‘Je moet ook een beetje gek zijn’

89 minuten lang niks te doen hebben en in één waanzinnig moment de wedstrijd redden of een gigantische blunder begaan. Je moet er maar zin in hebben. Wie zijn toch die amateurkeepers? Johan Kra­mer portretteerde ze in de documentaire Keeper, die op 15 juni wordt uitgezonden op NPO 2. Een kennismaking met de hoofdrolspelers.
an Dooijewaard, de oud­ste keeper van Neder­ land

‘Een grazende koe in het naastgelegen weiland kan mijn dag maken.’

‘Als ik in het weekend met de auto door Nederland rij, kom ik ontzettend veel voetbalvelden van amateurverenigingen tegen,’ zegt regisseur Johan Kramer (56). ‘Dan zie ik altijd precies hetzelfde: 21 mensen op één helft en helemaal in de verte, op het andere doel, een eenzame man van middelbare leeftijd in een roze pakje. Dan rijst bij mij de vraag: hoe is dat zo gekomen? Wat beweegt iemand in godsnaam om in dat doel te gaan staan? De keeper wordt snel over het hoofd gezien in de voetballerij, hij hangt er maar een beetje bij. De aandacht gaat automatisch naar de spits of de middenvelder, die het spelletje maken. Keeper zijn is best een kwetsbare positie en dus heel interessant voor een film.

De fascinatie voor keepers heb ik al heel lang, alleen de tijd om dat te vertalen naar een documentaire niet. Toen ik die beslissing eenmaal had genomen, verliep het project meteen vrij vlot. Ik kreeg al snel een omroep en het Filmfonds enthousiast over het idee, daarna moest ik op zoek naar een verzameling bijzondere doelverdedigers. De belangrijkste voorwaarde was om amateurkeepers – geen professionals – te filmen. De keeper als symbool voor de anonieme man of vrouw in een goal. Als ik een prof erbij zou betrekken, school bovendien het gevaar dat alle aandacht naar die bekende keeper zou gaan. Dat maakte de keuze al iets eenvoudiger; we hebben in Nederland slechts een kleine tweehonderdduizend amateurkeepers. We zijn aardig wat verenigingen afgestruind. Voor de film beland je al snel bij een piepjonge keeper die aan zijn allereerste seizoen begint en een hele oude die juist zijn allerlaatste seizoen ingaat. Vanaf de eerste seconde was het een uitgesproken droom om een Syrische vluchteling te vinden die ook keept. Dat we uiteindelijk de voormalige doelman van het Syrische elftal vonden, die ook nog eens zo’n intens verhaal heeft, overtrof onze stoutste dromen. Nadat hij zijn levensverhaal deelde met zijn teamgenoten in de kleedkamer, was het muisstil. Voor een filmmaker zijn dat prachtige momenten.’

Droomtransfer naar Roemenië

‘Zo hebben we wel meer geluk had,’ vervolgt Kramer. ‘Een van de keepers begon belabberd aan het seizoen, met veel tegendoelpunten, maar maakte halverwege het filmen een droomtransfer naar een profclub in Roemenië. Dat kun je niet bedenken voordat je aan een documentaire begint. Dat is dan ook meteen het mooie aan dit filmgenre: je kan mooie karakters bij elkaar zoeken, maar tijdens het filmen moet nog maar blijken wat er precies met deze mensen gebeurt. Het filmproces zelf was nog inspannender. Ik heb ontelbaar veel voetbalvelden gezien, waar we regelmatig een half uur een keeper filmde waarmee echt niets gebeurde. En steeds op de momenten dat we de camera verplaatsten, misten we de actie. Dan denk je wel even: kut. Tegelijkertijd is dit precies wat keeper zijn betekent: 89 minuten lang niksen en in één waanzinnig moment de wedstrijd redden of een gigantische blunder begaan. Met het eindresultaat ben ik dik tevreden. Het mooie is dat ik met deze film veel reacties krijg van mensen die van voetbal houden, maar minstens net zoveel van mensen die niks met de sport hebben. Blijkbaar schuilt er toch iets in die roemloze keepersrol dat mensen aanspreekt. De meesten die de voorpremière zagen, kwamen me vertellen dat de film hun beeld van keepers heeft veranderd, dat ze meer waardering hebben gekregen voor deze mensen. Een betere recensie kan ik me niet wensen. Ik hoop dat iedereen die deze film gaat zien hetzelfde zal voelen.’

Jan Dooijewaard (75)

Oudste keeper van Nederland

Club: DVS’33 (6e klasse)

‘Je kan wel stellen dat mijn keeperscarrière vrij laat is begonnen. Toen ik voor het eerst op doel ging staan, was ik vijftig en had ik al 34 jaar in de benen als semiprof in het veld. Dáárvoor nog speelde ik fanatiek straatvoetbal, een heel ander spelletje. Toen ik op mijn zestiende lid werd van DVS’33 uit Ermelo, waar ik nog altijd speel, kwam ik direct in het eerste elftal. Vier jaar later kapte ik ermee, want we speelden op zaterdag en dat viel niet langer te combineren met mijn werk als melkboer. Vanaf mijn 24ste belandde ik in allerlei teams: het olympisch elftal, het Nederlands amateurelftal, het elftal van de Koninklijke Luchtmacht toen ik daar in dienst was, noem maar op. Rond mijn dertigste keerde ik terug naar mijn oude club, waar ik afzakte naar de oudjes. Ik was vijftig toen ik voor het eerst in mijn lange voetbalcarrière onder de lat ging staan. De reden was vrij simpel: de jonge keeper die we hadden, brak z’n been.

In mijn hoofd ben ik nog begin twintig en kan ik alles, maar de uitvoering wordt steeds moeilijker

De rol van keeper sprak me aan. Ik heb het altijd prachtig gevonden, al was ik een betere voetballer. Bovendien zag ik het wel zitten om niet zoveel meer te hoeven rennen. Ik kreeg er al snel veel plezier in. Niet alleen om ballen tegen te houden, maar ook om je hele achterhoede aan te sturen. Het moet wel echt in je zitten om goalie te zijn. Ik ken zat jongens die prima kunnen voetballen, maar die houden geen bal tegen, kunnen niet duiken en missen het overzicht. Ik zie van tevoren wat de tegenstander gaat doen. Buitenkantje voet, naar binnen draaien, links of rechts in de hoek. Dat is een gevoelskwestie. Kun je niet leren. Je moet ook een beetje gek zijn. Als er eentje op me afkomt, duik ik er zonder na te denken vol bovenop. Op dat moment zie ik alleen nog maar de bal. Een paar jaar geleden kwam de bal uit de lucht mijn kant op, samen met een inkomende tegenstander. Ik dook op die bal af, kreeg ’m klemvast en het volgende moment werd ik wakker in de ambulance. Wat dat betreft ben ik er qua blessures in die 25 jaar nog redelijk heelhuids vanaf gekomen. Een gebroken enkel, een knie uit de kom en een zweepslag, that’s it. Ik ben nu 75 en schijn de oudste keeper van Nederland te zijn, maar ik ben nog steeds fanatiek. Ik ben blij dat ik nog mee kan komen, maar het is soms wel frustrerend. In mijn hoofd ben ik nog begin twintig en kan ik alles, maar in de uitvoering wordt dat steeds moeilijker.’

Lenny Bemboom (10)

Aanstormend talent van de Waddeneilanden

Club: SC Terschelling (JO-11)

‘Vlak nadat ik was geboren, ben ik door een helikopter naar het ziekenhuis gebracht. Ik was zeven dagen oud toen ze me opereerden aan een hartafwijking. Transpositie van de grote vaten noemen ze het. Daar heb ik een zware ademhaling aan overgehouden, vooral als ik moe ben. Als ik op doel sta, heb ik er niet zoveel last van, maar ik kan niet een hele wedstrijd in het veld rennen. Maar dat is niet de enige reden dat ik de beste keeper ter wereld wil worden. Toen ik op mijn zevende mijn allereerste wedstrijd speelde, wilde ik per se op doel staan. Het leek me gewoon heel leuk om al die ballen tegen te houden. Ik kijk veel naar Ajax en vind het heel knap hoe André Onana zijn doel verdedigt. Van Alisson Becker, de keeper van Liverpool, vind ik het stoer dat hij na al die blessures gewoon doorgaat. Zelf heb ik al een keer mijn pols gekneusd, en in dezelfde wedstrijd werd ik vol in mijn rug gebeukt, maar een echte keeper houdt gewoon vol. Het belangrijkste is dat teamgenoten goed naar me luisteren. Als ze dat niet doen, kan ik nog weleens flink boos worden.

Voor iedere uitwedstrijd stappen we op de veerboot naar Harlingen, dan zijn we twee uur onderweg

Hopelijk kan ik later van een echte keeper les krijgen, die hebben we niet op Terschelling. Naast mijn eigen club hebben we hier op het eiland maar één andere voetbalclub, maar die spelen een klasse hoger, daar heb ik dus nog nooit tegen gespeeld. Voor iedere uitwedstrijd stappen we op de veerboot naar Harlingen, dan zijn we twee uur onderweg. Vanuit daar is het vaak nog een stukje rijden naar onze tegenstander.

Voor de film zochten ze een jonge keeper van de Waddeneilanden, daar deed ik graag aan mee. Toen we begonnen met filmen was ik acht en speelde ik in de derde klasse. Dat was eigenlijk veel te makkelijk, we wonnen alles. Aan het einde van de film werd ons team kampioen, dus inmiddels voetbal ik een klasse hoger. Ik ben nu een veel betere keeper, hoor. Eerst ging ik nog blind op de bal af als de tegenstander dichtbij kwam. Nu weet ik al na één schot hoe diegene de rest van de wedstrijd gaat schieten. Ik weet nu ook vaak welke hoek ze zullen kiezen. Die dingen heb ik geleerd van mijn speciale keeperstrainer. Ik vind het heel jammer dat we door corona dit seizoen niet mogen afmaken. Gelukkig zijn er nu ook heel weinig toeristen op Terschelling, dus kunnen we nog wel lekker buiten blijven oefenen. Om de hoek heb ik een mooi voetbalveldje waar we elke dag spelen. Uiteindelijk wil ik bij Liverpool keepen, maar om in Nederland te beginnen vind ik niet zo erg.’

Selena Babb (24)

Rijzende ster uit Rotterdam

Club: Sporting Huelva (Spaanse Primera División)

‘Ik was pas 1,40 meter toen ik voor het eerst op doel stond, maar ik leverde meteen goed werk. Na die eerste keer wilde ik niets anders. Het plezier van ballen tegenhouden duurde veel langer dan het gevoel van scoren. Op mijn dertiende kwam ik al voor mijn eerste vrouwen 1-elftal uit. Een groot compliment, maar tegelijkertijd heel pittig. Als je een tegengoal om je oren krijgt, maakt het even niks meer uit dat je dertien bent. Je moet je werk goed doen, klaar. Dat leer je snel als je commentaar krijgt na een tegendoelpunt.

Gelukkig kreeg ik veel begeleiding van mijn moeder. Van haar leerde ik hoe belangrijk coachen vanaf de goal is. Zoals mijn trainer het zegt: keepen is 80 procent coachen en 20 procent actief keepen.

Het plezier van ballen tegenhouden duurde veel langer dan het gevoel van scoren

Het echte werk begon bij BVV Barendrecht, waar ik op mijn veertiende in de eerste klasse speelde. Daarna speelde ik bij profclubs als FC Utrecht, Excelsior Barendrecht en SV Saestum, maar voor vrouwen valt daar helaas niets te verdienen. Ik keepte op het hoogste niveau, maar tegelijkertijd had ik drie banen ernaast. Mijn leven veranderde pas echt toen ik mijn droomtransfer naar Roemenië maakte, waar ik Champions League speelde. Wéér een grote stap omhoog, nog meer trainen, nog serieuzer en verhuizen naar een vreemd land. De beloning was gigantisch; betaald krijgen om te voetballen, andere baantjes waren niet meer nodig. Dat ik deze stap maakte tijdens het filmen van Keeper was een fantastische bonus, zowel voor Johan als voor mezelf. Meewerken aan deze film was heel speciaal. Iemand die je een jaar lang volgt tijdens alle goede, maar zeker ook alle slechte momenten, levert mooie beelden op. De frustraties horen daar zeker bij, want keepen is nu eenmaal een frustrerende rol. Je medespelers verwachten niet dat je moe wordt. “Jij rent toch haast niet?” – dat idee. Dus als ik zesduizend ballen tegenhoud en in een ongelukkig moment één klote-doelpunt tegen krijg, dan is dat wel heel zuur, ja.

Een hardwerkende keeper legt evenveel kilometers af als de gemiddelde verdediger. Als keeper ben je constant aan het analyseren. Hoe hard komt de bal op me af, sta ik wel op de goede plek, naar welke hoek gaat ie? Dat houdt nooit op. En als het dan misgaat, ga je erover nadenken. Heel veel nadenken. Let maar op: iedere keer als er wordt gescoord, zie je het hoofdje van de keeper even naar beneden gaan. Die denkt: wat gebeurde er nou net? Daar moet je niet in blijven hangen, hoe moeilijk dat soms ook is.’

Sjoerd Mossou (42)

Sportjournalist en -columnist

Club: JEKA 4 (3e klasse)

‘Als jochie wilde ik heel graag op doel staan, omdat ik dan een ander kleur shirtje aan mocht dan de rest. Mijn vader was ook keeper. Die combinatie gaf denk ik de doorslag. De verantwoordelijke rol die bij keepen kwam kijken, vond ik ook wel wat hebben. Ik was op slag verliefd en wist al heel jong welke keepershandschoenen er allemaal op de markt waren en waar ik de mooiste keeperstruien kon scoren.

Rond mijn veertiende werd ik gescout door een paar clubs uit de buurt. Tijdens een stage bij RBC Roosendaal, toen nog een bescheiden profclub, proefde ik een heel klein beetje van het leven als profvoetballer. Opgehaald worden in busjes, vier keer per week trainen, dat werk. Toen ik na een half jaar voor de onmogelijke keuze stond om volle bak voor de opleiding te gaan of stoppen en een normaal leven leiden, koos ik voor het laatste. Enerzijds viel er een droom in duigen; als kind wil je natuurlijk profvoetballer worden, maar het gaf vooral een bevrijdend gevoel. Het idee om elke dag onder een enorme druk te moeten voetballen, daar was ik niet geschikt voor. Dat leventje past gewoon niet bij mij. Ik wil gewoon met mijn vrienden voetballen. Bijna dertig jaar later denk ik er nog steeds zo over. Geen seconde spijt van gehad. Sindsdien raap ik de ballen uit het doel van mijn oude club JEKA in mijn thuisstad Breda.

Het idee om elke dag onder een enorme druk te moeten voetballen, daar was ik niet geschikt voor

Keepen vind ik nog altijd heerlijk. Het is echt een mentaal spelletje. Ik las eens over een onderzoek waaruit bleek dat keepers meer last hebben van faalangst dan veldspelers. Zelf heb ik daar nooit veel last van gehad, al kan ik me goed vinden in die stelling. De keeper draagt een grote verantwoordelijkheid. Een middenvelder komt vaak wel weg met een foutje, maar bij de keeper is dat gelijk een tegengoal. Wat misschien nog zwaarder weegt is hoe afhankelijk je bent op goal. Als speler in het veld kun je, tot op zekere hoogte, een wedstrijd naar je hand zetten. Je kunt initiatief nemen. Als keeper kun je alleen reageren. In de kern sta je daar om ballen tegen te houden. Daarin ben je volledig afhankelijk van wat er op je afkomt. “Ooit zullen alle ballen voor mij zijn,” zei Stanley Menzo ooit. Een utopie, maar het geeft wel mooi aan hoe alle keepers altijd naar die foutloze wedstrijd streven. Gaandeweg het filmen zag Johan mij blijkbaar als het cement tussen de stenen, iemand die de scènes in zijn film een beetje aan elkaar praat. Misschien komt dat door mijn werk als sportjournalist en schrijver. Ik kijk soms graag door een roze bril naar de voetbalwereld, met name het amateurvoetbal. Dat is nog zo puur en staat ver af van stinkrijke voetbalsterren in grote auto’s en WK’s in Qatar. In Nederland maakt het amateurvoetbal letterlijk onderdeel uit van ons landschap. In ieder dorp kom je een voetbalclub tegen, voetbal en de algehele verenigingscultuur zijn in onze samenleving verankerd. Als amateurvoetballer kom je dan ook op plekken waarvan je nooit wist dat ze bestonden, daar hou ik van. Als keeper heb je daar meer oog voor, omdat wij iets meer tijd hebben om lekker om ons heen te kijken en de oer-Hollandse omgeving in ons op te nemen. Een grazende koe in het naastgelegen weiland kan mijn dag maken.’

Tarek Kharboutli (33)

Voormalig keeper van het nationale elftal van Syrië

Club: DSOV (2e klasse B)

‘Net als ik was mijn vader de keeper van het nationale elftal van Syrië, in de jaren 60. Het was zijn grote droom dat zijn zoon in zijn voetsporen zou treden. Dat is gelukt. Het is jammer dat ik geen les van hem kon krijgen, omdat hij ziek was toen ik begon. Toch ontwikkelde ik me snel. Mijn eerste professionele contract tekende ik op mijn zestiende, bij Al-Wahda, een van de grootste clubs van Damascus. In 2011 werd ik de keeper van het Syrische elftal. Een onvergetelijk moment, mijn ouders waren enorm trots. Mijn leven sloeg volledig om. Op mijn negentiende had ik drie grote huizen, drie mooie auto’s en at ik meer in restaurants dan thuis. Toen de burgeroorlog in 2011 uitbrak, veranderde alles en was ik m’n leven niet meer zeker. Mijn vrouw en kinderen vluchtten in 2014 naar Denemarken. Ik wilde ze dolgraag achterna, maar als speler van het nationale team had ik een reisverbod en mocht ik dus niet mee. Ik moest het leger in van president Assad. Dat weigerde ik, waardoor ik als landverrader werd opgepakt door de veiligheidsdiensten. Ik ben geslagen en gemarteld. Via een smokkelaar kreeg ik eind 2015 de kans om te vluchten. Bij de Turkse grens ben ik in mijn been geschoten door de douane. In een klein rubberen bootje van één bij twee meter maakte ik met vijftig andere vluchtelingen de overtocht naar Griekenland. Het bootje zonk, waarna we zes uur in het water dobberden. Ik werd gered en belandde in een container op het vluchtelingenkamp van Leros. Negen maanden later vloog ik met een vals Bulgaars paspoort naar Schiphol, waar ik volgens mijn smokkelaar met de auto door kon rijden naar mijn gezin in Denemarken. Niet dus; ik werd opgepakt door de marechaussee. De keuze tussen teruggestuurd worden naar Syrië of asiel aanvragen in Nederland was snel gemaakt.

Na een zware tijd in de asielopvang van Zaanstad was ik welkom bij Marina van Notten en Jan Petit, een Nederlands stel dat ik in het Griekse vluchtelingenkamp had leren kennen. Ze namen me in huis. Ik zie hen als mijn ouders, ze hebben mijn leven gered. Via hen ontmoette ik Bob Duis, teammanager van AFC, die me uitnodigde om eens mee te trainen. Na een jaar weinig spelen belandde ik in de Bollenstreek bij R.K.V.V. Teylingen, en nu speel ik bij DSOV in het dorpje Vijfhuizen. De rol van keeper is hier heel anders dan in Syrië. In Nederland moet een keeper veel met zijn voeten kunnen spelen, in Syrië hoefde ik alleen maar ballen tegen te houden.

Een professionele carrière als keeper zit er niet meer in denk ik, daarvoor ben ik alweer te oud. Sinds ik in Nederland ben, heb ik wel geprobeerd de nodige stappen te maken, maar in een ander land prof worden is heel moeilijk. Ik geef nu keeperstraining aan de jeugd, hopelijk kan ik dat mijn leven lang blijven doen. In de tussentijd probeer ik mijn opleiding tot taxichauffeur te voltooien. Vorig jaar ben ik eindelijk herenigd met mijn vrouw en kinderen, dat gevoel kan ik niet beschrijven. Mijn kinderen heb ik jarenlang op afstand zien opgroeien. Van mijn oude elftal in Syrië is één andere speler gevlucht, met de rest heb ik geen contact meer.’ 

Laatste nieuws