James Worthy: 'Ze keek naar haar paard zoals ze naar mij had moeten kijken'

‘Ik wil deze relatie niet met een leugen beginnen, dus zeg ik maar gelijk dat ik paarden haat'
@media (max-width: 679px){#fig-65e40204004fb img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e40204004fb img{#fig-65e40204004fb img.lazyloading{width: 480px;height: 480px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 1000px){#fig-65e40204004fb img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e40204004fb img{#fig-65e40204004fb img.lazyloading{width: 740px;height: 740px;}}@media (min-width: 1001px){#fig-65e40204004fb img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e40204004fb img{#fig-65e40204004fb img.lazyloading{width: 160px;height: 160px;}}

‘Mijn paard gaat dood,’ zegt een vrouwenstem. Ik kijk naar het scherm van mijn telefoon en zie een onbekend nummer staan.

‘Het spijt me van uw paard, maar volgens mij bent u verkeerd verbonden. Ik ken niemand die een paard heeft,’ zeg ik.

‘Je kent mij. Ik ben het, James.’

Opeens zie ik haar weer voor me. Zo’n twintig jaar geleden was ik stapelgek op haar. Zij woonde in Almere en ik woonde in Amsterdam. Veelal spraken we ergens in het midden af. Weesp lag volgens mij precies in het midden. ‘Wat heeft je paard dan?’

‘Niets. Ze is gewoon oud. Ze kan niet meer. De dood heeft de teugels stevig in handen.’

De eerste keer dat ik haar zag, liet ze me een foto van haar paard zien. ‘Dit is mijn paard,’ zei ze.

‘Ik wil deze relatie niet met een leugen beginnen, dus zeg ik maar gelijk dat ik paarden haat. Nee, ik haat ze niet. Wat ik eigenlijk bedoel is dat ik paarden niet begrijp. Haat is in feite bijna altijd onbegrip op plateauzolen. Ik begrijp ze niet. Ze zijn zo sierlijk, maar ook zo lomp. En waarom mag je niet achter een paard staan? Waarom zijn die dieren zo achterdochtig? Hebben alle paarden schulden?’ Haar antwoord bestond uit een lange zucht.

De volgende dag reden we naar haar paard toe. Het dier stond ergens in een weiland nabij Zeewolde. Een plek waar geen bloemen, maar windmolens uit de grond groeien. ‘Dat is mijn paard,’ zei ze wijzend naar een bruin dier met witte vlekken. Ze keek naar haar paard zoals ze naar mij had moeten kijken. De blik die ze haar paard gaf, heb ik nooit mogen ontvangen.

‘Ziet er goed uit hoor,’ mompelde ik, alsof ik de beste paardenfokker van Flevoland was.

Twee weken later zat ik achter mijn vriendin op het paard. We reden over fietspaden en over olifantenpaadjes. Boeren die op hun erf stonden, lachten me uit en schreeuwden allerhande seksistische zinnen naar mijn hoofd.

‘Wat is dit voor omgekeerde westernfilm? De vrouw moet achterop zitten,’ blèrde een man in een rode overall. Al gauw steeg ik af. Meer uit liefde voor het paard dan voor de goedkeuring van de fulminerende agrariërs.

‘Wil je afscheid van haar komen nemen? Dat zou ze leuk vinden. En ik ook,’ zegt ze.

‘Maar natuurlijk. Moet ik nog iets meenemen? Wat neemt een mens mee naar het afscheid van een paard? Sappige wortels?’

‘Ja, dat is het enige wat ze nog eet. Wortels zijn goed voor je ogen, toch? Dat is wel mooi. De rest van haar lichaam houdt ermee op, maar haar ogen doen het nog. Om afscheid te kunnen nemen, heb je genoeg aan de ogen.’

‘Dan zal ik mijn ogen ook meenemen,’ zeg ik.

Laatste nieuws