De man met het kleddernatte kunstgebit

Ze halen zelden de krantenkoppen, maar ook huis-tuin-en-keukencriminelen worden door de rechter ter verantwoording geroepen.In Het Beklaagdenbankje uw wekelijkse portie winkeldiefstal, huiselijk geweld en ander klein leed.
Illustratie beklaagde

 Deze week een shagrokende vijftiger die een stadswacht schoffeerde.

De middag vordert gestaag, terwijl de bewoners van de rechtbank zich opmaken voor de volgende zitting. De advocaat van de 53-jarige meneer B. is wat te laat, dus terwijl B. zelf onrustig moet blijven wachten op de gang, heerst er binnen een kalme stilte tussen de stormen in. Er is verder geen publiek afgekomen op de rechtszaak van vandaag. De bejaarden, scholieren, kritische volgers van de rechtsstaat en de rechtenstudenten zijn allemaal thuisgebleven. De bode snuit zijn neus een keer. Er loopt een agent binnen. Een andere loopt weer weg. En zo tikt de tijd langzaam weg, wachtend op het laatste stukje in de puzzel van vrouwe justitia.

Dan ineens zwaait de deur open. De advocaat van meneer B. treedt met grote stappen de zaal binnen. Hij excuseert zich vrolijk en uitgebreid over het feit dat hij te laat is, terwijl hij hobbelend in de richting van zijn raadsliedentafel loopt. Meneer B zelf loopt minder enthousiast naar de plek die voor hem vrijgehouden is. Een beetje moeilijk hinkt hij naar het beklaagdenbankje, en gaat dan mopperend zitten. Hij ziet er slecht uit: ongezond en ongelukkig. Zijn advocaat gebaart dat B. zich het beste een beetje kalm kan houden, maar iets lijkt te verraden dat hij dat niet meteen van plan is.

Schelden en spugen

De officier van justitie staat op en legt uit dat B. ervan verdacht wordt dat hij ‘kankerlijers’ geroepen zou hebben naar de politie, en naar ze gespuugd zou hebben. Daarnaast heeft hij nog een tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf staan, omdat hij iets heeft vernield, en een fiets had gestolen. De rechter kijkt B. eens onderzoekend aan.

‘Wat denkt u ervan, meneer?’ vraagt ze hem.

‘Klopt helemaal niks van,’ schiet hij meteen in de verdediging. Hij gooit zijn armen kwaad over elkaar en gaat achterover zitten. Hij bromt nog wat na dat hij helemaal niets heeft gestolen, en ook niets vernield. Als zelfs zijn advocaat aan meneer B. doorgeeft dat de aanklacht toch eigenlijk wel een beetje klopt, zakt hij mopperend weer achter in zijn stoel. Dan gaat de rechter over op de orde van de dag, en vraagt of dat van dat schelden en spugen dan in elk geval wel klopt.

‘Nou,’ schiet B. wéér met grootse gebaren in het verweer. ‘Om te beginnen: het was geen agente, het was een stadswacht. En ik heb niet gespuugd. Echt niet. Ik heb een kunstgebit, en als ik te snel praat, komt er nou eenmaal spuug mee...’

Ter illustratie pakt meneer B. in één beweging zijn kunstgebit uit zijn mond, houdt het omhoog, in de richting van de rechter, en wijst ernaar. Hij knikt een paar keer met zijn hoofd, en steekt het dan weer terug in zijn mond.

De rechter knikt met een zo ernstig mogelijk gezicht en zegt dat ze gelooft dat meneer B. een kunstgebit heeft.

Bedorven boodschappen

‘Maar goed,’ gaat de rechter verder, ‘die stadswachten wilden u een boete geven voor drinken in het openbaar.’

Die opmerking schiet B. in het verkeerde keelgat.

Meteen legt hij luidkeels uit dat hij gewoon boodschappen was wezen doen bij de Jumbo, en dat hij gewoon bij de brug een shaggie wilde draaien, maar dat er net wat verderop wat mensen aan het drinken waren op een bankje, waar hij natuurlijk helemaal niets mee te maken had. Dat de stadswacht hem aangehouden heeft, terwijl hij helemaal niets aan het doen was, maar dat ze altijd hém weer moeten hebben.

‘En zij maar overleggen, en overleggen, sensatie, iedereen eromheen, ik voor schut...’

‘Maar meneer,’ probeert de rechter B. te onderbreken.

‘Ik wil mijn verhaal verhaal even vertellen!’ roept hij onverstoorbaar terug. Toch wordt hij door zijn advocaat terechtgewezen – dat hij wel echt een beetje beleefd moet doen tegen de rechtbank.

Fiets kwijt, boodschappen bedorven, en nou zit ik hier in de recht­bank, voor schut

Hortend en stotend komt het verhaal boven tafel:

B. moest, nadat hij had geroepen en gespuugd, mee naar het politiebureau, en daarna, toen hij terugkwam bij de brug, was zijn fiets verdwenen. ‘Fiets kwijt, boodschappen bedorven, en nou zit ik hier in de rechtbank, voor schut,’ voegt hij er, als hij uitgeraasd is, nog een beetje beteuterd aan toe.

‘Oké,’ kapt de rechter B. af. Er schuift een speciale getuige aan. Iemand van een zorginstelling. Ze legt uit dat B. een lange historie heeft met de handhavers van de wet, en dat het eigenlijk simpelweg elke keer weer fout gaat. B. is een slechte communicator, en wordt elke keer razend als hij ergens op aangesproken wordt. Hij heeft constant het gevoel dat ze hem moeten hebben. En, voegt ze eraan toe: misschien is dat soms ook wel zo.

Voetloos been

Als er wordt gevraagd of meneer B. een taakstraf zou kunnen uitvoeren, schudt hij meewarig zijn hoofd.

‘Ik heb een handicap,’ verzucht hij. ‘Ik heb geen voet meer.’

Direct grijpt B. naar zijn rechtervoet, om aan te tonen dat hij inderdaad geen voet meer heeft, maar zijn advocaat weerhoudt hem ervan zijn voetloze been op tafel te leggen.

‘Nee nee,’ valt de rechter de advocaat bij, ‘u hoeft dat niet te laten zien, we geloven u wel.’

Het gesprek hobbelt wat heen en weer en komt weer terecht bij de vraag der vragen: heeft B. nou wel of niet gespuugd en gescholden. B. en zijn advocaat vinden nog altijd van niet, de officier van wel. Toch lijkt de rechter meer in de lezing van de officier en de stadswachten te zien, dan in die van de advocaat.

‘Heeft u nog een laatste woord, meneer B.?’ vraagt ze ten slotte.

‘Ja, dat heb ik wel,’ moppert B. nog wat na. ‘Over dat kanker zeggen: mijn broer had prostaatkanker, mijn zus moet geamputeerd worden, mijn vader is overleden aan longkanker, waarom zou ik kanker zeggen?!’

‘Oké,’ antwoordt de rechter. Maar één zin later blijkt dat ze best gelooft dat hij dat gezegd heeft tegen de stadswacht. Hij krijgt een voorwaardelijke geldboete van 300 euro, met een proeftijd van twee jaar. De tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke straf die er nog stond, wordt met twee jaar verlengd.

‘En mijn fiets?!’ besluit B. boos.

‘Daar ga ik niet over,’ verzucht de rechter. En daarmee lijkt de kous dan toch echt af te zijn. 

window._taboola = window._taboola || []; _taboola.push({ mode: 'alternating-thumbnails-a', container: 'taboola-below-article-5dcc7caad9349', placement: 'Below Article Thumbnails 2', target_type: 'mix' });