Het beklaagdenbankje: ‘Huilen kan natuurlijk ook van emotie komen’

Iedere week wonen journalist Martijn Neggers en illustrator Jeroen de Leijer een zitting bij waarin gewone mensen ter ve...

Iedere week wonen journalist Martijn Neggers en illustrator Jeroen de Leijer een zitting bij waarin gewone mensen ter verantwoording worden geroepen. Geen zaken die breed worden uitgemeten in de media, maar huis-tuinen-keukenleed. Deze week: meneer D. wordt ervan verdacht zijn ex te hebben mishandeld.

Illustratie Jeroen De Leijer

De rechtszaal zit behoorlijk vol, maar de sfeer is bedrukt en stil. Het is warm binnen. Links zitten vier scholieren in het publiek. Rechts achter een glazen wand zitten er nog vier. Het is stil in de zaal. Ongemakkelijk stil. Een meisje van een jaar of 15 maakt een selfie met een roze telefoon. Achter de voorzitter aan de muur hangt een lelijk portret van koning Willem-Alexander. Dan ineens mompelt de rechter, nog net verstaanbaar, tegen de griffier: ‘We zijn net trouwens ontkomen aan een historische gebeurtenis, wist je dat?’

‘O ja?’ mompelt ze ongeïnteresseerd terug, terwijl ze opkijkt van haar computer.

‘Ik had bijna mijn toga verkeerd om aangetrokken.’

Haast onzichtbaar schudt ze een keer met haar hoofd. Dan komt verdachte meneer D. binnen. Meneer D. is ongeveer 30 en draagt een sportjasje en een paar sneakers. Zijn haar zit in netjes geordende stekeltjes die met gel – alsof het jaar 2003 nooit voorbij is gegaan – fier omhooggehouden worden. Meneer D. kijkt vermoeid. Zijn gezicht is bleek. Achter de glazen wand zijn ook twee andere toeschouwers aangeschoven. Ook zij kijken vermoeid en bleek. De meisjes naast hen maken nog maar eens een selfie.

Pruik

De officier van justitie begint met de aanklacht. Meneer D. wordt ervan verdacht dat hij zijn ex heeft mishandeld door haar uit de auto te trekken, waardoor zij uit de wagen is gevallen, terwijl hun dreumeszoontje die op de achterbank zat het hele schouwspel moest aanzien.

‘Kan dat kloppen, meneer D.?’

‘Ja.’

‘U werd driftig?’

‘Nou, nee, mijn vrouw werd driftig. Ik heb haar ook netjes verzocht om uit de auto te stappen, maar dat deed ze niet. En toen heb ik haar aan haar jasje getrokken.’ Terwijl D. vertelt dat hij zijn vrouw aan haar jasje trok, doet hij met zijn armen, met een groot gebaar, voor hoe hij dat deed.

De rechter plukt een beetje aan zijn kin. ‘Oké, maar volgens haar trok u haar aan haar haren de auto uit.’

‘Maar dat kan helemaal niet.’

‘Pardon?’ vraagt de rechter.

‘Het was haar eigen haar niet. Ze heeft een pruik op.’

Even, héél even, een fractie van een seconde, lijkt de rechter van pure ellende in lachen uit te barsten.

‘Ze had een pruik op?’

‘Ja.’

‘En ehh…’ wendt hij zich, zo serieus mogelijk, tot de advocate. ‘Heeft u dit geverifieerd?’

‘Ik heb dit niet geverifieerd, edelachtbare.’

‘Nou ja, goed. U heeft haar in elk geval wel de auto uit gesleurd. Wat heeft u verder nog met haar gedaan?’

‘Niks. Ik heb haar gewoon losgelaten. En toen is ze blijkbaar gevallen.’

‘Ja, hé, blijkbaar? Blijkbaar?’ wordt de rechter ineens een beetje wakker. ‘U was er zelf bij en toch bent u er niet zeker van dat ze gevallen is?’

‘Ik keek naar de auto.’

De officier neemt het over. ‘Het gaat hier om het uit de auto trekken van mevrouw, waardoor ze ten val is gekomen. Geweld is gewoon nooit goed, en zeker niet als de kinderen erbij zijn. Ik wil vragen om 88 uur werkstraf, voorwaardelijk, voor de duur van twee jaar. Ik zie de straf dan ook meer als een waarschuwing, een stok achter de deur.’

Autostoeltje

‘Goed,’ antwoordt de advocate, ‘dat meneer mevrouw uit de auto getrokken heeft, dat klopt, dat geeft meneer hier ook zelf aan. Maar, vraag ik dan: wat heeft het hier voor gevolgen gehad? We zitten hier voor een strafbaar feit. Het is niet zo dat vast is komen staan dat mevrouw pijn heeft gehad. Ze vertelt dat ze een nagel heeft afgebroken. Nou goed, daar zou je natuurlijk pijn aan kunnen hebben, maar dat blijkt verder nergens uit. Ik kan me ook nog goed voorstellen dat het van die plaknagels – nou ja, wacht, misschien is plaknagels wat oneerbiedig om te zeggen, maar in elk geval van die kunststof nagels – zijn die afgebroken zijn. Ja, dat kan inderdaad vervelend zijn. Maar, mijn cliënt heeft drie keer, tijdens de ruzie in de auto, gevraagd of ze uit zijn auto weg wilde gaan. Mevrouw wilde gewoon niet uit de auto gaan. Daarna heeft mijn cliënt haar, om de ruzie te ontzenuwen, uit de auto getrokken.’

‘Waar ging die ruzie over?’ vraagt de rechter.

‘Over een autostoeltje, dat van de nieuwe vriendin van mijn cliënt was.’

De rechter slaat zijn ogen even neer. Even lijkt hij op het ritme van zijn ademhaling in slaap te vallen. Dan knikt hij naar de advocate om verder te gaan.

‘Mijn cliënt had geen enkele bedoeling om mevrouw te gaan mishandelen. Of om haar pijn of letsel toe te brengen. Er zijn ook helemaal geen foto’s die enig letsel laten zien. Ik wil dan ook graag dat mijn cliënt vrijgesproken wordt.’

De officier betwist nog één keer dat het slachtoffer geen pijn heeft gehad en verduidelijkt dat de verklaring is dat haar nagels afgebroken waren, dat ze zere vingers had en dat er bovendien een getuige verklaard heeft dat mevrouw aan het huilen was. ‘En, nou ja,’ voegt ze eraan toe, ‘aan je jas uit de auto gesleurd worden en op de grond vallen, dat is in elk geval een onaangename gewaarwording.’

De rechter kan inmiddels bijna met zijn kin zijn bureau aanraken. Hij benoemt de formaliteiten nog maar eens en komt dan tot zijn zalvende oordeel. ‘Het voornaamste is: ik wil geen hypotheek leggen op de pogingen om contacten te herstellen. Wat betreft de aanklacht: huilen kan natuurlijk ook van emotie komen, en het feit dat iets onaangenaam is, maakt het nog geen mishandeling. Ik spreek meneer D. vrij.’

‘Oké,’ antwoordt meneer D.

‘Fijne dag,’ zucht de rechter vermoeid. Heel even lijkt hij zichzelf af te vragen of dit nou echt is waarom hij ooit rechter is geworden. Dan schudt hij zijn hoofd nog maar een keer en schuift hij met wat papieren.