‘Eerst maar eens de zomer halen’

Een mooi afscheidsjaar had 2019 moeten worden voor Bob Fosko (63) en De Raggende Manne. Een nieuw album kwam uit en de band tourde de theaters voor de laatste keer rond. En toen werd begin dit jaar slokdarmkanker bij hem geconstateerd.
Bob Fosko

Het is een clichévraag van jewelste, maar hoe gaat het met je? ‘Ik voel me absoluut niet ziek als je doelt op die vervelende aandoening die bij mij begin dit jaar is geconstateerd. Ik slik chemo en dat heeft wel invloed op hoe ik me voel, maar tot nu valt het niet tegen. Met dank aan de positieve invloed als gevolg van de tour van De Raggende Manne.’

Met die vervelende aandoening doel je op de slokdarmkanker. Hoe sta je er nu voor? ‘Beter word ik niet. De doktoren die me bijstaan in het OLGV-ziekenhuis hebben me verteld dat ik in stadium vier zit en dat betekent dat mijn leven slechts verlengd kan worden.’

Dit jaar stond in het teken van de afscheidstour van De Raggende Manne. Staat deze theatertoer dan ook in het teken van het afscheid van de leadzanger? ‘Nee, dat was absoluut niet zo gepland. Eind vorig jaar hadden we voor het uitkomen van ons nieuwe album Alles Kleeft net de hele tour gepland. Daar had ik ontzettend veel zin in. We waren er helemaal klaar voor. En toen heb ik me begin januari laten nakijken in het ziekenhuis vanwege wat maagklachten. Waarop even later dus slokdarmkanker werd geconstateerd die ook nog eens uitgezaaid bleek te zijn.’

Toen je deze onheilstijding kreeg te horen, zakte de grond weg onder je voeten? ‘Het was wel even flink schrikken. Ga je met wat vage klachten naar je huisarts, dan is dit het resultaat. Juist nu ik de laatste jaren zo gezond heb geleefd, haha. Ondertussen bekijk ik het allemaal vrij nuchter. Ik zeg de laatste tijd vaak genoeg: ach, de dood, die gast is een oude vriend van mij. En dat klopt ook wel. In mijn directe omgeving heb ik goede vrienden en vriendinnen zien omvallen aan de gevolgen van kanker. Ik heb dus vaker met dit bijltje gehakt.’

Je doet er niet alleen nuchter over maar je moet zelfs even grinniken. ‘Geloof me: de dood is niet iets waar ik naar uitkijk, maar het is prima zo. Ik ben ook verder gegaan met vrolijk doorleven. Maar dat betekent niet dat ik mijn medische situatie accepteer, of zo. Ik kijk vol in de smoel van deze kloteziekte. Het beest in de bek kijken, zo heet dat toch? Je moet kanker omarmen ook al is het een klootzak, maar het zit wel in je lichaam. En inderdaad: niet vergeten te blijven lachen.’

Nooit even de neiging gehad om een week in bed te blijven liggen met de gordijnen dicht? ‘Ja, en dan? Met Vera heb ik een fantastische vrouw om mij heen plus drie geweldige kinderen met aanhang en vier prachtige kleinkinderen. Had ik dan tegen mijn familie moeten zeggen dat ik met rust wens gelaten te worden omdat ik in een hoekje stil wil gaan liggen huilen? Zo zit ik absoluut niet in elkaar. Verder heb ik veel te veel goede vrienden die ik graag zo vaak mogelijk wil blijven zien. Helemaal nu ik in blessuretijd zit.’

Ervaar je dat echt zo? ‘Ja en nee. Ik heb me inmiddels aardig ingelezen over slokdarmkanker en als ik de statistieken moet geloven, lopen drie van de vier mensen met deze ziekte na vier jaar nog rond op deze aardbol. Maar ik weet ook dondersgoed dat dit voor mij helemaal niet hoeft op te gaan. Kanker is en blijft een tikkende tijdbom en volkomen onvoorspelbaar. Ik hoop in oktober 64 jaar te worden. En dat is op zich een mooie leeftijd. Het toekomstbeeld van 80 of 90 jaar oud worden lijkt me helemaal niet zo aanlokkelijk. Zit je straks dementerend weg te kwijnen met je hoofd in een bord griesmeelpap in een verzorgingstehuis waar al te weinig verplegers zijn. Nee, hartelijk dank daarvoor. Wat dat betreft geldt ook voor deze vorm van kanker: elk nadeel heeft z’n voordeel. Naast een zekere berusting heeft zich ook een bepaalde opluchting meester van mij gemaakt. Als je weet dat je ongeneeslijk ziek bent en niet zeker weet of je het einde van dit jaar gaat halen, dan sta je heel anders in het leven. Mijn tijd zit er bijna op, maar ik voel me vrijer dan ooit.’

Hoezo dan? ‘Ik hoef me niet meer bezig te houden met allerlei langetermijnprojecten, laat staan wakker te liggen vanwege geldzorgen. Want de laatste jaren was het echt schrapen voor Vera en mij. Maar dankzij die kanker hoef ik me daarover niet meer druk te maken. Ik heb nu te dealen met gelimiteerde tijd, en daardoor is mijn leven redelijk op orde. Want Vera en ik maken er wel wat moois van, hoor. We zweren bij ons vakantiehuisje in de Bourgogne, we voelen ons gezegend met kinderen en kleinkinderen om ons heen met wie we heel goed contact hebben en in principe gaat elke dag een mooie fles wijn open om de dag te vieren.’

Menig sterveling in het zicht van een aangekondigde dood zweert bij een bucketlist. ‘Nou, ik heb absoluut niet het gevoel dat ik piketpaaltjes heb vergeten te slaan op bepaalde momenten in mijn leven. Met mijn werk als kunstenaar heb ik knotsgekke dingen kunnen doen die ik oprecht hartstikke leuk vond. Maar of ik een bucketlist heb nu het einde nadert? Welnee, ben je gek. Nou ja, één dingetje dan: mijn vader had toen ik negen was een Opel Rekord station, daar zou ik graag nog een keertje in willen rijden. Dat is het enige wat ik nog wel heel leuk zou vinden. En ik wil nog met al mijn broers van de zomer naar Katwijk aan Zee. Dat deed ik ook als klein kind met het hele gezin.’

Verder niks op je verlanglijst? Voor iemand die zichzelf omschrijft als ‘een creatieve veelvraat’ en ‘artistieke bon vivant’ zou dat opmerkelijk zijn. ‘Nu je het zegt: ik heb in een bureaula nog een mooi muzikaal project liggen. Ik hoop dat ik nog de tijd krijg om deze artistieke droom te realiseren.’

Vertel! ‘Het gaat om een script voor de eerste kraakopera van Nederland. En dan in de vorm van een rockmusical. Volgend jaar is het precies veertig jaar geleden dat de kroning van Beatrix in Amsterdam werd overschaduwd door krakersprotesten. Bijna iedereen van 50 jaar of ouder kan zich die bewogen dag met als slogan “geen woning, geen kroning” nog goed herinneren. Bovendien is het wel en wee van de krakersbeweging in Nederland een boeiend, maar veel te onderbelicht hoofdstuk van onze vaderlandse geschiedenis. In deze kraakopera draait het ook om de vraag: wie waren nou de echte krakers? Was dat de ideologisch geïnspireerde kraker die een politiek statement wilde maken tegen de verkrotting en de leegstand in de binnensteden of was dat de gemakzuchtige uitvreter die kraken wel lekker goedkoop wonen vond?’

Tot welk kamp behoorde jij? ‘Tot de overgrote meerderheid van de krakers die dit deden op opportunistische gronden. Ik zocht toentertijd tevergeefs naar een betaalbare woning in Amsterdam waar de woningnood uit de pan rees en toen ben ik maar een leegstaande woning gaan kraken. Dat was ook hard nodig, want Vera was toen hoogzwanger. Ik heb met mijn eigen handen van een woning een paleisje gemaakt. Heb zelf gas en elektra aangelegd en alles tiptop verbouwd. En ja, dat deed ik uit welbegrepen eigenbelang. Ben je dan een uitvreter? Wellicht, maar gemakzuchtig was ik dus niet.’

Gemakzuchtig moet jou vreemd zijn afgaande op je cv. Om te beginnen met De Raggende Manne, waarmee je begin jaren 90 furore maakte met zelfbenoemde ‘eclectische jazz-punk’. Met als evergreens de keiharde nummers Poep In Je Hoofd en Ik Vind Je Leuk. Zeg eens eerlijk: was De Raggende Manne met jou als brulboei niet één grote vette knipoog? ‘Natuurlijk, De Raggende Manne is dertig jaar geleden begonnen als een uit de hand gelopen grap, maar het was ook een dikke middelvinger naar de mainstream muziekindustrie. Maar ik heb nooit een bepaalde hoogverheven boodschap gehad of zo. Noteer maar dat De Raggende Manne een provocatieve band is die de vrije muziek wil omarmen. Maar als je me vraagt: wat is nou precies de bedoeling van De Raggende Manne? Dan antwoord ik: vind ik een goede vraag, maar eerlijk gezegd weet ik dat ook niet. Maar ik weet weer heel zeker dat Poep In Je Hoofd bij uitstek een protestsong is. Het is een lied dat een al recalcitrantie en rauwheid vertolkt en een balorige vuist maakt tegen de vertrutting.’

Poep In Je Hoofd is veruit het bekendste nummer van De Raggende Manne, maar het werd destijds lang niet overal gedraaid. Verbaasde je dat? ‘Veel Nederlandse radio-dj’s vonden het te aanstootgevend. Vooral Hilversum, met uitzondering van de VPRO, deed er krampachtig over. Ach ja, wat wil je ook met frases als: “Zal ik jou eens lekker in je bek schijten?” In België was Poep In Je Hoofd wel een hit, het heeft in 1995 zelfs tien weken in de hitparade gestaan. Achteraf ben ik wel trots op wat we hebben bereikt, met nummers die toen niet algeheel maatschappelijk werden geaccepteerd.’

Poep In Je Hoofd is ook een meezinger, generatie na generatie brult het mee. Tenminste, afgaande op het publiek dat afkomt op jullie theateroptredens. ‘Alleen al daarom durf ik er vergif op in te nemen dat Poep In Je Hoofd allang in de Top 2000 had moeten staan. Net zoals De Raggende Manne nog wel even voortleven als ik er niet meer ben. Maar toevallig weet ik via via dat Hilversum Poep In Je Hoofd al jaren bewust tegenhoudt. De makers van de Top 2000 bepalen namelijk zelf wat hun eigen muzikale grenzen zijn en wat hun publiek is, de luisteraars van de Top 2000 hebben hierover niets te zeggen.’

Dan gaan we maar wat verder terug in de tijd: trouwe oude lezers van Nieuwe Revu weten dat jij de geestelijke vader bent van Hakkûhbar, een parodie op de gabberscene eind jaren 90. En dan vooral dankzij de hit Gabbertje met Ruben van der Meer als hardcore gabber in de gelijknamige videoclip. Hieraan bewaar je zeker mooie herinneringen? ‘Ja, het schijnt dat we met Hakkûhbar de hele gabberscene terug de underground hebben ingejaagd. Zo stonden we met Gabbertje vier weken lang op nummer één. Maar niet iedereen was er even blij mee. Zo vond de gabberscene onze teksten over drugs verschrikkelijk. Maar dat heb ik altijd hypocriet gevonden. Iedereen moet zelf weten of hij drugs gebruikt. Ach, uiteindelijk vonden veel van die gasten onze muziek wel mooi. Er zat een lekkere beat in. Dat was ook onze kracht: we deden het met een knipoog, maar het was wel echte gabbermuziek.’

In hoeverre ben jij een ervaringsdeskundige qua drugs? Als de spil van De Raggende Manne was je toch ook niet vies van een lijntje coke in de kleedkamer tijdens optredens als ik een oude Nieuwe Revu-reportage moet geloven. ‘Nou, ik behoorde wel tot de meest matige leden van De Raggende Manne. Maar we vonden vooral tijdens de hoogtijdagen in de jaren 90 wel dat elk concert moest uitlopen op een feestje. En dan nam ik weleens een klein lijntje. Dat deed ik om de roes vast te houden. Maar dan praat je over enkele malen per jaar.’

Hoe zit het dan qua consumptie van bijvoorbeeld xtc en cannabis? ‘In 2004 heb ik voor het eerst een xtc-pilletje genomen. In Frankrijk, in het dorp van ons vakantiehuis. Kreeg ik van een vriend, want hij vond dat ik dat echt een keer moest uitproberen. Nou, dat gelijk de laatste keer. Ik kreeg last van een soort angstpsychose. Dat wil ik nooit meer meemaken. Wat cannabis betreft: ik rook al dertig jaar niet meer, dus dan kom je ook niet snel in aanraking met een joint of zo. Geen kwaad woord verder over cannabis. Sinds de openbaring van mijn ziekte neem ik enkele druppels wietolie in voor het slapen gaan. Dan slaap ik als een roos.’

En qua alcoholconsumptie? Het was immers een publiek geheim dat De Raggende Manne ook de drank rijkelijk lieten vloeien. ‘Maar bij mij bleef het bij een paar borrels voor een optreden. Ik heb altijd wel van een goed glas alcohol gehouden, maar de laatste jaren probeer me ik echt aan maximaal drie glazen wijn per dag te houden. Dat vind ik voorlopig mooi genoeg tenzij ik krijg te horen van de artsen dat mijn einde heel dichtbij is gekomen. Dan zou ik het nog weleens op een zuipen willen zetten.’

Een ander wapenfeit dan maar: Je schitterde ooit in Het Sinterklaasjournaal en bij de nationale Sinterklaasintocht als Pietje Precies. En toen was je een pikzwarte Piet. Hoe sta jij nu in die hele zwartepietendiscussie? ‘De laatste jaren heb ik wel een omslag gemaakt. Vooropgesteld: Zwarte Piet is natuurlijk nooit racistisch bedoeld. Maar je moet je ogen niet sluiten voor mensen die er problemen mee hebben. Beweeg mee en blijf niet volharden in conservatief denken. Ik heb dan liever dat mensen aanstoot nemen aan Poep In Je Hoofd dan aan Zwarte Piet. Sinterklaas is een kinderfeest en daar moet je met je poten vanaf blijven, ook al ben ik voor een geleidelijke vervanging van Zwarte Piet door een roetveegpiet.’

Ben je nog trouw aan de SP? Je bent immers ook de creatieve adviseur geweest bij campagnes van de tomaatrode brigade. Menig campagnelied van de SP komt uit jouw koker. ‘Vond ik ook een mooie tijd en ik werd ook nog heel marktconform betaald. Ik heb me altijd kunnen vinden in de grondbeginselen van de SP, maar ben nooit lid geworden. Als kunstenaar moet je je handen vrijhouden. Ik ben sowieso nooit een clubjesman geweest. Ik zit ook niet meer in het adviesteam van de SP. Overigens heeft Jan Marijnissen me negentien jaar geleden gepolst voor een serieuze politieke loopbaan bij de SP. Ik voelde me vereerd, maar ik heb daarvoor bedankt. Als politicus moet je een dikke huid hebben en vuile handen durven maken. Daarvoor ben ik ongeschikt.’

Burgemeester Eberhard van der Laan sprak vlak voor zijn dood bij Zomergasten in 2017 de hoop uit dat hij zijn stad wat liever achterlaat. Hoe zou de afscheidsboodschap van Bob Fosko kunnen luiden? ‘Amsterdam is steeds meer in de greep van het grote geld. Voor gewone mensen en vooral voor kunstenaars wordt de stad bijna onbetaalbaar. Terwijl alles draait om het eerlijker verdelen van rijkdom en meer menselijke waardigheid. Vriendschap en liefde is uiteindelijk veel belangrijker dan een volle bankrekening. Maar als je het toch hebt over een blijvende herinnering: ik heb aan de Amsterdamse SP-wethouder Arjan Vliegenthart ooit een gouden tip gegeven.’

Hoe luidt die tip? ‘Verrijk Amsterdam met fonteinen her en der in de stad. Om het gemeenschapsgevoel te versterken. Het individualisme in Amsterdam is doorgeslagen en dat moet je tegengaan. Begin dan met fonteinen met een mooi pleintje eromheen. En zet dan niet iets braafs neer, maar met een knipoog. Een fontein in de vorm van bijvoorbeeld een spuitende ezel lijkt me wel fraai.’

Je heet in het echt Geert Immers, maar je staat alom bekend als Bob Fosko. Straks als je er niet meer bent, zullen de meeste Nederlanders alleen je alias zich voor de geest kunnen halen. Kun je daar vrede mee hebben? ‘Natuurlijk. De naam Bob Fosko heb ik destijds bedacht omdat ik zocht naar een passende artiestennaam. Bob Fosko heeft een soort absurdistische allure die bij Wim T. Schippers niet zou misstaan. Daarnaast had ik ooit via via vernomen dat je met een artiestennaam onvindbaar zou zijn voor de fiscus. Nou, dat is dan een sterk verhaal want de Belastingdienst heeft me tot nu toe altijd weten te vinden. Hahaha.’

Vergeef me de vrijpostige slotvraag: wil je met je kloteziekte doorgaan tot het bittere einde, ook als daar veel pijn bij komt kijken? ‘Je bedoelt of ik tegen die tijd euthanasie niet uitsluit? Wie weet, als de pijn ondraaglijk wordt. Maar ik ben daar nu nog niet mee bezig. Ik zit al in de palliatieve medische hoek, alles is erop gericht om met heel veel liefde en goede zorg de pijn te verzachten. Eerst maar eens de zomer halen. En hiervan een beetje genieten. Dus de Tour de France halen, daarna durf ik pas weer verder vooruit te kijken.’