lach. Dan is het heel lastig draaien en dan moet de regisseur ingrijpen. Ook was er een keer een dialoog in een boot tussen twee kakkers, Ronald en Leo. Een heel korte dialoog, maar ze schoten élke keer in de lach, wel veertig keer bij wijze van spreken. Ja, dan wordt het vervelend.’

Hebben jullie weleens ruzie op de set? Dat de vier vrienden echt boos op elkaar worden?

‘Nee, nooit. Er is weleens een misverstand of verschil van inzicht. Dat een set is opgebouwd en je vlak voor het spelen denkt van: dit of dat zou er toch heel anders uitzien? De situatie leent zich daar dan op dat moment niet voor, ondanks dat we het wel zo in het script hebben gezet, en dan moet je schakelen. Dat is geen ruzie, maar meer een inhoudelijke discussie omdat je graag iets zo leuk mogelijk wilt opnemen. Onderling hebben we nooit strijd, maar als team willen we ons product wel graag zo goed mogelijk maken.’

Interview
  • Andries Jelle de Jong