De beste bonsaiman van West-Europa

Voor sommige winnaars worden er boottochten door de Amsterdamse grachten georganiseerd, voor anderen blijft het bij een broodje kroket in de kantine, of bij een medaille aan de schoorsteenmantel. Nieuwe Revu gaat op bezoek bij de vele bijna onzichtbare winnaars die Nederland rijk is.
Ruud Lagas

De straat van Ruud Lagas, de beste Bonsaiman van West-Europa, is een rustig nieuwbouwstraatje. Er staan wat bomen, er wandelt een dametje met twee hondjes voorbij, en in de verte voetballen drie jongens van een jaar of tien. Maar alles is stil. Alles is rustig. Alles gaat traag. Als ik aanbel bij de voordeur van Ruud, duurt het even voor hij opendoet. Maar zodra hij me ziet, begroet hij me ingetogen enthousiast, en kuiert voor me uit zijn huis door. Op de keukentafel ligt een nog niet afgemaakte legpuzzel, aan de zijkant van de woonkamer staan wat stenen laafjes, die recht uit de Efteling lijken te komen.

Heel even kijkt Ruud om.

‘Hm, ja,’ mompelt hij dan, en loopt zonder verdere uitleg door naar de de plek waar het allemaal om draait.

‘Ja, het is een hele rage geweest,’ verontschuldigt hij zich haast, dat er geen bonsaibomen in zijn huis staan. ‘Dan had je ineens weer dat iedereen in Nederland een bonsaiboom in zijn huis wilde. Nou, die zijn dan dus binnen no-time dood, want die boompjes kunnen helemaal niet binnen.’

Koikarpers

Ruud schuift de schuifpui naar zijn achtertuin wat verder open en wijst een keer naar buiten. ‘Bij mij staan ze dus allemaal hier in de achtertuin.

De tuin van de beste bonsaiman van West-Europa is net zo kalm als zijn woonkamer, zijn keuken en zijn straatje. Tegen de ene schutting ligt een grote vijver vol koikarpers, en tegen de andere schutting staat een enorme tafel vol met bonsaibomen. Her en der in de tuin staan nog wat andere bonsaiprojectjes.

Ik vind het heel veel hele kleine boompjes, Ruud.

Ja, eigenlijk wel ja. Het is dus allemaal tot 1,25 meter hoog.’

Ah, kijk. Dus daar is het eerste misverstand al: een bonsaiboom is niet een boomsoort, maar alle bomen van 1,25m zijn hartstikke bonsai.

‘Tot die lengte mag je ze bonsai noemen, ja. Alles wat daarboven komt is tuinbonsai. Dat zijn gewoon kleine bomen. Op een gegeven moment je gewoon zeggen: tot zover gaat het, en daarna is het geen bonsai meer.’

Maar dus een klein beukje in een pot, en dan is het eigenlijk al direct een bonsaibeuk?

‘Nee, want dan moet je hem dus nog helemaal gaan styleren.’

Ach, natuurlijk.

Ruud gaat een beetje achterover zitten en begint te praten over de manieren waarop je bonsaibomen allemaal kunt vormen naar je eigen smaak. Over dat er meerdere etages in het ding moeten zitten, en over hoe Ruud de takjes van de boompjes met ijzerdraad de juiste kant in dirigeert. Hij vertelt over grote en kleine bladen, over het verschil tussen blauwe en groene potten, en over hoe je eigenlijk het beste gewoon lekker met een eenvoudig klein lariksje zou moeten beginnen, als je begint met bonsai.

Schoenendoos

Uitkijkend op de karpervijver vertelt Ruud alsof de tijd geen effect op hem heeft. Terwijl hij uitlegt dat er wel echte bonsaispecialisten zijn, pakken de donkere wolken zich langzaam samen boven Ruuds achtertuin.

‘Nou ja, in Japan noemen ze dat dan bonsaimeester.’

Ben jij bonsaimeester?

‘Niet officieel, want dan moet je helemaal in Japan in de leer. Er zijn maar heel weinig bonsaimeesters. Maar voor Nederlandse begrippen ben je dan wel bonsaimeester. Maar dat zijn er maar een paar, hoor, die zijn op één hand te tellen.’

Ruud Lagas (1951) is de beste bonsaiman van West-Europa. Ambitie: alle bonsais perfect krijgen.

Want hoe lang doe jij dit al?

‘Tweeëntwintig jaar.’

En ehh, niet om lullig te doen hoor, maar waarom zou een mens überhaupt bonsaibomen gaan kweken? Ik bedoel: het is ook wel veel gedoe.

‘Kijk, iedereen heeft een hobby. Ik begon met fotograferen. Hartstikke leuk, natuurlijk – ik had boven ook nog een donkere kamer, zelfs. Maar die eerste foto, daarvan zei mijn vrouw nog: “Prachtig! Die moeten we inlijsten en ophangen!” Maar vanaf de tweede, de derde en de vierde keer mochten ze allemaal gewoon de schoenendoos in. Ja, dan gaat de lol er wel een beetje vanaf. Of schilderen? Zelfde verhaal. Als het af is, zet je hem in de kelder. Postzegels? Zegel in de map, en weg ermee. Een bonsai, daar ben je altijd mee bezig. Een boom is nooit af. Een bonsaiboom kan over de honderd, tweehonderd jaar oud worden.’

Dus de kans is groot dat al deze bomen hier, dat die jou gaan overleven?

‘Ja. Ja, ja. Boompje groot, meester dood. Dat is een Japans gezegde. In Japan heb je ook gewoon hele families die bonsaibomen gewoon van vader op zoon over. En van daaruit is die hobby zeg maar naar Nederland overgekomen. Een heel klein groepje heeft dat ooit in de jaren 70 hier geïntroduceerd. Die hebben zeg maar de eerste container bonsaibomen hier op staan wachten in Rotterdam.’

Mr. Miyagi

En daar was jij bij?

‘Nee, ik was net een paar jaar later. Die eerste container heb ik niet mogen begroeten, maar ik was er wel vroeg bij. Ja, en je had natuurlijk de hele hype van die film natuurlijk, een paar jaar terug.’

Bedoel je The Karate Kid?

‘Ja, die.’

Nou je het zegt, ja! Jij bent eigenlijk de Mr. Miyagi van Brabant!

Even glimlacht Ruud voorzichtig. ‘Van Brabant? Maak daar maar West-Europa van, hoor.’ Dan staat hij op en kuiert een keer langs zijn boompjes. Hij is altijd op zoek om zijn bomen perfect te laten worden, maar soms is dat een proces van jaren.

Is dat je grootste ambitie? Al je bomen perfect te krijgen, voor de eindigheid roept?

‘Dat is wel het allermooiste, natuurlijk. Maar uiteindelijk is het vooral echt een hobby om helemaal zen van te worden. Want je bent per dag echt wel een uurtje bezig, per boom, om ze perfect te krijgen.’

Maar ik tel hier minimaal dertig bomen.

‘Ja, klopt,’ antwoordt Ruud glimlachend. Dan draait hij zich weer om en begint verder te vertellen over zijn boompjes. Hij kijkt een keer omhoog. De wolken worden donkerder en donkerder, boven zijn tuintje.’

Nu zou je willen dat de boompjes binnen zouden staan, toch?

‘Nee, nee, de bonsais zijn buitenbomen. Elk weer is onderdeel van de natuur. Ze moeten er gewoon tegen kunnen.’