Outlaw country: liefdesbrief aan de rauwste countrymuziek ooit gemaakt

Een van de gewijde plekken van outlaw country – het domein van muzikanten met stukgeragde gitaren, kapotte levers, gebroken ribben en mislukte huwelijken – ligt dertig kilometer buiten Fredericksburg. Dat wil zeggen diep in het hart van Texas, niet te ver van San Antonio en Austin. Die plek heet Luckenbach. Het officiële aantal inwoners is drie. En zelfs dat klinkt overdreven als je er rondloopt tussen gebouwen die vooral bedoeld lijken als setting voor een western.

Luckenbach

Een klein stukje geschiedenis. Luckenbach werd in de 19de eeuw opgezet, vernoemd naar een Duitse immigrant. Het floreerde een tijdje als handelspost. Maar, zoals gebruikelijk in Amerika, de plek liep leeg toen er zich elders mogelijkheden voordeden. In 1970 – er was toen nog maar een tiental inwoners over – stond het te koop. Een acteur en een muziekfanate rancher sloegen de handen ineen, schreven een cheque van 30.000 dollar uit, en mochten zich de trotse eigenaren van Luckenbach noemen. Hun idee was om het om te toveren tot een zetel van country & western. Ze gebruikten het oude postkantoor, de saloon en de dance hall als attributen om het geheel een authentiek western gevoel te geven, en slaagden met vlag en wimpel. Luckenbach is legendarisch. In de jaren negentig organiseerde Willie Nelson hier een reeks van zijn beroemde 4th of July Picnics, evenementen waarbij hippies en rednecks gezamenlijk de two-step deden. Beroemdheden als Joe Ely, Emmylou Harris en Willie’s outlaw buddy Waylon Jennings maakten hier hun opwachting. Nog steeds vinden er festivals en optredens plaats, ‘s middags gratis, ‘s avonds betaald.

En dan is er de beroemde compositie Luckenbach, Texas (Back To The Basics Of Love), waarmee Waylon Jennings in 1977 goede sier maakte: een eerste plaats in de Hot Country Songs en een 25ste in de Billboard Top 200. De tekst gaat over een Amerikaans high society-stel dat geen tijd meer voor elkaar heeft. Er moet verdiend worden, vier garages is niet genoeg. Omdat het ze allemaal te veel wordt, gaan ze naar Luckenbach, Texas, waar ‘Waylon Willie and the boys’ rondhangen en iedereen het naar verluidt uitstekend naar zijn zin heeft. Out in Luckenbach, Texas, ain’t nobody feeling no pain, zingt Waylon met zijn galmende stem, in het laatste refrein bijgestaan door een snijdend klinkende Willie. Rolling Stone noemde het ‘Outlaw country’s belangrijkste moment van mythevorming, dat garandeerde dat Waylon Willie and the boys onderdeel werden van het mainstream lexicon, een metafoor voor de simpele manier van leven, waar countrymuziek altijd naar hunkert.’ Waylon, die Luckenbach niet zelf had geschreven en het plaatsje pas vele jaren later voor het eerst bezocht, had overigens de pest aan de meedeiner en mopperde dat hij ‘die motherfucker’ nu bij ieder optreden moet zingen.

Zelfs de stuurse ex-Pink Floyd-bassist Roger Waters liet weten dat hij John Prine, outlaw in hart en nieren, veel interessanter vond dan Radiohead

Op een zwoele woensdagavond is het goed toeven in Luckenbach. In de omringende velden, waar Willie zijn picknicks hield, staat de Texas bluebonnet in bloei. ‘Everybody’s somebody in Luckenbach’, luidt het motto dat op bordjes en T-shirts in de souvenirwinkel te lezen is. In de Biergarten speelt een trio dat zich Three Old Guys noemt voor een gehoor van een man of dertig, veelal gehuld in cowboykledij, genoeglijk wijn en bier drinkend. De muzikanten zijn grijs, hebben imposante buiken en lijken zelf ook al de nodige alcohol te hebben geconsumeerd. Maar dat doet niets af aan hun muzikaliteit. Met veel overtuiging zingen ze afwisselend eigen composities en slightly obscure oldies zoals Let’s Talk Dirty In Hawaiian van de legendarische John Prine, een outlaw in hart en nieren. Prine, die drie jaar geleden overleed aan de gevolgen van covid, was een gekwelde man die stevig kon drinken en gezegend was met een briljant taalgevoel. Hij schreef droevige en humoristische liedjes met een rake, vaak bittere ondertoon. De valkuilen van de liefde (hij was drie keer getrouwd) vatte hij als volgt samen: ‘I guess that love/ Is like a Christmas card/ You decorate a tree/ You throw it in the yard/ It decays and dies/ And the snowmen melt.’ Dylan noemde zijn werk ‘puur Proustiaans existentialisme’, anderen vergeleken hem met de beroemde chroniqueur van het Amerikaanse leven, Mark Twain. Zelfs de stuurse ex-Pink Floyd-bassist Roger Waters liet weten dat hij Prine veel interessanter vond dan Radiohead. Hij noemde hem een van de vijf belangrijkste songwriters aller tijden. Prine’s favoriete cocktail was wodka met ginger ale, die hij ‘The Handsome Johnny’ noemde en vol overgave bezong in When I Get To Heaven, de laatste track op zijn laatste album. Een waardig afscheid.

Welkom in Luckenbach, Texas.

John Prine speelde tijdens Willie’s ‘picnic festival’ van 1973, dat toen nog Dripping Springs Reunion heette. ‘Ik was 27, en het was fantastisch. De herinneringen aan Woodstock lagen nog vers in het geheugen, en dit was de eerste show met hippies en rednecks, die samen bier dronken en het prima met elkaar konden vinden. ‘En dat hadden we allemaal te danken aan Willie,’ vertelde hij jaren later. Het was het moment waarop het outlaw-concept contouren kreeg: hippies en cowboys, hasjwalmen en bier, oerconservatieve muziek die minder conservatief bleek dan we dachten.

Benieuwd naar de rest van het artikel? Je leest 't in de nieuwste Revu.

Showbizz
  • Fred de Vries, Larry Philpot