Onterecht vergeten spelers

Deze week verschijnt de bijbel van vergeten voetballers, Buiten de Lijnen.
Uniek beeld: een succesvolle tackle van O’Brien, tijdens zijn nadagen in de Verenigde Staten.

In deze voorpublicatie een Ierse charmeur die het bijna tot Time Person of the Century schopte en een zwarte voetballer die het waagde een blanke gravin te schaken.

RONNIE O’BRIEN (5-1-1979) Net iets belangrijker dan Einstein

1999 is het jaar van de lijstjes, van de verkiezingen die nergens toe dienen, maar voor een momentje van af leiding zorgen in het licht van de naderende millenniumbug-catastrofe.

Beste Politicus. Grootste Ramp. Blootste Naaktmodel. Lekkerste Hamburger.

En natuurlijk komt Time, het Amerikaanse tijdschrift dat ieder jaar een Person of the Year uitroept, in 1999 met een Person of the Century.

Het blad heeft al een shortlist samengesteld. Daarop staan geheide toppers als Kennedy, Churchill en Moeder Teresa. Maar via de website kunnen lezers ook zelf met suggesties op de proppen komen. Een paar weken na de opening is de tussenstand als volgt: op 3. Albert Einstein, op 2. Martin Luther King en op 1. Ronnie O’Brien. Ronnie O’Brien is een charmeur. Het soort man dat zo vaak zo gul lacht dat je vermoedt dat hij iets te verbergen heeft. Je hebt van die mensen, bij wie alles wat ze doen oogt als een opeenvolging van af leidingsmanoeuvres. Een talentvol voetballer, dat wel, maar niet direct Person of the Century-materiaal. Hij is Europees kampioen geworden met het Ierse jeugdteam, maar de sterren van dat elftal zijn Robbie Keane en Damien Duff. Tussen andere talenten valt Ronnie O’Brien niet zo erg op. Als hij twintig is, wordt zijn contract bij Middlesbrough niet verlengd.

Een paar weken later vliegt hij naar Turijn, schudt de hand van de grote Roberto Bettega en tekent een vijfjarig contract bij Juventus.

Trainen met Zidane

In Middlesbrough weten ze niet wat ze horen. Ronnie O’Brien bij Juventus, dat klinkt als Nigel Winterburn als prima ballerina: ietwat onwaarschijnlijk. Als Middlesbrough-manager Bryan Robson wordt gevraagd wat hij eigenlijk denkt van de transfer, antwoordt hij: ‘Ik wens hem het allerbeste, maar no way dat hij goed genoeg is.’ De overstap van een huis-tuin-en-keukenvoetballer van niks naar Juventus is er eentje voor in het Pantheon der Uitzonderlijke Zaakwaarnemerprestaties. Ronnie wist dat Steve Kutner (manager van Middlesbrough-ploeg-genoot Paul Merson) goeie connecties in Italië had, maar dat ze zo goed waren, had hij niet durven dromen. En terwijl Ronnie die laatste zomer van de 20ste eeuw met Zinédine Zidane en Alessandro Del Piero op het trainingsveld staat (voor het jeugdteam is hij te oud, en een reserveteam bezit Juve niet), wordt op de website van Juventus een poll georganiseerd. De vraag luidt: Wie is de nieuweling naar wie jullie het meest uitkijken?

Ronnie O’Brien, de Ier die niemand kent, staat vanaf het begin met 0 procent onderaan. Geen Juventus-fan die zich het meest op hem verheugt.

Tot ene Eoin, een anonieme Ierse kantoorklerk en voetbalfanaat, op de Juve-site belandt. Hij stemt op Ronnie en stuurt de poll door aan vrienden en collega’s om hetzelfde te doen.

Noodgreep

Een week later wordt Ronnie O’Brien uitgeroepen tot de meest veelbelovende nieuweling (volgens de Juventus-supporters). Eoin heeft de smaak te pakken en niet veel later wordt Ronnie, nog voor zijn debuut in het eerste elftal, uitgeroepen tot Beste Speler uit de geschiedenis van de club, ruim voor Platini, Ferrara en Zidane.

Het gaat met Ronnie op internet beter dan op het veld. In drie jaar tijd zal hij alleen in een onbeduidende Intertoto-wedstrijd het Juventusshirt dragen en de rest van zijn contractseizoenen wordt hij verhuurd aan Lugano, Crotone, Lecco en Dundee United. En nergens maakt hij iets wat op een onuitwisbare indruk lijkt.

Een Ierse krant omschrijft zijn leven tot dat moment als volgt: ‘A true fairytale, or it would be if he could get into the Juventus team, which he can’t.

Wanneer zijn contract in 2002 wordt ontbonden, vertrekt Ronnie O’Brien naar Amerika, het land waar hij drie jaar eerder op een haar na was uitgeroepen tot Person of the Century, tot de Time-site crashte omdat er te veel Ieren op rondhingen en de 57.000 stemmen van Ronnie O’Brien rücksichtslos werden geschrapt. Aan de voorwaarden van de verkiezing was opens een zinnetje toegevoegd: ‘Whimsical candidates and others who were not alive during this century, or do not fall within the spirit of the title, will not be counted.

Het was uitsluitend te danken aan die organisatorische noodgreep dat Albert Einstein er met de zege vandoor ging, net voor Roosevelt en Gandhi.

Ronnie O’Brien groeit in het tweede deel van zijn loopbaan uit tot een van de betere spelers van de Amerikaanse profcompetitie. Tussen 2002 en 2008 speelt hij 140 wedstrijden en geeft talloze assists. Daarna vestigt hij zich met zijn vrouw Vicki in Texas en wordt jeugdtrainer.

Vicki en Ronnie krijgen een zoon, die ze Zinedean noemen.

JOSÉ GERMANO DE SALES (25-3-1942) Het gedoemde sprookje van de gravin en de goddelijke kanarie

Als José Germano de Sales op 4 oktober 1997 sterft aan een hartaanval, thuis, op zijn boerderij in Conselheiro Peña, is dat geen groot nieuws, alhoewel het hier een oud-international betreft van het gouden Brazilië van Pelé en oud-speler van AC Milan. Toch heeft José Germano niet de carrière gehad die hij had kunnen hebben, die hem op basis van zijn talent misschien wel toekwam. Overal waar hij was, was hij maar half, of te kort. Uiteindelijk was het de liefde die de sport fataal werd. De liefde, en iets wat je moeilijk anders kunt omschrijven dan slordig verbloemd racisme.

Toen José Germano in 1962 als 20-jarige van Brazilië naar Italië kwam, was hij een van de grootste talenten van het Braziliaanse voetbal. Hij had er al een paar seizoenen op zitten voor Flamengo, met veel wedstrijden, goals en memorabele acties. Hij had zelfs al drie interlands gespeeld – hij op links, Garrincha op rechts – al ging een selectie voor het WK die zomer (dat Brazilië won) op het laatste moment aan zijn neus voorbij. Maar voor José leek alles nog echt te moeten beginnen: hij had een contract getekend bij AC Milan, regerend Italiaans landskampioen, ploeg van trainer Nereo Rocco, van Cesare Maldini, Trapattoni, Gianni Rivera, en van de Brazilianen Sani en Altafini. Die laatste had hem aanbevolen bij de clubleiding.

Was het eigenlijk wel eerlijk dat zwarte spelers meevoetbalden in een competitie die toch oorspronkelijk voor witte voetballers was bedoeld?

Zijn debuut maakte José in de Europacupwedstrijd tegen de dwergen van Union Luxembourg. Milan won ruim en José scoorde twee keer. Ook in zijn competitiedebuut (3-3 tegen Venezia) scoorde Germano. Tot zover geen klachten.

Er was echter een probleem. José Germano de Sales was zwart, net als zijn landgenoot Jair, Inters nieuwste aanwinst. En terwijl zij in hun eerste wedstrijden indruk maakten met hun attractieve spel, ontspon zich in de Italiaanse kranten een debat. De centrale vraag: was het eigenlijk wel eerlijk dat zwarte spelers meevoetbalden in een competitie die toch oorspronkelijk voor witte voetballers was bedoeld? José kreeg van die discussie maar weinig mee. Hij sprak geen Italiaans en had sowieso nauwelijks contact met zijn niet-Braziliaanse ploeggenoten. Bovendien was hij verliefd.

Op een exclusieve manege direct naast de trainingsvelden van Milan kwam geregeld een meisje paardrijden. Zodra José haar zag, was hij verkocht. Dat meisje was de minderjarige dochter van graaf Domenico Agusta en gravin Claretta Artia. Vooraanstaande burgers van Milaan en eigenaars van de MV Agusta, een reusachtig bedrijf, gespecialiseerd in de productie van motorfietsen en helikopters. Het meisje werd ‘La Contessina’ genoemd. Het gravinnetje.

Haar echte naam was Giovanna.

Er gingen slechts enkele weken overheen voordat Giovanna Agusta en José Germano de Sales elkaar bijna dagelijks zagen. Hun verkering was van het soort waarover de praatjes zich, begeleid door een zacht gegiechel, in een stad verspreiden als vuur door droog kreupelhout. De zwarte en de gravin werden onderwerp van gesprek in iedere bar in Milaan. De toon waarop over hen werd gesproken liep uiteen van milde verbazing tot onverholen af keer. Niet alleen waren de voetballer en de dochter-van niet getrouwd, ze verschilden ook nog eens van kleur.

Gebroken kaak

En toen gebeurde er iets vreemds. Na vijf wedstrijden (en drie doelpunten) moest José Germano de Sales plots bij het Milan-bestuur komen. Daar kreeg hij te horen dat hij zou worden verhuurd aan Genua, de club uit de gelijknamige havenstad, een paar honderd kilometer ten westen van Milaan, een paar honderd kilometer bij Giovanna vandaan.

‘Waarom?’ vroeg José. ‘Waarom toch?’ Er kwam geen antwoord. Later zou hij begrijpen dat Domenico Agusta, de invloedrijke industrieel, geen vragen stelt maar eisen, en zichzelf en zijn familie op deze omslachtige manier had trachten te bevrijden van een situatie die vermoedelijk als een schande werd ervaren.

In Genua speelde José in het begin nog veel, maar na een auto-ongeluk (waarbij hij zijn kaak brak) verdween hij uit de ploeg. In twee jaar tijd speelde hij met moeite twaalf wedstrijden, waarin hij twee doelpunten maakte.

Na die twee jaar keerde hij terug naar Brazilië, in de hoop zijn loopbaan bij Palmeiras nieuw leven in te blazen. Ook dat duurde niet lang: hij was nog altijd verliefd op Giovanna. En Giovanna op hem. José keerde terug naar Europa, tekende een contract bij Standard Luik en liet Giovanna naar België komen. Ze namen hun intrek in een klein pension en begonnen er in het grootste geheim aan de voorbereidingen van een huwelijk. Ze prikten zelfs een datum: 17 maart 1967.

Hoorzitting

Dan, aan de vooravond van hun geheime bruiloft, staat er een gerechtsdeurwaarder voor hun neus. Hij overhandigt José en Giovanna een bericht waarin te lezen staat dat Domenico Agusta officieel bezwaar aantekent tegen het voorgenomen huwelijk. De verloofden wordt verzocht te verschijnen op een hoorzitting.

De situatie is inmiddels uitgegroeid tot het soort publieke knokpartij dat zuurstof is voor een bepaald slag kranten en tijdschriften. Iedere nieuwe ontwikkeling in de Agusta-zaak wordt breed uitgemeten, alsof het een politieke doorbraak betreft. Juristen van allerlei pluimage wordt gevraagd naar hun oordeel over de naderende rechtszaak. Op het omslag van een Brits schandaalblaadje staat: ‘Untold story of countess who risks fortune to wed negro.’

De zaak loopt af op een manier die soapschrijvers overal ter wereld nog decennia inspiratie zal schenken. Tijdens de eerste hoorzitting neemt Giovanna het woord. Ze kijkt de zaal in en zegt alleen: ‘Ik ben in verwachting.’

Na het horen van dit nieuws besluit de aanstaande grootvader de zaak te laten vallen en op 17 juni 1967 trouwen José Germano de Sales en Giovanna Agusta alsnog, in een kerkje in Angleur, aan de rand van Luik. De volgende dag vertrekken ze op huwelijksreis. Naar Brazilië natuurlijk. Een halfjaar later wordt dochter Lulu geboren.

Het huwelijk, dat onder zulk slecht gesternte was gesloten, hield geen stand. Na drie jaar keerde José Germano – inmiddels geen voetballer meer – terug naar Brazilië. Hij kocht een boerderij in zijn geboortedorp en hertrouwde al snel. Geruchten dat José de boerderij bekostigde van een som geld die hij van zijn exschoonvader had gekregen op voorwaarde dat hij zich zo geruisloos mogelijk zou terugtrekken, zijn nooit bevestigd. Rond het voetbal zou hij zich in elk geval niet meer laten zien.

Giovanna Agusta vestigde zich na het stranden van haar huwelijk in Los Angeles. Veel verder weg van haar bemoeizieke familie was niet mogelijk. 

window._taboola = window._taboola || []; _taboola.push({ mode: 'alternating-thumbnails-a', container: 'taboola-below-article-5df2fa1606d46', placement: 'Below Article Thumbnails 2', target_type: 'mix' });