De man die een camping op stelten zette

In het beklaagdenbankje uw wekelijkse portie winkeldiefstal, huiselijk geweld en openbare dronkenschap. Deze week meneer S. die verdacht wordt van het inbreken in een stacaravan.
Illustratie camping

Het is wachten op de 30-jarige meneer S., die onder politiebegeleiding vanuit de cellen onder de rechtbank naar boven moet komen. Meneer S. staat samen met meneer J. terecht, maar de laatste is helaas niet verschenen, dus zal S. het in zijn eentje moeten doen vandaag.

Dan komt meneer S. naar boven. Een lange man met een spits gezicht, en een blik in zijn ogen die het midden houdt tussen boosheid en desinteresse. S. wordt ervan verdacht dat hij, samen met zijn vriend J., een inbraak heeft gepleegd in een stacaravan op een klein campinkje, waarbij er in totaal iets van 100 euro schade zou zijn. Na een melding waarin gesproken wordt van een zwarte auto, werden de twee mannen niet ver van het terrein aangetroffen – in een zwarte Mercedes. Als de rechter meneer S. ter verificatie om zijn adres vraagt, haalt S. zijn schouders op, en zegt hij dat hij dat niet uit zijn hoofd kent. Dat begint al goed.

‘Goed,’ begint de rechter dan toch maar aan de zitting. ‘U was daar dus, op die camping?’

Getergd begint S. meteen zijn hoofd te schudden.

‘Nee, nee, nee. Kijk, er zit dus een hek tussen die weg en dat campinkje. Ik was gewoon op gemeenteterrein, en ik moest piesen, daarom stond ik in de bosjes. We wilden daar inderdaad wel gaan kijken. Eerst waren we naar een bunker in Arendonk geweest, we wilden, net als een Youtuber die ik elke dag volg, daar gewoon eens gaan kijken.’

Ladder en bladblazer

Heel even trekt de rechter een wenkbrauw op, maar ze herpakt zich snel en pareert dat er in het rapport stond dat er twee vreemde mannen aangetroffen werden met een ladder en een bladblazer. En dat ze, toen de twee mannen aangesproken werden, vertelden dat ze hier gewerkt hadden, maar dat ze daarna wel in alle haast naar het hek renden en eroverheen klommen, de vrijheid tegemoet.

Weer schudt S. geërgerd zijn hoofd. Het is allemaal niet wat de rechter denkt dat het is, legt hij uit, en begint dan te vertellen dat hij wel denkt te weten wie die melding gedaan heeft: een andere vriend van hem die ooit op die camping woonde in een caravan en zichzelf erg belangrijk vindt. Die heeft voor allerlei gedoe gezorgd. ‘Ik zeg net dat ik stond te pissen. En diegene die ons verdenkt, die vindt zichzelf heel belangrijk en belt voor alles de politie. Toen die arriveerde, werd ik bij mijn aanhouding in de brandnetels geduwd. Dat was ook geen pretje, hoor! En al die spullen dan? Als wij die gestolen zouden hebben, waar zijn al die spullen dan?’

De rechter neemt een slokje water, en kijkt de beklaagde eens aan. ‘Op 20 juni zijn de spullen op het park aangetroffen, in een onbewoonde caravan. Die zouden daar mogelijk opgehokt zijn.’

‘Ja, maar,’ gaat S. steeds een beetje wilder in de tegenaanval, ‘en J. dan? Die heeft gewoon een hele goede functie op zijn werk! Want hij heeft niet alleen die Mercedes, maar ook een Audi! Waarom zou die dingen gaan stelen, als hij zo’n goede functie heeft?’

Nu wordt alle verdenking meneer S. toch echt te veel. Hij werpt zijn armen in de lucht en zucht hard en diep.

‘Ik ben sprakeloos! En bovendien: ik heb helemaal geen advocaat! Waar is die?’

‘Is er helemaal geen advocaat gemeld? Wilt u bijstand van een advocaat?’

Als een rat in de val

Deze vraag is de druppel voor meneer S. Hij schudt fel zijn hoofd en gaat voorover zitten. ‘Er komen nu ineens allemaal dingen bij waarvan ik denk: waar gaat dit heen? Ik word beklemd! Waar kan ik heen? Ik zit als een rat in de val!’

Hij ratelt maar door en valt ineens ook het OM en de rechtbank aan, over een hele andere zaak waar hij het ook al niet mee eens was.

‘Meneer,’ sputtert de rechter tegen, ‘ik weet niets over die zaak, en daar zitten we nu hier ook helemaal niet voor.’

Bij mijn aan houding werd ik in de brandnetels geduwd. Dat was ook geen pretje, hoor!

Maar voor S. is het geen geldig argument, zo lijkt het: ‘Deze rechtbank heeft sowieso áltijd zijn zaakjes niet op orde, want vórige keer...’

‘Meneer, S.,’ valt de rechter hem in de rede, ‘meneer S., oké, oké, rustig maar.’

Als S. een klein beetje bedaard is, vraagt de rechter aan de officier of ze de zaak kunnen aanhouden, zodat S. alsnog een advocaat kan regelen. De officier knikt, en zegt niet veel anders te kunnen dan hem zijn bijstand te gunnen. ‘Dat ligt ook wel echt bij meneer S. zelf, hij zal dat zelf moeten regelen, maar ik heb niet het idee dat meneer S. luistert naar wat ik zeg.’ Dat is tegen het zere been. ‘Ik luister wel!’ roept hij boos. ‘En ik heb ook al een advocaat op het oog die een stuk beter is in dit soort dingen!’

‘Oké,’ accordeert de rechter. De zaak van S. wordt aangehouden, omdat hem zo’n groot onrecht aangedaan wordt, en hij geen advocaat heeft.

Zodra S. op de terugweg naar de gevangenis is, wordt wél de zaak van meneer J., de man met de twee auto’s, behandeld. Wat blijkt: niet alleen zijn er beelden waarop J. in een camouf lagejas een van de beveiligingscamera’s onschadelijk maakt, ook zijn de jas, de camera en een hoop extra inbraakspullen in de zwarte Mercedes aangetroffen. Tevens zijn J. en S. door meerdere mensen herkend, terwijl ze op het terrein rondliepen. Voor de rechter lijkt het een redelijk uitgemaakte zaak te zijn: J. krijgt alvast negentig uur taakstraf en moet een schadevergoeding van 100 euro betalen.

Het is niet uit te sluiten dat S., ondanks alle ellende, als zijn zaak alsnog voorkomt, een vergelijkbare straf opgelegd zal krijgen. 

Laatste nieuws