Premium

De windmolen uit de hel en andere gladiatoren

Het boksen was van oudsher de enige vechtsport in ons land, tot Nederlandse vechters naar het buitenland gingen om daar nieuwe technieken op te doen en te perfectioneren. Een genadeloze afstraffing in de jaren 70 in Thailand zou een keerpunt blijken.
Bokswedstrijd

‘We kregen het pak slaag van ons leven, we wisten niet wat ons overkwam. Ik ben gebleven om het muay Thai onder de knie te krijgen.’

Het Dutch kickboxing, zoals de Nederlandse kickboksstijl genoemd wordt, is mondiaal de kwaliteitsnorm geworden voor het beoefenen van de staande vechtsporten. Mannen als Peter AertsSem Schilt of Ernesto Hoost brachten miljoenen mensen in vervoering met hun kickbokstalent, vandaag de dag zitten er miljoenen mensen voor de buis gekluisterd om naar Rico vs Badr te kijken.

Dat is echter lang niet altijd zo geweest. Hoewel Nederlandse kickboksers al decennialang de absolute wereldtop zijn, was de sport in ons land tot voor kort niet erg populair onder het grote publiek. Daar is de laatste jaren echter een wonderbaarlijke en zeer opvallende verandering in gekomen. Met name door het succes van de Nederlandse kickboksers in het K-1-toernooi in Japan, tussen 1993 en 2010, is het kickboksen eindelijk ook in Nederland mainstream geworden.

Brute knock-outs

De K-1 World Grand Prix (K-1 staat voor karate, kung-Fu en kickboksen) was bijna twee decennia het grootste platform ter wereld, waar de sterkste Nederlandse kickboksers in Japan schitterden tegen de allerbesten ter aarde. Wereldwijd en met name in Japan zaten mensen massaal voor de buis gekluisterd om in een overvol Tokyo Dome (70.000 toeschouwers) of de Yokohama Arena (50.000 toeschouwers) machtige strijders zoals Peter Aerts, Ernesto Hoost, Sem Schilt, Alistair OvereemRemy BonjaskyBadr Hari en vele anderen te zien vechten. Onze jongens brachten miljoenen mensen in vervoering met mooie, snoeiharde wedstrijden en brute knock-outs. Hoe kan het dat we in het Verre Oosten de prijzen aaneenregen, terwijl die overwinningen aan ons eigen land voorbijgingen?

Alistair Overeem

Om het antwoord op die vraag te kunnen geven, moet je eerst snappen hoe de Nederlandse kickboksstijl, en daarmee onze vechters, is geëvolueerd tot de beste ter wereld. Wat de Hollandse school onderscheidt van de traditionele staande vechtsporten, is de geraffineerde mix van elementen uit verschillende disciplines, en die te perfectioneren in de afwerking van stoot- en traptechnieken. De Nederlandse kickboksers overrompelen hun tegenstanders door razendsnelle, snoeiharde, intelligente stoottrapcombinaties te maken. Aan de hand van een aantal legendarische sleutelfiguren wordt duidelijk hoe dat zo is gekomen.

Tiende dan

Tot aan de jaren 50 was het boksen van oudsher de enige echte vechtsport in Nederland, met grote namen als Ben BrilLeen Sanders en Bep van Klaveren, in mindere mate gevolgd door het Grieks-Romeins worstelen. Daar kwam echter door één man verandering in: Jon Bluming (1933-2018), een grootmeester in bijna alle traditionele Japanse vechtsporten, oftewel budo. Hij bezat hoge graden in judo (negende dan), bo-jitsu (vierde dan), iai-jitsu (vierde dan), jodo (vierde dan), kendo (tweede dan), hapkido (tiende dan) en Kyokushinkai-karate (tiende dan). Als jonge man werd Bluming getraind door de Haarlemse tandarts en judomeester Gerhard Schutte, ook wel ‘opa Schutte’ genoemd. In de jaren 50 vocht Bluming in het Nederlandse leger aan de zijde van de Amerikanen tegen de Chinezen in de Koreaoorlog, waar hij een paar keer gewond raakte en 27 kameraden verloor. Terug in Nederland pakte hij de draad in judo en Kyokushinkai-karate weer op, waarna hij een aantal keer naar Japan reisde om zich daar meester te maken in de vele traditionele Japanse vechtsporten. In 1961 bracht hij als een van de eersten het Kyokushinkai-karate naar Europa, en uiteindelijk werd Bluming in Japan tot grootmeester bekroond. Hij was pas de derde man op de wereld die de tiende dan in het Kyokushinkai-karate ontving, een grote eer.

Jon Bluming

De pupillen van Bluming begonnen na het behalen van hun banden en dans zelf ook karatescholen in Nederland, en al snel werden door het land heen ook wedstrijden georganiseerd. In de traditionele Aziatische vechtsporten blonken de Nederlanders uit omdat we door Bluming voorliepen op de rest van de wereld, met grote namen als Otti Roethof en Jan Stapper (meervoudig wereldkampioenen Kyokushinkai-karate) of Wim Ruska (meervoudig wereldkampioen en olympisch kampioen judo).

Een van Blumings belangrijkste pupillen staat inmiddels bekend als de godfather van de Nederlandse MMA, oftewel freefighting: Chris Dolman. De specialist in de grond-vechtsport behaalde alles bij elkaar zo’n veertig titels in het judo, worstelen – waaronder de wereldtitel in het sambo (Russisch worstelen) – en later ook in het freefighting. Dolman geldt nog steeds als een autoriteit die veel succesvolle Nederlandse kickboksers en MMA-vechters heeft opgeleid, zoals Alistair Overeem (winnaar van de laatste K-1) en Bas Rutten (de allereerste UFC-kampioen). Dolman is daarmee een van de meest invloedrijke MMA-trainers in Nederland en hij heeft ervoor gezorgd dat er al jarenlang kickboks- en MMA-wedstrijden in binnen- en buitenland werden georganiseerd, waaronder zijn eigen RINGS Holland freefightgala.

Chris Dolman

Je kunt zodoende rustig stellen dat Chris Dolman de grondlegger is van het Nederlandse freefighting, en nog steeds een van de meest bekroonde en invloedrijkste mensen is in de Nederlandse vechtsportcultuur. Een van zijn bizarste wapenfeiten vond plaats in 1992, toen hij op 43-jarige leeftijd op één avond drie tegenstanders versloeg en zo een freefighttoernooi in Japan won. Andere succesvolle leerlingen van Dolman die hoge ogen gooiden in het MMA zijn Dick VrijHans NijmanJoop Kasteel en Willie Peeters.

Ontleende kracht

Hoe kwam de transitie van de traditionele Aziatische vechtsporten, waar Nederlanders met name domineerden in Kyokushinkai-karate, naar het kickboksen tot stand? Om die vraag te beantwoorden komen we terecht bij misschien wel de meest invloedrijke muay Thai-expert en -trainer van Nederland én Thailand: Thom Harinck.

Thom Harinck, met Peter Aerts rechtsachter hem

‘Jan Stapper was een oude karatepupil van Jon Bluming, en hij had inmiddels een eigen karateschool in Amsterdam,’ blikt Harinck terug op begin jaren 70. ‘Als jongeman trainde ik bij hem in de traditionele karatestijl met de traditionele regels van het Kyokushinkai-karate. Na een tijdje deed ik ook mee aan toernooien en tijdens een wedstrijd sloeg ik iemand tegen het hoofd, en dat mag volgens de regels niet. Toen werd ik dus gediskwalificeerd en dat vond ik stom. Ik kon me niet helemaal vinden in al die oude regels, dus ben ik gewoon mijn eigen stijl gaan ontwikkelen. Die stijl noemde ik chakuriki, wat letterlijk vertaald “ontleende kracht” betekend. Het is een mix waarin ik het allerbeste van alle staande vechtsporten ontleen en toepas in één uniforme stijl. We gingen in plaats van witte, rode karatepakken dragen om ons nadrukkelijk te onderscheiden van het traditionele karate. Het waren vooral de bokstechnieken die ik integreerde met het karate, en sodemieterde alles wat in mijn ogen niet effectief was overboord. In mijn gym trainden we nadrukkelijk stoten en trappen naar het hoofd, dat gebeurde in het karate niet. Toen er toernooien werden georganiseerd door de Hagenaar Charles Dumerniët (een meester in Indonesische vechtsport) waarin verschillende vechtsportstijlen het tegen elkaar opnamen en er wel degelijk tegen het hoofd mocht worden geslagen, maakten wij met mijn chakuriki-team iedereen helemaal af.’

Harinck vervolgt: ‘De karateka’s hadden geen benul hoe ze moesten omgaan met stoten naar het hoofd. Hoe verdedig je dat? Hoe gebruik je het zelf? Wisten ze niet! Om mijn stijl nog efficiënter en rijker te maken ben ik me gaan verdiepen in het muay Thai. Het was een onbekende mysterieuze vechtsport uit Thailand, die daar volkssport nummer één was. We werden uitgenodigd door Thaise wedstrijdpromotors om met een groepje van vijf van mijn chakuriki-jongens naar Thailand te gaan om te vechten, en ik ging mee als trainer. Mijn jongens waren al kampioenen in Europa, dus we hadden er zin in. Om een lang verhaal kort te maken: we hebben het pak slaag van ons leven gekregen, stuk voor stuk. Ik was stomverbaasd: hoe kon het dat we een vreselijk pak rammel kregen? Die Thai trapten eigenlijk vooral hard naar het lichaam, omdat dat in het muay Thai meer punten oplevert. Boksen deden ze nauwelijks. Maar ze hadden twee wapens die wij niet hadden: knie- en elleboogtechnieken, en die waren echt verwoestend voor ons. We wisten niet wat ons overkwam. Ik ben toen drie maanden in Thailand gebleven om in drie verschillende kampen zoveel mogelijk muay Thai-technieken onder de knie te krijgen. Toen ik terugkwam in Nederland ben ik ze gaan integreren in mijn chakuriki-stijl. Vanaf dat moment begon ik met een aantal anderen te kijken hoe we onze stijl konden aanpassen en verbeteren.’

Boze billen

Eind jaren 70, begin jaren 80 beginnen steeds meer Nederlandse trainers langzaamaan hun karatescholen om te vormen tot fullcontact-karate, oftewel Japanse stijl kickboksscholen. Steeds meer van de beoefenaars, waaronder die van pioniers Thom Harinck en Jan Plas, beginnen met muay Thai-technieken toe te passen in het kickboksen. Een bescheiden, maar fanatieke competitie komt in Nederland op stoom.

Omdat tot op de dag van vandaag miljoenen Thai het muay Thai beoefenen, was het voor Nederlanders moeilijk om van hen te winnen. Er was een gigantische Thaibokscompetitie, met een ongelofelijk sterke top. Zeker in de lichtere gewichtsklassen was de competitie moordend, aangezien de Thai over het algemeen een tengere bouw hebben dan de Europeanen. De zwaardere Nederlandse vechters begonnen echter steeds meer te winnen in Thailand omdat er minder grote, zwaardere Thaise vechters waren in de hogere gewichtsklassen. Er was simpelweg minder concurrentie. Nederlandse topvechters zoals Jan Plas, Rob Kaman en Rick van de Vathorst gingen naar de competities in Thailand om zich daar te meten met de superieure locals, en er kwamen langzaamaan wat succesjes.

Rob Kaman

Eind jaren 80 en begin jaren 90 begon het tij echt te keren door mannen als Ivan HippolyteGilbert BallantineRamon Dekkers en Peter Smit. Zij begonnen tot stomme verbazing van het publiek de Thaise vechters in eigen land te verslaan. Het lokale publiek was in totale shock toen Dordrechter Smit in een vol Lumpinee-stadion in Bangkok op nationale televisie als allereerste buitenlander hun eigen kampioen versloeg én daarna naar de camera moonde met zijn witte billen, waar twee ogen op bleken te zijn getatoeëerd! True story: veertig miljoen aan de Thaise buis gekluisterde vechtsportlief hebbers hebben de boos kijkende witte billen van Peter Smit gezien.

Windmolen uit de hel

Er is echter één Nederlander die naast titels ook de harten van de Thaise fans wist te veroveren, en dat was Ramon Dekkers (1969-2013). We bezoeken zijn stiefvader en trainer Cor Hemmers in de Bredase Hemmers Gym, waar de directeur van GLORY kantoor houdt. De zestiger laat met zijn zoon Nick Hemmers, die eigenaar van de sportschool is, de prijzen zien die Dekkers jarenlang bij elkaar heeft gevochten. Cor wijst naar een zakje as. ‘Alle naaste familieleden hebben een beetje as van Ramon gekregen. Ik had graag gewild dat hij zou hebben kunnen zien dat zijn prestaties als vechter later zoveel invloed hebben gehad op de hedendaagse vechtsport. UFC-president Dana White liet me onlangs in Las Vegas zien dat ze een zaal naar hem hebben vernoemd, als eerbetoon. Dat had Ramon denk ik nog graag willen meemaken. Hij is in 2013 veel te jong overleden, aan een sporthart.’

Ramon Dekkers

Ramon Dekkers wordt in Thai­land diep vereerd, zelfs nu nog na zijn dood 

Dekkers werd in Thailand ‘Kahanalok’ genoemd, losjes vertaald: de windmolen uit de hel. De traditionele Thaise technieken bestonden vooral uit harde trappen op het lichaam met veel knieën en ellebogen naar het hoofd,’ zegt Cor Hemmers.

‘De lokale muay Thai-vechters trapten bijna niet naar de benen, en bokstechnieken gebruikten ze weinig. Ik begon Ramon te leren dat je de Thaise vechters kon neutraliseren door te counteren met low-kicks om de benen uit te schakelen, en op te volgen met stoten naar het hoofd. Al snel begon hij de Thai op die manier te verslaan, en dat was voor hen iets ongekends. Europeanen konden nooit winnen van de superieure Thaiboksers, en dit kleine Nederlandse mannetje sloeg de ene na de andere knock-out. Ze besloten om Ramon in het beroemde Lumpinee-stadion in Bangkok te laten vechten tegen hun grote kampioen Koban, en ze hoopten natuurlijk dat hij wel even korte metten met Ramon zou maken. Maar Ramon versloeg hem met een barrage van stoten naar het hoofd.’

Cor Hemmers

Zoon Nick voegt toe: ‘Ik denk dat die Koban wel 26 hoeken moest incasseren. De scheids probeerde Koban zelfs weer op te tillen om hem door te laten vechten, zo heftig was de schok.’

Cor: ‘Ramon werd toen kampioen, in Thailand! Na die wedstrijd wilden ze onze paspoorten niet teruggeven en vroegen ze ons om nog vijf weken in Thailand te blijven zodat er meteen een rematch zou kunnen komen met Sangtiennoi, bijgenaamd The Deadly Kisser, een andere grootheid. Nu pas zie ik in wat dit later heeft betekend voor het kickboksen. Ramon werd al snel een publiekslieveling in Thailand en hij heeft zelfs als enige niet-Thai de hoogste onderscheiding van de koning ontvangen. Zo diep wordt hij daar vereerd, zelfs nu nog na zijn dood. Dat kwam omdat hij deels vocht in hun stijl, stilstaand voor je tegenstander. Dat waardeerden de Thai heel erg. Ik denk dat de evolutie van de Nederlandse vechtsport voor een klein deel ook te danken is aan mijn zoon.’

Perfect storm

Pioniers als Jon Bluming, Ramon Dekkers, Thom Harinck, Jan Plas, Peter Smit, Ivan Hippolyte, Chris Dolman, Rob Kaman en nog meer mannen hebben door de jaren heen de perfect storm weten te creëren waarin het Nederlandse kick-boksen zich vanaf de jaren 60 tot aan het begin van de jaren 90 razendsnel heeft ontwikkeld tot een ontzettend effectieve en agressieve vechtsport. Iedereen wisselde kennis met elkaar uit, de Nederlandse vechters maakten elkaar beter. Trainers stuurden hun beste jongens ook naar andere scholen, om daar tegen anderen te sparren en met andere trainers te trainen. In onze sportscholen werd keihard gespard, waardoor er een natuurlijke onderscheiding ontstond tussen vechters die talent en wilskracht hadden, en zij die dat niet hadden. Er werden inmiddels door heel Nederland wekelijks wedstrijden gehouden, de moordende competitie in Nederland dreef het niveau omhoog.

Ernesto Hoost en Peter Aerts

Begin jaren 90 werden een aantal prominente vechtsportscholen benaderd door ene meneer Ishi uit Japan. Hij heeft de ambitie om een groot platform te beginnen waarin alle vechtsportdisciplines het tegen elkaar zullen opnemen: de K-1 World Grand Prix. In tegenstelling tot wat men tot die tijd gewend was, waren er in dit toernooi hele grote geldprijzen te winnen. Het was voornamelijk een zwaargewicht-competitie en dat was perfect voor de Nederlandse vechters, die bovengemiddeld lang en zwaar zijn. Dit toernooi werd van 1993 tot 2010 het grootste staande-vechtsportplatform dat de wereld ooit had gezien.

Remy Bonjasky

In 1993 werd het allereerste K-1-toernooi georganiseerd, waar acht vechters op een avond in de finale probeerden te komen om een gigantische geldprijs te winnen. De finalisten vechten dus met drie mannen op één avond. Thom Harinck boekte met zijn jongens onmiddellijk succes. In 1993 won zijn Kroatische pupil Branko Cikatic (1955-2020) de eerste K-1-titel en de twee volgende jaren en in 1998 was het Peter Aerts die er met de titels vandoor ging. En daar bleef het niet bij, Ernesto Hoost pakte de titel maar liefst vier keer, Remy Bonjasky twee keer, Sem Schilt vier keer en Alistair Overeem was de laatste Nederlander die de titel in het zwaargewicht pakte. Een jonge Badr Hari wist de K-1 te winnen in het lichtzwaargewicht, Andy Sauer en Albert Kraus wonnen ook de K1 MAX-titels in het middengewicht. Maar er waren veel meer jongens die vanuit Nederland zeer hoge ogen gooide op dit toernooi. Ook Gökhan SakiTyrone SpongRob van Esdonk en Rene Rooze vochten als leeuwen en boekten gigantische successen.

Sem Schilt

Lintje

Maar in Nederland bleef de bekendheid bij het grote publiek achterwege. Mannen als Ernesto Hoost en Peter Aerts keerden terug naar hun vaderland, en waren vrijwel totaal anoniem. Een schril contrast met de rocksterrenstatus die ze in Japan hadden. Daar zaten ze in tv-programma’s, of werden er poppetjes en computerspelletjes van ze gemaakt. Maar thuis herkende niemand ze in de supermarkt.

In 2018 vertelde Hoost nog in een interview in Nieuwe Revu over zijn status in Japan. ‘Dat begon in 1995 echt grote vormen aan te nemen. Met name in het begin en eigenlijk nog steeds wel. Twee jaar geleden liep ik ergens in Japan en werden mensen nog steeds helemaal crazy. In de hoogtijdagen moest je soms op straat vluchten voor een hysterische menigte. Het is onwaarschijnlijk om mee te maken maar heel bijzonder.’ Het contrast met thuiskomen in Nederland had niet groter kunnen zijn. Hoost: ‘Ik won in 1997 mijn eerste K-1 Grand Prix en dan staat op Schiphol alleen je familie je op te wachten. Dat is bij voetballers wel anders.’

Rico Verhoeven

De sterrenstatus begint langzaamaan te komen, zegt de viervoudig K-1-kampioen. ‘Het wordt steeds beter, kijk eens naar een Rico Verhoeven. Die profiteert van het feit dat wij al het voorwerk hebben gedaan. Ik heb trouwens wel een lintje van de koningin gekregen.’

Germaine de Randamie

In 2010 ging de K-1 failliet, waarna in 2012 het toernooi GLORY wed opgericht door de Franse entrepreneur Pierre Andurand, met de hulp van Cor Hemmers en Bas Boon. Ze namen het stokje over van de Japanners en maakten het toernooi internationaler door ook evenementen buiten de Aziatische landen te organiseren. Het kickboksen werd nu ook steeds meer opgemerkt door het Nederlandse grote publiek. Met de opkomst van de jonge Rico Verhoeven en K-1-veteraan Badr Hari begon het kickboksen steeds meer mainstream te worden in Nederland en vandaag de dag zitten er miljoenen Nederlanders aan de buis gekluisterd als de twee het tegen elkaar opnemen. Ook onze vrouwelijke strijders doen het top, en dan met name Marloes Coenen (wereldtitel in Strikeforce) en Germaine de Randamie (wereldtitels in het kickboksen en in de UFC).

Marloes Coenen

In de Nederlandse stijl kickboksen wordt vandaag wereldwijd lesgegeven, en het is de kwaliteitsnorm geworden voor de staande vechtsporten. We kunnen goed voetballen en heel goed schaatsen, maar de hele wereld kent ons ook om onze gladiatoren. Ook degenen die je niet op straat zult herkennen.

Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct

Laatste nieuws